RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 12259343 \ AZ VERZ 26-27
Beschikking van 16 september 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. O. Lenselink,
tegen
HRM B.V.,
te Breda,
verwerende partij,
hierna te noemen: HRM B.V.,
vertegenwoordigd door [gemachtigde] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties,
- de mondelinge behandeling van 7 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[werknemer] , geboren [datum] 1978, is op 1 mei 2023 in dienst getreden bij [bedrijf] B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een maand. Op 1 juni 2023 zijn partijen een arbeidsovereenkomst aangegaan van zes maanden, welke arbeidsovereenkomst steeds stilzwijgend is verlengd. De functie van [werknemer] was koerier, tegen een loon van € 1.082,16 bruto per maand voor 74 uur in de maand.
Vanaf 1 juli 2025 ontving [werknemer] haar loon van HRM.
Op 22 december 2025 is [werknemer] arbeidsongeschikt uitgevallen.
Op 15 mei 2026 heeft HRM de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van
1 juni 2026.
3. Het verzoek
[werknemer] verzoekt de kantonrechter, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en HRM te verplichten [werknemer] binnen 48 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot haar bedrijf om de bedongen werkzaamheden te verrichten, zodra [werknemer] arbeidsgeschikt is, tot het moment dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat HRM hiermee in gebreke blijft, met een maximaal te verbeuren dwangsom van € 5.000,-;
2. voor recht te verklaren dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd;
3. HRM te veroordelen tot betaling van het bruto maandloon van € 1.082,16 per maand, met ingang van 1 juni 2026 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt;
4. HRM te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 895,-;
5. HRM te veroordelen in de proceskosten.
[werknemer] legt aan haar verzoeken ten grondslag dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door HRM niet rechtsgeldig is. Nu er meer dan drie arbeidscontracten in drie jaar tijd zijn gesloten, is er automatisch een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontstaan. Dat is ook het geval wanneer sprake is van elkaar opvolgende arbeids-overeenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers die, ten aanzien van de verrichte arbeid, redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn; HRM heeft te gelden als opvolger van [bedrijf] B.V.. Er is geen sprake geweest van een dringende reden of het vervallen van een arbeidsplaats of (langdurige) ziekte, zodat het zonder ontslagvergunning of dringende reden gegeven ontslag vernietigbaar is.
HRM voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat [werknemer] op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst in dienst is getreden van HRM, dat een volledig andere onderneming is dan [bedrijf] B.V.. Nadat [werknemer] arbeidsongeschikt is geraakt, is zij door HRM herhaaldelijk uitgenodigd voor een gesprek om haar klachten te bespreken en te overleggen voor vervangende werkzaamheden. [werknemer] is hier niet op in gegaan, waarna HRM de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
4. De beoordeling
Het verzoek van [werknemer] is tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en derhalve binnen de vervaltermijn.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd en of HRM moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat haar arbeidsovereenkomst steeds stilzwijgend voor de duur van 6 maanden is verlengd. Het gevolg hiervan is dat er met de derde (stilzwijgende) verlenging van de schriftelijke arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De stelling van HRM dat dit anders is omdat zij als nieuwe werkgever heeft te gelden, wordt niet gevolgd, omdat in de feitelijke arbeidsrelatie tussen [werknemer] en [bedrijf]/HRM niets is veranderd behalve dat [werknemer] haar loon vanaf 1 juli 2025 ontving van HRM in plaats van [bedrijf]. [werknemer] is haar werkzaamheden continuerend blijven verrichten vanaf dezelfde werkplek. In deze gegeven omstandigheden dient HRM te worden aangemerkt als opvolgend werkgever, zodat de ketenregeling op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten van overeenkomstige toepassing is.
Het voorgaande brengt met zich dat de opzegging van HRM van 15 mei 2026 in strijd is met 7:671 lid 1 BW. De kantonrechter zal de opzegging dan ook vernietigen en de verzochte verklaring voor recht (dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) uitspreken.
[werknemer] heeft recht op loon, omdat de opzegging wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De verzoeken van [werknemer] tot toelating van het verrichten van de bedongen werkzaamheden zodra zij weer arbeidsgeschikt is alsmede tot (door)betaling van het loon worden daarom toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet de daaraan verbonden dwangsom te beperken tot een bedrag van € 250,- per dag dat HRM daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.500,-.
[werknemer] maakt voorts aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag, zijnde een bedrag van
€ 675,02.
De proceskosten komen voor rekening van HRM, omdat HRM overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
5. De beslissing
De kantonrechter
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 15 mei 2026,
veroordeelt HRM om [werknemer] binnen 48 uur na betekening van deze beschikking toe te laten om de bedongen arbeid te verrichten zodra [werknemer] arbeidsgeschikt is, tot het moment dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat HRM niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt,
verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd,
veroordeelt HRM tot betaling aan [werknemer] van het netto-equivalent van het bruto maandloon van € 1.082,16, met ingang van 1 juni 2026 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt,
veroordeelt HRM tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 675,02,
veroordeelt HRM in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.4, 5.5 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.