RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/2034
en
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag). Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 maart 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen, ter bijstand vergezeld van zijn echtgenote. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 7 augustus 2026 afgemeld voor de zitting.
Feiten
3. De auto met [kenteken] stond op 14 maart 2026 omstreeks 21:42 uur geparkeerd aan het Chasséveld te Breda (zone 21809). Tijdens een controle op die datum en dat tijdstip is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 60,10 bestaande uit een bedrag aan belastingen van € 2,70 en € 57,40 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader van de rechtbank
4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2026 (hierna: de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Volgens artikel 8 van de Verordening en artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit Parkeerbelasting Breda 2025 (hierna: het Aanwijzingsbesluit) is de locatie Chasséveld te Breda door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
Gronden belanghebbende
5. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Belanghebbende heeft via de parkeerapp de auto abusievelijk aangemeld voor de verkeerde parkeerzone, namelijk zone 21887, en € 6,31 aan parkeerbelasting betaald. Gewoonlijk kiest de parkeerapp automatisch de juiste zone. Belanghebbende geeft aan te goeder trouw parkeerbelasting te hebben voldaan. Hij stelt daarbij dat hij niet op de hoogte was van de verschillende tarieven die gelden voor de verschillende parkeerzones in Breda. Belanghebbende vindt het niet eerlijk dat in deze situatie een naheffingsaanslag aan hem is opgelegd. Ook geeft belanghebbende aan dat hij graag de situatie mondeling bij de heffingsambtenaar had willen toelichten, maar daarvoor geen gelegenheid heeft gekregen en dat hij het jammer vindt dat hij de heffingsambtenaar ook niet ter zitting heeft kunnen spreken.
Mondeling overleg met de heffingsambtenaar
6. De rechtbank zal eerst ingaan op de stelling van belanghebbende dat hij graag in gesprek had willen gaan met de heffingsambtenaar. Naar het oordeel van de rechtbank is het hoorrecht niet geschonden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdens de bezwaarfase (dus voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar) heeft verzocht om een hoorgesprek. De heffingsambtenaar is dan niet verplicht om belanghebbende te horen. Ook is de heffingsambtenaar niet verplicht om ter zitting te verschijnen. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat belanghebbende de heffingsambtenaar graag persoonlijk had willen spreken, ziet de rechtbank geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het ontbreken van een mondeling overleg tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
7. De parkeerbelasting is een objectieve belasting, waarbij opzet, schuld of intentie geen rol spelen. Dat betekent dat voor de verschuldigdheid van de parkeerbelasting niet relevant is of belanghebbende al dan niet bewust te weinig parkeerbelasting heeft voldaan. Het enkele feit dat te weinig parkeerbelasting is betaald, is voldoende om tot oplegging van een naheffingsaanslag parkeerbelasting over te gaan. Uit vaste rechtspraak volgt dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zichzelf op de hoogte stelt van het parkeerregime dat op de parkeerlocatie van toepassing is. Deze onderzoeksplicht is ook van toepassing indien gebruik wordt gemaakt van een parkeerapp.
Niet in geschil is dat op de locatie waar de auto geparkeerd stond tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden en dat er ook feitelijk sprake is geweest van parkeren. Dat belanghebbende zich via de parkeerapp voor de foutieve parkeerzone heeft aangemeld en voor deze (onjuiste) zone feitelijk wel parkeerbelasting heeft voldaan, is evenmin in geschil.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende via de parkeerapp parkeerbelasting heeft voldaan voor de zone 21887, terwijl de auto geparkeerd was in zone 21809. In zone 21809 geldt een uurtarief van € 2,70, terwijl in zone 21887 tegen een uurtarief van € 1,80 kan worden geparkeerd. Belanghebbende heeft dus te weinig parkeerbelasting betaald. Dit moet voor rekening en risico van belanghebbende blijven. Het lag namelijk op de weg van belanghebbende om voorafgaande of bij aanvang van het parkeren te onderzoeken binnen welke zone belanghebbende parkeerde. Daarbij merkt de rechtbank op dat de heffingsambtenaar onbetwist heeft gesteld en met foto’s heeft onderbouwd dat op enkele meters afstand van de locatie van de auto betaalautomaten stonden waarop het toepasselijke zonenummer duidelijk stond vermeld. Belanghebbende had het juiste zonenummer dus eenvoudig kunnen controleren, maar heeft dit niet of onvoldoende gedaan.
Belanghebbende vindt het niet eerlijk dat hem in deze situatie een naheffingsaanslag is opgelegd. Voorzover belanghebbende daarmee een beroep doet op de redelijkheid en billijkheid, oordeelt de rechtbank als volgt. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de goede intenties van belanghebbende, kan zijn standpunt niet leiden tot vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag. Gelet op het objectieve karakter van de belasting, is de intentie van belanghebbende niet van belang. Een naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet meer dan het alsnog in rekening brengen van de verschuldigde parkeerbelasting en de gemaakte kosten voor de naheffing. Ook de omstandigheid dát is betaald maakt het voorgaande niet anders. De Verordening en de Gemeentewet bieden geen ruimte om heffing achterwege te laten op grond van redelijkheid en billijkheid. De rechter moet volgens de wet rechtspreken en hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.
In het geval van belanghebbende betekent dit dat naar het oordeel van de rechtbank de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.