RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen, het waterschap
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/5075
(gemachtigde: mr. N.E. Paulusse),
en
(gemachtigde: mr. F. Smit).
1. In deze tussenuitspraak treft de voorzieningenrechter een ordemaatregel voorafgaand aan de einduitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het opleggen van een last onder dwangsom die aan verzoeker is verzonden op 13 juli 2026 (bestreden besluit). De last is opgelegd wegens het structureel niet naleven van de vergunningvoorschriften in een aan verzoeker verleende watervergunning van 11 februari 2020.
De voorzieningenrechter treft een ordemaatregel die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 18 augustus 2026 (pro-forma) bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en op 11 september 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De eerste begunstigingstermijn loopt af op 1 oktober 2026. Verzoeker heeft gesteld dat hij feitelijk niet in staat is om aan de opgelegde last te voldoen als gevolg van natuurlijke omstandigheden waarop hij geen invloed heeft en dat hij voor de uitvoering van het vereiste onderzoek afhankelijk is van KWR Water Research Institute (KWR).
3. De griffier heeft na ontvangst van het verzoekschrift contact opgenomen met een medewerker van het waterschap. Het waterschap is niet bereid om de begunstigingstermijn op te schorten omdat deze kwestie inmiddels ruim twee jaar duurt. Bovendien is pas na vijf weken bezwaar gemaakt en is de voorlopige voorziening geruime tijd daarna ingediend. De tijdsdruk die hierdoor is ontstaan komt daarom voor rekening en risico van verzoeker, aldus het waterschap.
4. Gelet op de gestelde onuitvoerbaarheid van de last, het feit dat het waterschap niet bereid is om de begunstigingstermijn op te schorten en gelet op het feit dat het niet mogelijk is om voor 1 oktober 2026 de zaak op zitting te behandelen, weegt het belang van verzoeker bij het opschorten van het bestreden besluit op dit moment zwaarder dan het belang van het waterschap bij het vasthouden aan de oorspronkelijke begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom schorsen tot na de einduitspraak van de voorzieningenrechter.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter treft een ordemaatregel. Dat betekent dat tot aan de einduitspraak van de voorzieningenrechter geen dwangsommen worden verbeurd. De voorzieningenrechter die het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk zal behandelen is hier in de verdere procedure niet aan gebonden. De beoordeling van de volledige bezwaargronden waarbij ook de onderliggende stukken worden betrokken kan tot een ander oordeel leiden.
Beslissing
De voorzieningenrechter schorst het bestreden tot de dag na bekendmaking van de einduitspraak van de voorzieningenrechter.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 24 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: