RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442691 / HA ZA 25-658
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] B.V.,
2. [gedaagde 2],
gevestigd en wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
advocaat: mr. P. Salim.
1. De zaak in het kort
[eiser] stelt dat hij het loon dat hij van de payrollbedrijven boven de € 2.000,00 tot € 2.400,00 ontving op basis van een nietige afspraak met [gedaagden] heeft terugbetaald aan [gedaagden] [eiser] vordert daarom onterecht betaald loon terug. [gedaagden] betwist de gestelde afspraak en betwist dat [eiser] loon heeft terugbetaald aan haar. Gezien de betwisting zal de rechtbank [eiser] in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van zijn stellingen.
[eiser] meent daarnaast dat [gedaagden] een in Iran gestarte procedure met betrekking tot een door de broer van [eiser] verstrekte cheque (die [gedaagde 2] daar wil incasseren) dient te staken. [gedaagden] betwist dat zij een procedure is gestart in Iran en voert aan dat de broer van [eiser] degene is die daar een procedure is gestart tegen [gedaagde 2] . De rechtbank wijst de vordering tot het staken van een procedure in Iran af. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 februari 2026 en de daarin genoemde processtukken;
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden voor het treffen van een regeling. Bij e-mail van 22 juni 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan de rechtbank bericht dat partijen geen minnelijke oplossing hebben bereikt. Daarom is vonnis bepaald.
3. De feiten
[gedaagde 1] is een onderneming die actief is in de productie van Iraanse zuivelproducten, voedingsmiddelen en dranken. [gedaagde 2] is directeur-grootaandeelhouder van [gedaagde 1] .
[eiser] , die afkomstig is uit Iran, is met [gedaagde 2] overeengekomen dat hij als kennismigrant werkzaamheden zou verrichten voor [gedaagde 1] in Nederland. Omdat [gedaagde 1] geen erkend referent is, en daarom geen verblijfsvergunning voor [eiser] kon regelen, zijn partijen overeengekomen dat [eiser] op basis van een payrollovereenkomst bij haar zou werken. [eiser] heeft daartoe per 1 augustus 2022 met het payrollbedrijf Perflexi BV een payrollovereenkomst gesloten die per 1 juni 2023 is verlengd met het payrollbedrijf Remote BV.
De partner van [eiser] , mevrouw [persoon 1] (hierna: de echtgenote), heeft een tijd bij [gedaagde 1] zwart gewerkt.
[eiser] heeft tijdens zijn werkzaamheden voor [gedaagde 1] per bank een aantal betalingen verricht aan [gedaagde 1] .
In een Whatsapp-bericht van 29 mei 2023 heeft [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), die werkzaam was bij [gedaagde 1] , aan [eiser] (vertaald naar het Nederlands) medegedeeld:“(…)Extra salaris 2050Telefoon + 26
Verzekering 110 + 45
Het salaris van [persoon 1] - 740
Het verschuldigde bedrag van [persoon 2] - 29
Maak het alstublieft niet naar de rekening over. Neem contant geld en betaal, omdat we waarschijnlijk het geld aan de jongens moeten geven”
In een transcriptie van een gesprek eind 2024 tussen [gedaagde 2] , [eiser] en de echtgenote van [eiser] is (vertaald naar het Nederlands) het volgende vermeld:“(…)
Man: Tweeduizend tweehonderd tot tweeduizend vierhonderd…
Vrouw: Tweeduizend… eerst tweeduizend.
Man: Wat ze netto krijgen, het verschil moeten ze terugbetalen aan het bedrijf zodat een deel van de kosten worden gecompenseerd. Wat jij zegt.. vijfduizend, tweeduizend… zo is het niet. Die vijfduizend en nog wat is bruto, dus niet netto. Zoals in Iran, bijvoorbeeld tien miljoen salaris….
(…)
Man 2: Dat is precies wat wij wilden afronden…. [persoon 1] zei hetzelfde. Wij hebben van vijfduizend euro elke maand iets meer dan tweeduizend terugbetaald aan het bedrijf. We willen niets anders (…)Twee jaar lang hebben we alles aan het bedrijf gegeven. Als .. we willen niets anders. Dat is alles. Het enige wat we hebben gezegd is dit. We hebben niets extra’s gezegd – dat is het.
[eiser] heeft zijn werkzaamheden bij [gedaagde 1] beëindigd en daartoe een vaststellingsovereenkomst gesloten met Remote op 29 juli 2025.
Voordat [eiser] naar Nederland kwam, heeft hij op verzoek van [gedaagde 2] een schuldbekentenis getekend. Daarnaast heeft de broer van [eiser] , [persoon 3] , op 20 juni 2023 een cheque verstrekt waarop staat dat 30 miljard rial aan [gedaagde 2] wordt betaald.
De broer van [eiser] is een procedure gestart in Iran tegen [gedaagde 2] wegens de toegewezen tenuitvoerlegging van de cheque, hetgeen volgens [eiser] en zijn broer onterecht is.
4. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld:
I. tot betaling van € 65.539,20 aan [eiser] , te verhogen met de wettelijke rente;
II. om de procedure die [gedaagde 2] in Iran op grond van de Iraanse blanco garantie/cheque is gestart jegens [eiser] of derden te staken en alle procedures in Iran gestaakt te houden, onder last van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagden] weigert aan deze veroordeling te voldoen,
III. in de kosten van de procedure.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft betalingen verricht aan [gedaagden] op basis van een afspraak met [gedaagden] dat hij het maandelijks ontvangen loon van het payrollbedrijf boven de € 2.000,00 tot € 2.400,00 terugbetaalt aan [gedaagden] Die afspraak is primair een verplichte besteding die in strijd is met artikel 7:231 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) en subsidiair in strijd is met de Vreemdelingenwet en daarom nietig, en meer subsidiair onverschuldigd is betaald. [eiser] heeft in totaal € 65.539,20 betaald aan [gedaagden] waarvan hij € 16.741,00 per bank aan zijn echtgenote heeft betaald aan loon, € 10.950,00 aan [gedaagde 1] per bank heeft betaald, € 33.620,00 aan [gedaagde 2] contant heeft gegeven, € 1.335,00 aan de broer van [gedaagde 2] per bank heeft betaald en € 2.893,20 per bank heeft betaald voor de bedrijfsauto van [gedaagden] [eiser] heeft een blanco cheque/garantie gegeven aan [gedaagden] om duidelijk te maken dat hij geen andere intentie had om naar Nederland te komen dan te werken voor [gedaagden] maakt misbruik van bevoegdheid door desondanks gebruik te maken van de blanco garantie/cheque en dient de procedure in Iran te staken.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van alle vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
[gedaagden] voert als verweer het volgende aan. Betwist wordt dat er een afspraak is gemaakt over terugbetaling van loon en betwist wordt dat [eiser] loon heeft terugbetaald. Er is verrekend wegens de aanschaf van materiaal, betalingen en aflossingen van leningen. [gedaagde 1] heeft geen arbeidsovereenkomst met [eiser] waardoor het beroep op het bestedingsbeding niet slaagt. De vordering van [eiser] valt onder de finale kwijting die hij is overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst met Remote en de vordering is op grond van artikel 7:231 BW zes maanden na het ontstaan van het vorderingsrecht verjaard. Omdat [eiser] voor de vordering tot terugbetaling zelf een verbintenis aanwijst, gaat de grondslag van onverschuldigde betaling niet op. Ten aanzien van de procedure in Iran geldt dat de broer van [eiser] die is gestart en [gedaagden] die daarom niet kan staken. [eiser] is ook geen partij bij de cheque en heeft daarom geen procesbelang. Subsidiair geldt dat Iraans recht van toepassing is op de rechtsverhouding ten aanzien van de cheque. Er is geen grondslag om de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Vordering terugbetaling
[eiser] legt aan zijn vordering tot betaling van het bedrag van € 65.539,20 ten grondslag dat hij met [gedaagden] de afspraak heeft gemaakt het van de payrollbedrijven ontvangen maandelijkse loon boven de € 2.000,00 tot € 2.400,00 terug te betalen aan [gedaagden] en dat ook heeft gedaan. [eiser] stelt dat die afspraak nietig is en verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen naar een transcriptie van een gesprek (productie 11), bankafschriften van [eiser] met respectievelijk betalingen aan zijn echtgenote, betalingen aan [gedaagde 1] en opnames van contant geld en betalingen van [eiser] aan de broer van [gedaagde 2] en voor de bedrijfsauto van [gedaagde 1] (productie 6, 7, 8, 14 en 15) alsmede een Whatsappbericht van [persoon 2] aan [eiser] (productie 9).
[gedaagden] betwist de gestelde afspraak en betwist dat [eiser] loon heeft terugbetaald. Volgens [gedaagden] kan uit de door [eiser] overgelegde stukken de gestelde afspraak en terugbetaling van loon niet worden afgeleid. Ten aanzien van de transcriptie geldt dat niet duidelijk is wie de gesprekspartijen zijn. De contante opnames en stortingen van [eiser] wijzen er ook niet op dat hij een deel van zijn loon contant aan [gedaagde 1] heeft betaald. Overboekingen aan zijn echtgenote bieden ook geen aanknopingspunt voor de gestelde maandelijkse betalingen. [persoon 2] is bij [gedaagde 1] werkzaam, maar niet belast met financiële aangelegenheden en het Whatsappbericht is [gedaagde 1] niet bekend, aldus [gedaagden]
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] de door [eiser] gestelde afspraak en uitvoering daarvan gemotiveerd betwist heeft. Op basis van de door [eiser] overgelegde stukken kan er op dit moment niet vanuit worden gegaan dat de door [eiser] gestelde afspraak is gemaakt tot terugbetaling van bedragen aan ontvangen loon per maand boven de € 2.000,00 tot € 2.400,00 en dat [eiser] die afspraak heeft uitgevoerd. Ten aanzien van de overgelegde transcriptie geldt dat de bandopname van het gesprek zelf niet is overgelegd en daarmee niet geverifieerd kan worden wat de hele aard van het gesprek is en of de genoemde “man” in de transcriptie van het gesprek [gedaagde 2] is. Voor wat betreft de bankafschriften en het Whatsapp-bericht van [persoon 2] geldt dat deze stukken op dit moment ook (nog) voldoende onderbouwing zijn van de stelling van [eiser] dat hij loon heeft terugbetaald aan [gedaagden]
Omdat [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling over betaling van de bedragen aan [gedaagden] zal [eiser] op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden toegelaten tot bewijslevering. [eiser] zal worden toegelaten om te bewijzen dat hij met [gedaagden] de afspraak heeft gemaakt om zijn ontvangen maandelijkse loon van de payrollbedrijven boven de € 2.000,00 tot € 2.400,00 terug te betalen aan [gedaagden] en dat [eiser] daar ook uitvoering aan heeft gegeven,
Vordering staken procedure
[eiser] legt aan de vordering tot het staken van procedures in Iran ten grondslag dat [gedaagden] een onrechtmatige daad pleegt door de cheque/bankgarantie uit te winnen en hij schade leidt bij een mogelijke regresvordering van zijn broer op hem. [gedaagden] betwist dat zij de procedure in Iran kan staken omdat de broer van [eiser] de procedure daar aanhangig heeft gemaakt.
De rechtbank zal de vordering afwijzen. [eiser] heeft namelijk niet onderbouwd dat er sprake is van een lopende procedure die [gedaagde 2] in Iran tegen [eiser] is gestart. Uit de stellingen van partijen volgt dat de broer van [eiser] een procedure in Iran is gestart tegen [gedaagde 2] . Omdat de broer van [eiser] de procedure in Iran is gestart, is [gedaagde 2] niet degene die de procedure kan staken.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. De vordering van [eiser] is feitelijk een procedeerverbod en in strijd met het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en is slechts in zeer uitzonderlijke situaties toewijsbaar, zoals bij misbruik van bevoegdheid of het systematisch onrechtmatig instellen van vorderingen. Dat [gedaagde 2] in Iran evident ongegrond verweer voert en/of ongegrond gebruik maakt van de cheque kan de rechtbank op basis van hetgeen partijen in deze procedure naar voren hebben gebracht niet overzien. Het is aan de broer van [eiser] om de inhoudelijke discussie over de cheque te voeren in de procedure in Iran, althans om daar een vordering in te stellen over het garantiekarakter van de cheque zoals blijkt uit de uitspraak van het Hof van beroep van de provincie Teheran van 20 juli 2025 (productie 13, pagina 1).
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
draagt [eiser] op te bewijzen dat hij met [gedaagden] de afspraak heeft gemaakt om zijn ontvangen maandelijkse loon van de payrollbedrijven boven de € 2.000,00 tot € 2.400,00 terug te betalen aan [gedaagden] en dat [eiser] aan die afspraak uitvoering heeft gegeven,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 30 september 2026 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als [eiser] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2026 tot en met mei 2027 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Sterk, in het gerechtsgebouw te Breda, Stationslaan 10,
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk en in het openbaar uitgesproken door mr. Van Ginneken op 16 september 2026.