RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12381711 \ VV EXPL 26-73
Vonnis in kort geding van 25 september 2026
in de zaak van
[huurder] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. J. van Boekel,
tegen
DE VERENIGING MET VOLLEDIGE RECHTSBEVOEGDHEID LAURENTIUS,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Laurentius,
gemachtigde: mr. P.J. Remmelts.
De zaak in het kort
[huurder] huurt een woning van Laurentius. In een vonnis van de kantonrechter van 12 augustus 2026 is [huurder] veroordeeld om de woning te ontruimen. [huurder] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Zij vordert in deze procedure schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis totdat in hoger beroep een beslissing is genomen. Deze vordering wordt afgewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 14 september 2026 met producties,
de conclusie van antwoord,
de producties van [huurder] ,
de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de pleitnota van [huurder] .
2. De feiten
[huurder] huurt sinds 9 februari 2024 de woning aan [adres] van Laurentius.
Bij vonnis van 12 augustus 2026 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [huurder] en Laurentius ontbonden en [huurder] veroordeeld om binnen veertien dagen het gehuurde te ontruimen, omdat [huurder] geen hoofdverblijf in het gehuurde heeft.
[huurder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 augustus 2026.
De ontruiming van het gehuurde is aangezegd tegen 29 september 2026.
3. Het geschil
[huurder] vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 augustus 2026, totdat in hoger beroep arrest is gewezen waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 als Laurentius tot executie over gaat, te vermeerderen met een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat dit voortduurt, met veroordeling van Laurentius in de proceskosten.
[huurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Volgens [huurder] is sprake van nieuwe feiten waar in de bodemprocedure geen rekening mee is gehouden, omdat haar bezwaar bij de gemeente Breda – tegen de beslissing om [huurder] uit te schrijven in het BRP - na de mondelinge behandeling pas gegrond is verklaard. Verder blijkt uit de jaarafrekening gas en elektra van 18 februari 2026 dat [huurder] over de afgelopen periode energie heeft verbruikt. Dit is een aanwijzing dat zij het adres daadwerkelijk gebruikt. Daarnaast weegt het belang van [huurder] bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder dan het belang van Laurentius bij tenuitvoerlegging van het vonnis, omdat [huurder] geen andere woonruimte heeft, gelet op haar gezondheid en omdat zij zonder BRP-inschrijving haar uitkering dreigt te verliezen.
Laurentius voert verweer. Laurentius concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure.
Laurentius voert het volgende aan. Er is geen sprake van een kennelijke misslag die tot schorsing van de executie van het vonnis kunnen leiden. De nieuwe feiten, voorzover het al om nieuwe feiten gaat, doen niet ter zake nu er alleen een belangenafweging dient te worden uitgevoerd. De door [huurder] aangevoerde omstandigheden zijn onlosmakelijk verbonden aan de ontruiming of zijn onvoldoende onderbouwd en kunnen daarom ook niet leiden tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Een belangenafweging moet in het voordeel van Laurentius uitvallen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[huurder] verzet zich in dit kort geding tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 augustus 2026. Laurentius wil de executie voortzetten, inclusief de ontruiming van de woning die is gepland op 29 september 2026. Gelet op de geplande ontruiming heeft [huurder] spoedeisend belang bij haar vordering. Dit wordt ook niet betwist door Laurentius.
Toetsingskader
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.
Bij de toepassing van de onder 4.2. genoemde maatstaf in een kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
De maatstaf onder 4.2. en 4.3. vloeit voort uit het arrest van 20 december 2019 van de Hoge Raad (het zgn. Zeester-arrest, ECLI:NL:HR:2019:2026). In het vonnis heeft de kantonrechter de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd. Dat brengt met zich mee dat niet slechts bepalend is of er sprake is van een kennelijke misslag maar dat een afweging kan worden gemaakt wiens belangen het zwaarste moeten wegen.
Dat sprake is van een kennelijke misslag is niet gebleken. De door [huurder] aangevoerde “nieuwe omstandigheden” leiden naar het oordeel van de kantonrechter ook niet tot afwijking van de eerder genomen beslissing. Hoewel deze stukken niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij eerst na de uitspraak zijn opgesteld, kunnen zij gelet op hun inhoud niet rechtvaardigen dat van de beslissing van 12 augustus 2026 moet worden afgeweken.
De kantonrechter overweegt dat in de bodemprocedure al aan de orde is geweest dat [huurder] bezwaar had gemaakt. Ook heeft de gemachtigde van [huurder] tijdens de mondelinge behandeling in de bodemprocedure toegelicht dat de gemeente Breda telefonisch aan hem heeft laten weten dat haar bezwaar zou worden gehonoreerd. Dat de gemeente Breda het bezwaar van [huurder] over de BRP-inschrijving vervolgens gegrond heeft verklaard, betekent nog niet dat de kantonrechter een kennelijke misslag heeft begaan. De kantonrechter heeft in de bodemprocedure geoordeeld over alle door partijen naar voren gebrachte feiten en omstandigheden waaronder eerdere overzichten van het gas en elektriciteitsgebruik van [huurder] en op basis daarvan geoordeeld dat [huurder] niet haar hoofdverblijf heeft in het gehuurde en dat deze tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Dat het gas en elektriciteitsgebruik thans wat is toegenomen maakt evenmin dat anders zou moeten worden geoordeeld.
Belangenafweging
In het kader van de belangenafweging heeft [huurder] aangevoerd dat haar belang bij behoud van de woning, voor in ieder geval de duur van de hoger beroepsprocedure, zwaarder weegt dan het belang van Laurentius bij executie van het vonnis. Zo heeft [huurder] aangevoerd dat zij geen alternatieve woonruimte heeft en dat ontruiming van de woning betekent dat zij op straat komt te staan. Dat [huurder] geen woning meer heeft na de ontruiming is zonder meer ingrijpend voor haar, maar het verlies van de woning is een onvermijdelijk gevolg van de vordering tot ontruiming. Deze omstandigheid kan niet zonder meer leiden tot ingrijpen in de executiebevoegdheid van Laurentius. Daarbij komt dat de reden van de ontruiming is gelegen in de omstandigheid dat [huurder] geen gebruik maakte van de woning. Dat zij geen plek heeft om te verblijven na ontruiming komt de kantonrechter dan ook niet overtuigend voor.
[huurder] heeft ook aangevoerd dat zij gelet op haar gezondheid belang heeft bij behoud van de woning. Zij stelt dat zij vanwege haar medische beperking steeds vaker hulpmiddelen nodig heeft bij het lopen en dat om die reden een gelijkvloerse woning geschikt voor haar is. Deze stellingen heeft zij echter niet nader onderbouwd. De door [huurder] overgelegde medische stukken zien hier ook niet op. Hieruit blijkt alleen dat zij recent in het Amphia Ziekenhuis in Breda is geweest vanwege pijn op de borst. Uit diezelfde stukken blijkt ook dat [huurder] op dat moment klachtenvrij was, en dat zij de afgelopen tijd geen bijzonderheden heeft gehad met betrekking tot haar gezondheid. De kantonrechter begrijpt dat de afgelopen periode voor [huurder] stressvol is geweest, maar dat haar gezondheid in de weg staat aan ontruiming van de woning heeft [huurder] onvoldoende onderbouwd.
Verder heeft [huurder] nog aangevoerd dat zij een uitkering ontvangt van het UWV en zonder BRP-adres vreest zij dat zij haar uitkering zal verliezen. Laurentius heeft aangevoerd dat [huurder] deze uitkering ook kan ontvangen met een briefadres. Dit laatste is niet door [huurder] weersproken.
Laurentius heeft aangevoerd dat zij belang heeft om tot ontruiming van de woning te kunnen overgaan zonder eerst hoger beroep af te moeten wachten. Voor sociale huurwoningen bestaan lange wachttijden. Als toegelaten instelling in de zin van de Woningwet is het de wettelijke taak van Laurentius om woningzoekenden op een zo kort mogelijke termijn aan een woning te helpen. In dat kader heeft Laurentius er belang bij om zo snel mogelijk over te kunnen gaan tot ontruiming.
De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [huurder] bij behoud van de bestaande toestand, totdat in hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Laurentius bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Dit betekent dat de vordering van [huurder] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis moeten worden afgewezen.
De proceskosten
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Laurentius worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
721,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [huurder] af,
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.