ECLI:NL:RVS:2026:5700

ECLI:NL:RVS:2026:5700

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 202601224/2/R3 en 202601224/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Mondelinge uitspraak

Samenvatting

Bij besluit van 16 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze aan [appellant] zes lasten onder dwangsom opgelegd wegens diverse overtredingen. [appellant A] en [appellant B] hebben de voorzieningenrechter ook gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Uitspraak

202601224/2/R3 en 202601224/1/R3.

Datum uitspraak: 22 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)) en met toepassing van artikel 8:86 van de Awb op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Gieten, gemeente Aa en Hunze,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 6 maart 2026 in zaak nr. 25/1608 en 25/2314 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze.

Openbare zitting gehouden op 22 september 2026 om 14:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. N. Verheij, voorzieningenrechter

griffier: mr. M. Priem

Verschenen:

[appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. S.A. Wensing, advocaat in Emmen;

het college, vertegenwoordigd door H.J. Uit de boogaart-Heerspink, R. Loof en R. Bruinsma;

[partij], bijgestaan door mr. E.H.M. Teeuw.

====================================

Bij besluit van 16 november 2023 heeft het college aan [appellant] zes lasten onder dwangsom opgelegd wegens diverse overtredingen.

Bij besluit van 18 maart 2024 heeft het college een eerste invorderingsbeschikking genomen. Het college heeft [appellant] verzocht om de verbeurde dwangsommen van €36.000,00 te betalen.

Bij besluit van 13 maart 2025 heeft het college het door [appellant] op 23 oktober 2024 tegen het besluit van 16 november 2023 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft het college een tweede invorderingsbeschikking gegeven. Het college heeft [appellant] verzocht om de verbeurde dwangsommen van €18.000,00 te betalen.

Tegen het besluit van 7 oktober 2024 heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 mei 2025 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 mei 2025 heeft het college een derde invorderingsbeschikking genomen. Het college heeft [appellant] verzocht om de verbeurde dwangsommen van €40.000 te betalen. Tegen dit besluit heeft [appellant] een bezwaarschrift ingediend dat als rechtsreeks beroep is doorgezonden op grond van artikel 7:1a van de Awb.

Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft het college een vierde invorderingsbeschikking genomen. Tegen dit besluit heeft [appellant] een bezwaarschrift ingediend dat als rechtsreeks beroep is doorgezonden op grond van artikel 7:1a van de Awb.

Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 13 maart 2025, 15 mei 2025 en 2 oktober 2025 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant A] en [appellant B] hebben de voorzieningenrechter ook gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

De voorzieningenrechter is om de volgende reden tot dit oordeel gekomen.

Vaststaat dat [appellant] niet binnen een termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van het college van 16 november 2023. Hij heeft bezwaar gemaakt op 2 oktober 2024. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het overschrijden van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is.

De rechtbank heeft gemotiveerd waarom de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Volgens de rechtbank is niet voldaan aan het vereiste in artikel 6:11 van de Awb dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] niet in verzuim is geweest. In de overwegingen 4.4.1. en 4.4.2 motiveert de rechtbank dit oordeel. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. De voorzieningenrechter ziet in het hogerberoepschrift geen aanleiding daar anders over te oordelen.

Voor de beroepen tegen de invorderingsbesluiten verwijst de voorzieningenrechter kortheidshalve naar de overwegingen 7 en 7.1 van de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.

Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Verheij

voorzieningenrechter

w.g. Priem

griffier

646

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand