ECLI:NL:RBZWB:2026:9529

ECLI:NL:RBZWB:2026:9529

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer BRE 25/298
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Forensenbelasting, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,

Samenvatting

Zittingsplaats Middelburg

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 25/298 en 25/6416

en

de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslagen forensenbelasting voor de jaren 2024 en 2025 (de aanslagen). Belanghebbende is het niet eens met de aanslagen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dit betekent dat de aanslagen in stand blijven. De beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de jaren 2024 en 2025 aanslagen forensenbelasting opgelegd ter hoogte van respectievelijk € 987,85 en € 1.026,38 ten aanzien van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] (de woning).

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2024 het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag voor het jaar 2024 ongegrond verklaard. Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag voor het jaar 2025 ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de beroepen op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [persoon 1] en [persoon 2].

Feiten

3. Belanghebbende is eigenaar van de woning. In 2024 en 2025 stond belanghebbende in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de woning.

Belanghebbende is gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote). Belanghebbende is tezamen met zijn echtgenote tevens eigenaar van een woning gelegen aan [adres 2]. De echtgenote heeft daar haar hoofdverblijf.

Beoordeling door de rechtbank

4. Belanghebbende heeft in de stukken en ter zitting specifiek aandacht gevraagd voor het fiscale procesrecht en vraagt zich af welke verantwoordelijkheden dit procesrecht voor zowel de heffingsambtenaar als de rechtbank met zich mee brengt.

De rechtbank merkt hieromtrent het volgende op. Als een belanghebbende in bezwaar gaat tegen een besluit, in dit geval tegen het opleggen van de aanslagen forensenbelasting, dan moet de heffingsambtenaar een zorgvuldige en volledige heroverweging maken van het door hem genomen besluit met inachtneming van de bezwaargronden van belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft een dergelijke afweging gemaakt en bij uitspraken op bezwaar beslist dat de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. In het geval belanghebbende het niet eens is met de uitspraak op bezwaar of van mening is dat niet is gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dan kan hij dit voorleggen aan de rechtbank. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank zal beoordelen of de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Zijn de aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd?

Op grond van artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet, kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. De gemeente Vlissingen heeft aan deze bevoegdheid uitvoering gegeven met de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting Vlissingen 2024 en de gelijkluidende verordening voor het jaar 2025 (de Verordeningen).

Niet in geschil is dat de woning in de betreffende jaren gemeubileerd was en dat belanghebbende de woning voor meer dan 90 dagen voor zichzelf beschikbaar had. Tussen partijen is uitsluitend in geschil waar belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.

Belanghebbende voert aan dat de aanslagen onterecht aan hem zijn opgelegd, omdat hij in 2024 en 2025 zijn hoofdverblijf in [plaats 1] had. Ter onderbouwing heeft belanghebbende ter zitting een uitgebreide toelichting gegeven over zijn leefsituatie. Belanghebbende heeft toegelicht dat hij en zijn echtgenote een LAT-relatie hebben. De echtgenote van belanghebbende heeft haar hoofdverblijf in [plaats 2]. Ongeveer één keer in de twee weken verblijven belanghebbende en zijn echtgenote een aantal dagen bij elkaar, soms in [plaats 1] en soms in [plaats 2]. Belanghebbende en zijn echtgenote beschikken over één auto, waar voornamelijk belanghebbende gebruik van maakt. Dat belanghebbende slechts een gering aantal boodschappen doet, komt doordat hij doorgaans alleen leeft en slechts boodschappen doet wanneer hij dit noodzakelijk vindt, aldus belanghebbende. Verder heeft hij geen ruim sociaal leven, gaat hij naar de bibliotheek en heeft hij een huisarts in [plaats 1].

De heffingsambtenaar betwist dat belanghebbende in voornoemde jaren zijn hoofdverblijf in [plaats 1] had en stelt dat de aanslagen terecht aan hem zijn opgelegd. De heffingsambtenaar stelt dat meerdere omstandigheden erop wijzen dat het middelpunt van het leven van belanghebbende zich niet in [plaats 1], maar in [plaats 2] bevinden. De heffingsambtenaar verwijst hiertoe naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de aanslagen forensenbelasting aan belanghebbende over eerdere jaren en stelt dat feitelijk niets is veranderd ten opzichte van die jaren. Het lage energie- en waterverbruik, het aantal dagen dat aankopen zijn gedaan, de woonplaats van de echtgenote van belanghebbende en overige dagelijkse omstandigheden wijzen erop dat het middelpunt van het leven van belanghebbende zich niet in [plaats 1] bevindt, aldus de heffingsambtenaar.

De rechtbank overweegt als volgt. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De rechtbank dient aan de hand van de feiten en omstandigheden te beoordelen met welke gemeente belanghebbende de sterkste band heeft om aan te merken als hoofdverblijf. Uit jurisprudentie volgt dat ten aanzien van het begrip ‘hoofdverblijf’ een afwijkende bewijslastverdeling geldt. In beginsel rust op de heffingsambtenaar de last om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de voorwaarden van het belastbare feit door aannemelijk te maken dat de woning in de gemeente [plaats 1] niet het hoofdverblijf was van belanghebbende. Een redelijke bewijslastverdeling brengt echter met zich mee dat een afwijkende verdeling van de bewijslast geldt, omdat het gaat om aandragen van feiten en omstandigheden die moeten dienen ter beantwoording van de vraag waar het middelpunt van iemands leven zich bevindt. De heffingsambtenaar zou anders immers een negatief bewijs moeten leveren. Dat is, naar algemeen wordt aangenomen, zo goed als onmogelijk. In dit geval is belanghebbende daarom de meest aangewezen partij.

De rechtbank merkt op dat de toelichting zoals door belanghebbende ter zitting gegeven op zichzelf plausibel kan zijn, maar het kan evengoed zo zijn dat hij met zijn echtgenote het hoofdverblijf in [plaats 2] heeft en af en toe in [plaats 1] verblijft. De thans beschikbare informatie is onvoldoende om het hoofdverblijf vast te stellen. De overgelegde bonnetjes en bankafschriften zijn onvoldoende om de door belanghebbende geschetste situatie te bevestigen. De bonnetjes en bankafschriften zien slechts op een beperkt aantal transacties, op een beperkt aantal dagen en op beperkte uitgaven. Het gaat veelal niet om dagelijkse boodschappen zoals producten voor maaltijden. Ook kan de rechtbank uit deze transacties niet afleiden wie – belanghebbende en/of zijn echtgenote – op welk moment in [plaats 1] dan wel in [plaats 2] verbleef. Zij kunnen de boodschappen samen hebben gedaan of alleen. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de echtgenote in [plaats 2] haar hoofdverblijf had, zij een gezamenlijke auto hebben en het gas-, water-, en energieverbruik van belanghebbende in [plaats 1] laag is. Weliswaar heeft belanghebbende een verklaring voor zijn lage verbruik en uitgaven gegeven, maar die verklaringen nemen niet weg dat dit ook contra-indicaties (kunnen) zijn die op een hoofdverblijf in [plaats 2] wijzen. De zeer beperkte informatie, die geen eenduidig beeld geeft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in [plaats 1] had.

Gelet op voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2024 en 2025 hoofdverblijf in [plaats 1] had. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende op basis van de hem beschikbare informatie terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand