RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres,
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3257 ZW
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Regragui).
1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 28 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de herziening en terugvordering van de WAZO-uitkering gebleven.
Eiseres heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De AbRS heeft het beroep aan deze rechtbank doorgestuurd om hier te worden behandeld.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiseres is, zonder bericht, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is in mei 2022 als zelfstandig verpleegkundige gestart. Daarnaast was zij in loondienst werkzaam.
Op 9 juni 2022 heeft eiseres een aanvraag voor een WAZO-uitkering voor zelfstandigen ingediend.
Met het besluit van 8 juli 2022 heeft het UWV aan eiseres over de periode van
19 juni 2022 tot 9 oktober 2022 die uitkering toegekend. In dit besluit is vermeld dat, omdat eiseres nog niet beschikt over de definitieve gegevens over het belastingjaar voorafgaande aan haar WAZO-aanvraag, het dagloon voorlopig wordt berekend op basis van – kortgezegd – de door eiseres aangeleverde gegevens.
Met de besluiten van 15 juli 2022 en 5 augustus 2022 heeft het UWV het dagloon voor de WAZO-uitkering, op basis van aanvullende loongegevens van eiseres, met ingang van 19 juni 2022 herzien naar € 72,- respectievelijk € 85,65.
Met het besluit van 17 oktober 2024 heeft het UWV de WAZO-uitkering van eiseres met ingang van 19 juni 2022 definitief vastgesteld op € 14,17.
Met het besluit van 25 oktober 2024 heeft het UWV de ten onrechte betaalde WAZO-uitkering over de periode van 20 juni 2022 tot en met 9 oktober 2022 ten bedrage van € 5.809,99 (bruto) teruggevorderd.
Eiseres heeft tegen het besluit van 25 oktober 2024 bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
Met het bestreden besluit van 28 februari 2025 heeft het UWV dit bezwaar beschouwd als mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 oktober 2024 en de bezwaren ongegrond verklaard.
Het UWV stelt dat hij geen onjuiste informatie heeft verstrekt, maar bij vaststelling van de uitkering is uitgegaan van de inkomensgegevens die eiseres zelf heeft doorgegeven.
Met het besluit van 15 juli 2022 is het dagloon vastgesteld op € 72,-. Dit is gebaseerd op informatie die op 13 juli 2022 van eiseres is ontvangen. Eiseres geeft hierin aan over de periode mei tot en met december 2022 € 12.000,- aan inkomsten te verwachten en over het hele jaar € 24.000,-.
Op 19 juli 2022 heeft eiseres telefonisch contact opgenomen omdat de hoogte van de uitkering niet zou kloppen. Het UWV heeft op 19 juli 2022 en 20 juli 2022 teruggebeld maar eiseres was niet te bereiken. Haar voicemail is ingesproken met de mededeling dat het dagloon is berekend aan de hand van de door haar verstrekte gegevens en dat een formulier zou worden verstuurd waarmee eiseres de juiste gegevens kan doorgeven.
Met de brief van 20 juli 2022 heeft het UWV dit formulier toegestuurd en vermeld dat eiseres heeft doorgegeven dat zij vanaf 1 mei 2022 als zelfstandige werkzaam is en dat de verwachte inkomsten € 12.000,- bedragen.
Op 27 juli 2022 heeft het UWV het formulier retour ontvangen. Eiseres heeft hierop aangegeven dat haar inkomsten worden geschat op € 3.000,- bruto per maand keer
8 maanden is € 24.000,-. Naar aanleiding van deze informatie is het dagloon herzien naar
€ 85,65.
Na ontvangst van de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de inkomsten van eiseres als zelfstandige in 2022 niet overeenkwamen met haar opgave/ inschatting. Het juiste dagloon bedraagt € 14,17 in plaats van € 85,65. De ten onrechte betaalde uitkering vordert het UWV van eiseres terug.
Van dringende redenen om van herziening en terugvordering af te zien is het UWV niet gebleken.
Beroep
4. Eiseres stelt dat zij meerdere keren met het UWV heeft gebeld maar dat het UWV de vraag, welke bedragen ingevuld moeten worden, niet duidelijk kon beantwoorden.
Er is aangegeven dat eiseres moest vermelden wat zij zou verdienen als zij in 2022 als zzp’er had gewerkt. Eiseres heeft daarom een schatting gemaakt van wat zij eventueel had kunnen verdienen. Eiseres vindt het vreemd dat zij een schatting moest maken van de maanden waarin zij niet gewerkt heeft, maar heeft dat gedaan omdat dat haar geadviseerd werd.
Volgens eiseres bevindt zij zich in een hele moeilijke situatie. Zij moet een enorm groot bedrag terugbetalen. Dat beïnvloedt haar psychisch.
Tot slot stelt eiseres dat zij het besluit op bezwaar in eerste instantie niet heeft ontvangen. Eiseres heeft naar het UWV gebeld en die heeft dat besluit nogmaals opgestuurd. Toen was de beroepstermijn echter al verstreken.
Verweer
5. Het UWV heeft in reactie op de beroepsgronden gesteld dat hij betwist dat sprake is van onjuiste informatieverstrekking. Bij de vaststelling van de uitkering is telkens uitgegaan van de gegevens die eiseres zelf heeft verstrekt. Het dagloon is in eerste instantie op € 17,51 vastgesteld op basis van de aanvraag waarin eiseres heeft aangegeven dat haar jaarinkomen € 3.000,- bedraagt. Op basis van de informatie van 13 juli 2022 dat eiseres haar inkomen over mei tot en met december 2022 op € 12.000,- schat is het dagloon herzien naar € 72,-. Op basis van de informatie die vervolgens op 27 juli 2022 van eiseres is ontvangen, waarin zij aangeeft dat zij haar inkomen op € 24.000,- schat, heeft het UWV het dagloon herzien naar (de maximale grondslag) € 85,65. Achteraf blijkt uit de gegevens van de Belastingdienst dat eiseres slechts € 2.361,- aan inkomsten te hebben gehad. Op basis hiervan heeft het UWV de uitkering definitief vastgesteld.
Het UWV benadrukt dat eiseres er in het besluit van 8 juli 2022 op is gewezen dat de uitkering is gebaseerd op een voorlopig dagloon en dat zodra hij de definitieve gegevens over de inkomsten heeft ontvangen, eiseres een brief ontvangt met de definitieve hoogte van het dagloon. Eiseres had er dus rekening mee moeten houden dat het dagloon op een lager moment lager vastgesteld kon worden en zij een deel moet terugbetalen.
Volgens het UWV zijn er geen dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De oorzaak van de terugvordering is gelegen in de door eiseres te hoog ingeschatte inkomsten. Er is door het UWV geen fout gemaakt of niet voortvarend of adequaat gehandeld. Het gaat immers om een verstrekt voorschot waarbij de definitieve vaststelling van de uitkering achteraf plaatsvindt op basis van de gegevens van de Belastingdienst.
Verder stelt het UWV voldoende rekening te hebben gehouden met de gevolgen van herziening en terugvordering. Het UWV heeft een betalingsregeling met eiseres getroffen van € 11,92 per maand, waarbij zij de bescherming geniet van de beslagvrije voet. Die regeling doet recht aan de financiële omstandigheden van eiseres. Daarnaast worden de gevolgen van de terugvordering beperkt door de regels over kwijtschelding. Het door eiseres benoemde verband tussen haar psychische gesteldheid en de terugvordering heeft zij niet onderbouwd. Het UWV ziet daarom op basis daarvan evenmin reden om dringende redenen aan te nemen.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid
7. Het bestreden besluit dateert van 28 februari 2025. Eiseres heeft op 29 april 2025 (bij de AbRS) beroep ingesteld. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat eiseres buiten de beroepstermijn beroep heeft ingesteld.
In reactie op vragen van de rechtbank heeft het UWV in de brief van 13 augustus 2025 toegelicht dat eiseres op 14 april 2025 telefonisch contact heeft opgenomen met het klantcontactcentrum. Zij heeft aangegeven het bestreden besluit niet te hebben ontvangen en verzocht om een kopie. Het UWV heeft die kopie met de brief van 15 april 2025 aan eiseres toegestuurd.
Op zitting is gebleken dat het UWV het bestreden besluit niet aangetekend heeft verzonden en niet beschikt over een verzendadministratie. Het is het UWV onbekend wat de aanleiding is geweest dat eiseres op 14 april 2025 contact heeft opgenomen met de mededeling dat zij het bestreden besluit niet heeft ontvangen.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet in geval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk maken dat dat besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Als het bestuursorgaan de verzending niet aannemelijk kan maken, dan dient beoordeeld te worden of er contra-indicaties zijn dat het besluit wel (eerder) moet zijn ontvangen, waarmee, zonder nader bewijs, ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.
Aangezien het UWV geen deugdelijke verzendadministratie voert kan hij de niet-aangetekende verzending van het bestreden besluit op 28 februari 2025 niet aannemelijk maken. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanwijzingen dat eiseres het bestreden besluit eerder dan 15 april 2025 heeft ontvangen. De rechtbank beschouwt het beroep van eiseres daarom als tijdig ingediend en ontvankelijk.
Herziening en terugvordering
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden de WAZO-uitkering van eiseres heeft herzien en teruggevorderd.
Het UWV heeft de WAZO-uitkering van eiseres gebaseerd op een voorlopig dagloon en de opgaaf van eiseres van haar verwachte inkomsten.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV mogen uitgaan van deze opgaaf. Van onjuiste informatieverstrekking door het UWV over welke inkomensgegevens verstrekt zouden moeten worden is de rechtbank niet gebleken. Dat blijkt niet uit het dossier. Daarnaast is het toegestaan om naast een WAZO-uitkering te werken. Het UWV heeft dan ook niet hoeven aanslaan op de hoogte van de door eiseres opgegeven verwachte inkomsten.
Na ontvangst van de definitieve inkomensgegevens van de Belastingdienst bleek het inkomen lager dan door eiseres opgegeven en heeft het UWV het dagloon definitief (lager) vastgesteld. Het UWV is in beginsel gehouden de uitkering te herzien en de ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij sprake is van dringende redenen.
Volgens inmiddels vaste rechtspraak van de CRvB is het begrip dringende reden een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van dringende redenen die maken dat het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af dient te zien. Er is niet gebleken van een fout aan de zijde van het UWV of trage besluitvorming door hem (na ontvangst van de definitieve inkomensgegevens van de Belastingdienst). Daarnaast heeft eiseres wel gewezen op haar psychische gesteldheid maar dat niet onderbouwd met stukken. De aard en omvang van haar psychische klachten zijn daarmee onbekend, evenals of die klachten zijn ontstaan of verergerd als (direct) gevolg van de terugvordering. Dit maakt evenmin dat om die reden sprake is van dringende redenen. Tot slot vindt de rechtbank van belang dat eiseres bij invordering van de terugvordering wordt beschermd door de regels over de beslagvrije voet. Daarnaast staat voor eiseres de mogelijkheid open om kwijtschelding van de vordering te verzoeken als vijf jaar volledig is voldaan aan de betalingsverplichting. De rechtbank ziet dan ook geen reden om dringende redenen aan te nemen.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank komt tot de slotsom dat het besluit van het UWV, waarbij de WAZO-uitkering van eiseres is herzien en teruggevorderd, standhoudt. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.
Als gevolg daarvan heeft eiseres geen recht op vergoeding van het griffierecht of eventuele proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 24 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet arbeid en zorg
Artikel 3:13
1. De uitkering, bedoeld in deze paragraaf, bedraagt per dag het dagloon.
2. Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze paragraaf recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dat de werknemer of de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, dan wel de betrokkene, bedoeld in artikel 3:10, in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het recht op uitkering op grond van deze paragraaf is ontstaan, verdiende in de dienstbetrekking waaruit dat recht is ontstaan, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Artikel 3:16
1. Met betrekking tot een uitkering op grond van deze paragraaf zijn de volgende artikelen van de Ziektewet en de op die artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing:
a. ter zake van het recht op uitkering: de artikelen 19a, 19b, 19c en 87c;
b. ter zake van herziening of intrekking: artikel 30a;
m. ter zake van terugvordering: de artikelen 33 tot en met 34a;
Ziektewet
Artikel 30a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Artikel 33
1. Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.