RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12345729 \ VV EXPL 26-65
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
NOIR B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Noir,
gemachtigde: mr. F.J.P. Niesten,
tegen
LIONCAPITAL SPORTS B.V.,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: LCS,
gemachtigde: mr. H.K. Folkerts.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 5 producties;- de mondelinge behandeling van 15 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van LCS.
2. De feiten
Noir is de besloten vennootschap van waaruit [persoon 1] als professioneel triatlete haar werkzaamheden als atleet en als spreker exploiteert.
LCS onderwijst bedrijven op het gebied van winnersmentaliteit, een gezonde leefstijl en presteren onder druk. LCS is de werkmaatschappij en LionCapital Group B.V. is de topholding. De heer [persoon 2] is (middellijk) bestuurder.
In de jaren 2023, 2024 en 2025 zijn diverse sponsorovereenkomsten gesloten tussen Noir en LCS en LCG.
Bij verstekvonnis van 18 februari 2026 is door deze rechtbank - onder meer en voor zover van belang - beslist:
“Vordering III
veroordeelt LCS om binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 5.000,00 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
Vordering IV
veroordeelt LCS om binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan Noir te betalen een bedrag van € 20.872,50 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
Vordering V
veroordeelt LCS om binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan Noir te betalen een bedrag van € 6.957,50 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
Vordering VI
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan eisers te betalen een bedrag van € 1.671,30 aan buitengerechtelijke incassokosten,
Vordering VII
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 4.515,25, te betalen aan eisers binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,”
Vervolgens zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen waarbij LCS een deel van de vorderingen van Noir heeft voldaan.
Op 21 mei 2026 is executoriaal derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van LCS bij de ING en Rabobank. Het beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 358,34.
Op 10 juli 2026 heeft de gemachtigde van Noir aan LCS nadere informatie over het inkomen en vermogen van LCS gevraagd.
LCS heeft de ontvangst van het verzoek om informatie bevestigd maar heeft niet inhoudelijk gereageerd.
3. Het geschil
Noir B.V. vordert - samengevat -:
I. LCS te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis aan Noir te verstrekken:
a. alle (voorwaardelijke) aanspraken jegens bancaire instellingen en andere geldmiddelen, met vermelding van de grondslag van deze aanspraken;
een overzicht van de kasstromen over de periode 1 januari 2023 tot en met de dag van toezending van dit overzicht en tevens alle bekende en te verwachten toekomstige kasstromen;
een overzicht van de debiteuren waaronder onder meer begrepen (voormalig) bestuursleden en aandeelhouders;
een overzicht van de rekening-courantvorderingen op de DGA per einde kwartaal over de periode 2023 tot en met de dag van toezending;
een overzicht van de vorderingen op de DGA, diens (fiscaal) partner, kinderen, andere derden-natuurlijk personen en op dochter-kleindochter en andere groepsmaatschappijen;
een overzicht van de vorderingen op externe debiteuren per einde kwartaal over de periode 2023 tot en met de dag van toezending;
een overzicht van verstrekte (geld)leningen, periodieke ontvangsten ter aflossing daarop en periodiek te ontvangen renten daarvan;
een overzicht van opeisbare managementfees;
i. een overzicht van uitgekeerd dividend per 1 januari 2023 tot en met de dag van toezending;
een overzicht van vastgesteld maar nog niet betaald dividend;
een overzicht van de te betalen lonen c.q. vergoedingen aan bestuurder (en overige bestuurders), werknemers of anderszins werkzame personen per 1 januari 2023 tot en met de dag van toezending;
een overzicht van de te betalen vergoedingen aan externe opdrachtnemers per 1 januari 2023 tot en met de dag van toezending;
een overzicht van waardepapieren die per 1 januari 2023 tot en met de dag van toezending in bezit zijn (geweest) – zoals – maar niet beperkt tot – certificaten van aandelen;
een overzicht van materiele activa die per 1 januari 2023 tot en met de dag van toezending in bezit zijn (geweest);
op straffe van (primair) onmiddellijke lijfsdwang en subsidiair (i) oplegging van eenmalige dwangsom van € 15.000,- en (ii) een periodieke dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel vanaf de dag dat in strijd met de veroordeling en/of bevelen wordt gehandeld tot een maximum van € 25.000,00 en (iii) wanneer het maximum aan dwangsommen is bereikt, onmiddellijke lijfsdwang voor de duur van een maand;
II. LCS te veroordelen in de proceskosten.
LCS voert verweer. LCS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Noir betreffende de vordering die ziet op de lijfsdwang en voor het overige tot afwijzing van de vorderingen van Noir, met veroordeling van Noir in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het meest verstrekkende verweer van LCS houdt in dat geen sprake is van een spoedeisend belang. LCS voert aan dat er geen reden is waarom de vorderingen in deze zaak niet in een bodemprocedure zouden kunnen worden beslecht met alle waarborgen die de procedure kent mede ook omdat er nog een relatief gering bedrag openstaat. Noir stelt spoedeisend belang te hebben omdat zij al lange tijd op betaling wacht, en inmiddels aanzienlijke kosten ter verhaal van de vorderingen heeft moeten maken. Bovendien wordt verhaal volgens Noir gefrustreerd doordat toezeggingen worden gedaan maar niet zijn nagekomen, de fase vanaf dagvaarden tot en met vonnis is getraineerd, niet aan het vonnis wordt voldaan, de betalingsafspraak niet is nagekomen en verder geen poging is gedaan om tot volledige betaling over te gaan.
Noir heeft voldoende spoedeisend belang bij de vordering. Tijdens de mondelinge behandeling is door LCS naar voren gebracht dat geen sprake is van verhaalsfrustratie maar van een onmogelijkheid om de vordering te voldoen. Noir heeft daar tegenin gebracht dat er wel nog activiteiten worden gepland en worden ondernomen door LCS. Volgens Noir moet er aldus vermogen zijn dat door LCS wordt verzwegen waardoor Noir wordt benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden. Gelet op de tijd die er al is verstreken sinds het verschuldigd worden van de facturen, alle moeite die Noir heeft gedaan om haar vorderingen voldaan te krijgen en dat er onbetwist weinig, dan wel geen bekende goederen zijn waarop Noir verhaal kan halen, kan van Noir niet verwacht worden dat zij een bodemprocedure start om meer informatie te verkrijgen van LCS. Noir heeft er belang bij om informatie te verkrijgen over mogelijke verhaalsmogelijkheden, nu zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze mogelijk (nog) aanwezig zijn. Het spoedeisend belang is gegeven.
Verschaffen van informatie
De onderdelen van de vordering van Noir in de dagvaarding, die verwijst naar de eerder bij brief gestuurde informatievordering aan LCS, overlappen elkaar deels. Het doel van Noir bij haar vordering is kennelijk om alle beschikbare informatie te verkrijgen over het financiële reilen en zeilen van LCS. Op grond van artikel 475g en jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, Tripels/Masson) is een schuldenaar, zoals hier LCS, in beginsel verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen over zijn inkomens- en vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Hoe ver deze verplichting reikt, hangt af van de concrete omstandigheden van dat geval. Bij het bepalen van die reikwijdte dient de rechter zich er rekenschap van te geven dat het wettelijk stelsel van informatie- en verantwoordingsverplichtingen niet wordt doorkruist. Indien aannemelijk is dat sprake is van het onttrekken van vermogensbestanddelen aan verhaal kan een verdergaande informatieverstrekking gerechtvaardigd zijn (zie onder andere ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0492). Maar ook dan gaat de, verdergaande, informatieplicht niet zo ver dat een schuldenaar gehouden is volledige rekening en verantwoording af te leggen aan zijn schuldeiser. De vordering van Noir is hoe dan ook slechts toewijsbaar voor zover de gevraagde bescheiden of informatie binnen het hiervoor weergegeven kader valt en bovendien volledig bepaalbaar is.
De kantonrechter stelt voorop dat Noir belang heeft bij het verkrijgen van informatie over de verhaalsmogelijkheden omdat Noir aannemelijk heeft gemaakt dat deze mogelijk nog aanwezig zijn. LCS onderneemt nog steeds activiteiten en het beslag heeft nauwelijks doel getroffen. De vordering van Noir zal daarom worden toegewezen, maar niet volledig. De vordering wordt beperkt wat betreft de periode waarover inzicht moet worden verstrekt. LCS is gehouden om inlichtingen te verstrekken over haar inkomens- en vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen met het doel dat Noir zich daarop kan verhalen. Noir heeft onvoldoende onderbouwd waarom zij meent in verband met dat doel informatie nodig te hebben vanaf 2023. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat het verhaal door LCS zou zijn gefrustreerd, buiten dan dat niet alles is betaald en het beslag weinig doel heeft getroffen. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om LCS te verplichten inzage te verstrekken in informatie vanaf 2023. Een verdergaande verplichting zou erop neer komen dat LCS rekening en verantwoording moet afleggen over haar financiële handel en wandel en dit valt buiten het hiervoor weergegeven kader.
- Aanspraken jegens bancaire instellingen en geldmiddelen (sub a)
Ten aanzien van de gevorderde bankschriften met bijbehorende toelichting van de grondslagen heeft te gelden dat onvoldoende is aangevoerd waarom Noir belang heeft bij de grondslagen en toelichting daarop. De kantonrechter wijst enkel toe dat LCS kenbaar maakt welke bankrekeningen op haar naam staan, met de bijbehorende saldi en rekeningnummers.
- Kasstromen (sub b)
Noir vordert opgave van de kasstromen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft LCS aangevoerd dat geen kasstroomboeken aanwezig zijn. De reikwijdte van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen over de vermogens- en inkomenspositie van LCS strekt niet zover dat kan worden verlangd dat bescheiden nog moeten worden vervaardigd. De kasboeken bestaan niet en daarom is dit deel van de vordering van Noir niet toewijsbaar.
- Debiteuren (sub c en f)
Noir vordert inzage in de debiteuren van LCS en haar externe debiteuren. Zij heeft aangevoerd dat zij een debiteurenoverzicht nodig heeft met vermelding van naam en adres van de debiteuren, rechtsgrond, openstaand bedrag, rentevergoeding, eventuele data van periodieke rentebetalingen, eventueel aflossingsschema, opeisbaarheidsdatum, eventuele verpanding, gestelde verrekeningsrechten, eventuele eerdere beslagen en onderliggende overeenkomsten. Dit deel van de vordering van Noir wordt toegewezen voor zover het valt binnen het geschetste kader uit r.o. 4.3. De kantonrechter wijst inzage toe zoals tot uitdrukking gebracht in het dictum en wijst het voor het overige af. LCS is niet gehouden om volledige rekening en verantwoording af te leggen aan Noir.
- Rekening-courantvorderingen (sub d en e)
Noir vordert inzage in de rekening-courantvorderingen op de DGA, diens partner, kinderen en andere derden-natuurlijk personen, evenals op dochter- kleindochter en andere groepsmaatschappijen. Zij wil daarbij de onderliggende overeenkomsten en een overzicht van de stand van de rekening-courantvorderingen per einde kwartaal over de periode 2023 tot en met de dag van toezending. Dit deel van de vordering van Noir wordt eveneens slechts toegewezen voor zover het valt binnen het geschetste kader uit r.o. 4.3. De vorderingen worden toegewezen zoals in het dictum opgenomen en voor het overige afgewezen.
- Geldleningen (sub g)
Noir vordert inzage in verstrekte (geld)leningen, periodieke ontvangsten ter aflossing daarop en renten daarvan, inclusief een aflossingsschema, het overzicht van de rentebetalingen, de datum van het verstrekken van de lening, de datum van de opeisbaarheid van de lening en de onderliggende leenovereenkomst(en). Toewijzing van de gevraagde informatie zou in strijd zijn met het hiervoor geschetste kader, waardoor deze vordering wordt toegewezen zoals vermeld in het dictum en voor het overige afgewezen.
- Managementfeest (sub h), dividend (sub i en j) en lonen en vergoedingen (sub k en l)
Ten aanzien van het gevorderde onder h t/m l, heeft te gelden dat door Noir onvoldoende is onderbouwd waarom het inlichtingen betreffen die onder de inkomens- en vermogenspositie vallen van LCS waarop Noir zich mogelijk kan verhalen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Noir geen rechtmatig belang bij afgifte van deze bescheiden. Toewijzing daarvan zou neerkomen op een “fishing expedition”, hetgeen niet kan worden toegelaten. Dit deel van de vordering van Noir wordt daarom afgewezen.
- Waardepapieren (sub m) en materiële activa (sub n)
Noir vordert overzichten van waardepapieren en materiële activa. Ten aanzien van de waardepapieren wil zij weten welke waardepapieren in het bezit zijn (geweest), met vermelding van de duiding van het waardepapier, de aankoopwaarde van het waardepapier, de datum van aanvang bezit, (indien van toepassing) datum van einde bezit, de verkoopwaarde van het waardepapier en gerealiseerde boekwinst/-verlies op het waardepapier. Ten aanzien van de materiële activa wil zij informatie over het aankoopbedrag, de aankoopdatum, de balanswaardering, de waarde in het economische verkeer, de verkoopdatum, de verkoopwaarde en de boekwinst (of boekverlies). De kantonrechter overweegt dat het verstrekken van inlichtingen over waardepapieren en materiële activa in beginsel wel valt binnen het hiervoor geschetste kader omdat dit inlichtingen betreffen over de vermogenspositie van LCS. Daarom zullen de inlichtingen hierover worden toegewezen zoals vermeld in het dictum. De gevorderde informatie wordt maar gedeeltelijk toegewezen nu enkel de informatie benodigd voor het verhalen relevant is en geen volledige verantwoording hoeft te worden afgelegd.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter ten aanzien van de vordering van Noir dat Noir in het petitum van haar dagvaarding niet expliciet afschrift dan wel inzage van de hiervoor opgesomde bescheiden heeft gevorderd. Noir heeft het “doen toekomen” gevorderd. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee voldoende duidelijk dat Noir afschrift (in digitale vorm of in papieren vorm) beoogt van de verlangde informatie. Wat betreft de termijn waarbinnen LCS de inlichtingen dient te verstrekken heeft te gelden dat een veroordeling binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis is gevorderd. Gelet op de hoeveelheid en omvang van de toegewezen vordering, ziet de kantonrechter aanleiding om de termijn voor het verstrekken van de inlichtingen te stellen op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Lijfsdwang - dwangsommen
Noir heeft haar vorderingen ingesteld op straffe van primair lijfsdwang. LCS heeft daartegen aangevoerd dat Noir niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze vordering op grond van artikel 586 Rv bij de voorzieningenrechter had moeten worden ingesteld.
Op grond van artikel 585 Rv kan de rechter de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van vonnissen, voor zover zij een veroordeling tot iets anders dan het betalen van geld inhouden. Ook de kantonrechter kan de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan. Artikel 586 Rv, waarin is bepaald dat een vordering tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang moet worden ingesteld bij de voorzieningenrechter, ziet op de situatie dat er wordt gevorderd om alsnog tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toe staan van een veroordeling in een eerder gewezen vonnis. In dit geval vordert Noir niet om alsnog tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toe te staan van de veroordelingen in het vonnis van 18 februari 2026, maar vordert zij tenuitvoerlegging bij lijfsdwang van een nieuwe veroordeling, namelijk de veroordeling tot het verstrekken van informatie. Dit betekent dat de kantonrechter wel bevoegd is.
De kantonrechter zal de vordering tot het toestaan van tenuitvoerlegging bij lijfsdwang afwijzen. Lijfsdwang is alleen mogelijk bij natuurlijke personen en niet jegens rechtspersonen zoals LCS.
Subsidiair vordert Noir veroordeling op straffe van dwangsommen. LCS voert aan dat deze vordering moet worden afgewezen, althans dat de gevorderde dwangsommen niet proportioneel zijn. Het nog openstaande bedrag bedraagt nog maar een fractie van de eerder verschuldigde som waardoor een eenmalige dwangsom van € 15.000,00 en een maximum van € 25.000,00 niet in verhouding staat.
De kantonrechter wijst de veroordeling op straffe van dwangsommen toe aangezien gebleken is dat een onherroepelijk vonnis alleen niet voldoende is om LCS er toe aan te sporen de vorderingen van Noir te voldoen. De dwangsommen worden toegewezen, met dien verstande dat zij op de na te melden wijze worden beperkt en gemaximeerd.
Proceskosten
LCS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Noir B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,65
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.259,15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt LCS om binnen 14 dagen na betekening een opgave te verstrekken van:
de bankrekeningen op naam van LCS met de bijbehorende bankrekeningnummers en het daarop aanwezige saldo;
de debiteuren met vermelding van: naam en adres debiteuren, het openstaande bedrag en de opeisbaarheidsdatum;
de rekening-courantvorderingen op de DGA, diens (fiscaal) partner, kinderen, andere derden-natuurlijk personen en op dochter-kleindochter en andere groepsmaatschappijen op de dag van toezending;
de verstrekte (geld)leningen inclusief het aflossingsschema en een overzicht van de rentebetalingen.
de waardepapieren in bezit van LCS op de dag van toezending met daarbij vermeld de verkoopwaarde van het waardepapier;
de materiële activa in het bezit op de dag van toezending met daarbij vermeld de balanswaardering.
veroordeelt LCS om aan Noir een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling uit r.o. 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
veroordeelt LCS in de proceskosten van € 1.259,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als LCS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt LCS tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.