RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
raadkamernummer : 26-022773
datum zitting : 23 september 2026
datum uitspraak : 7 oktober 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[naam klager 1]
en
[naam klager 2] , klagers
beiden advocaat en kantoorhoudende aan
[adres] , [postcode] [woonplaats] .
Procedure
Op 14 december 2020 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend. Bij beschikking van 8 juli 2021 van deze rechtbank zijn de klagers niet-ontvankelijk verklaard.
Op 20 september 2022 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank van 8 juli 2021 vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam om de zaak opnieuw te behandelen en af te doen.
Op 15 maart 2024 heeft deze rechtbank het beklag gegrond verklaard.
De Hoge Raad heeft op 1 juli 2025 deze beschikking wederom vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam.
De rechtbank heeft op 23 september 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld. De officieren van justitie mrs. A.C. Schaafsma en V.E. Broeders en de klagers zijn gehoord. Daaraan voorafgaand hebben zowel de officier van justitie als de klagers schriftelijk nader hun standpunten weergegeven.
De feiten
De officieren van justitie hebben, met machtiging van de rechter-commissaris, in de strafrechtelijke onderzoeken tegen de verdachte B., een (voormalig) cliënt van de klagers, gegevens in beslag genomen waaronder het dossier [dossiernaam] . Dit dossier bevat correspondentie tussen de klagers – als advocaten – en de verdachte en valt dan ook onder het verschoningsrecht van de klagers.
De gegevens uit het dossier [dossiernaam] zijn opgeslagen op een USB-stick. Hiervan is een kopie gemaakt. De USB-stick met de originele dataset is overgedragen aan de rechter-commissaris. De tweede USB-stick, met daarop een kopie van de gegevens, is op 4 december 2023 ook overgedragen aan de rechter-commissaris.
Standpunt klagers
De klagers hebben ter zitting aangegeven dat zij niet langer de verdachte bijstaan als advocaten, maar nu optreden als belanghebbenden gelet op hun functie van advocaat.
De klagers verzoeken de raadkamer te oordelen dat alle geheimhoudersgegevens die in het bezit zijn van het OM en de FIOD definitief worden vernietigd, omdat niet kan worden volstaan met het uitgrijzen van deze gegevens.
De klagers menen namelijk dat dat er onvoldoende waarborgen zijn omtrent het uitgrijzen waardoor niet verzekerd kan worden dat de uitgegrijsde gegevens definitief ontoegankelijk zijn. De klagers voeren aan dat de door het OM gepresenteerde waarborgen – namelijk de digitale profielen, het werken met ‘logging’, het verbaliseren van handelingen en het vragen van toestemming voor ontgrijzen – geen daadwerkelijke bescherming bieden omdat het in de praktijk mogelijk blijft dat betrokkenen, abusievelijk of opzettelijk, toch toegang krijgen tot de uitgegrijsde gegevens. De mogelijkheid blijft namelijk bestaan dat op enig moment door een van de medewerkers toch handelingen verricht worden, zoals het kopiëren van data, waardoor de uitgegrijsde geheimhoudersgegevens toch weer zichtbaar worden. Daar komt bij dat er geen enkel document door de officier van justitie is opgemaakt waarin waarborgen voor het kopiëren van data zijn vastgelegd. De praktijk leert dat het uitgrijzen van de geheimhoudersgegevens geen waterdicht systeem is. Alleen door de opslag van deze geheimhoudersgegevens bij de rechter-commissaris en de daadwerkelijke vernietiging (van de kopieën) van deze geheimhoudersgegevens in het dossier kan gegarandeerd worden dat door fouten of kwaadwillendheid van anderen deze gegevens toch weer leesbaar gemaakt kunnen worden en aldus weer ter beschikking komen.
Ten aanzien van de in omloop zijnde USB-sticks merken de klagers op dat tijdens de behandeling in raadkamer voldoende duidelijk is geworden dat er nog één UBS-stick met de originele dataset bij het kabinet van de rechter-commissaris ligt. Dit is, wat de klagers betreft, met voldoende waarborgen omkleed waardoor zij geen verdere verzoeken hebben omtrent de USB-sticks.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat het klaagschrift van de klagers ongegrond dient te worden verklaard. De Hoge Raad heeft niet geoordeeld dat sprake dient te zijn van het ‘definitief ontoegankelijk maken’ van gegevens. Er zijn op dit moment voldoende waarborgen getroffen die ervoor zorgen dat het onderzoeksteam en andere derden geen kennis kunnen nemen van de inhoud van de uitgegrijsde gegevens en dat die gegevens geen onderdeel uitmaken van de processtukken. Eén procedurele waarborg is dat eenmaal uitgegrijsde gegevens alleen ‘ontgrijsd’ kunnen worden na een beslissing van de rechter-commissaris of de rechtbank.
Kopiëren van het dossier en/of het opnieuw inladen van een databestand in een andere tool vallen onder ontgrijzen. Hiervoor gelden dan ook dezelfde waarborgen als voor het ontgrijzen. De officieren van justitie zijn het met de klagers eens dat deze waarborgen niet voor een volledig waterdicht systeem zorgen en dat incidenten, waarbij onbedoeld is gehandeld in strijd met de instructies, kunnen voorkomen. Dit betekent echter niet dat er geen waarde kan worden toegekend aan deze waarborgen. Daarbij wordt benadrukt dat het uitgangspunt dient te zijn dat een opsporingsambtenaar te goeder trouw naar de werkinstructies handelt.
Beoordeling
Het geschil
Op dit moment is nog in geding de vraag of het uitgegrijsd zijn van de geheimhoudersgegevens uit het dossier [dossiernaam] met de daarbij door de officier van justitie getroffen waarborgen afdoende garanties biedt dat deze geheimhoudersgegevens op geen enkele wijze – die relevant is voor het achterliggende strafrechtelijk onderzoek – deel kunnen uitmaken van de processtukken, meer in het bijzonder dat daarop in het verdere verloop van het strafproces door de procesdeelnemers geen acht kan worden geslagen en daarmee gelijk staat aan vernietiging.
Juridisch kader
De beoordeling van deze vraag dient plaats te vinden in het strafvorderlijk wettelijke stelsel, nu klagers ervoor gekozen hebben hun klachten in te dienen op basis van artikel 552a Sv. Voorts zijn in het bijzonder van toepassing de artikelen 126aa, lid 1 en lid 2, Sv en artikel 4, lid 1 en lid 2, en 5, lid 1 en lid 2, van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (hierna: Besluit).
In het arrest van 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad nadere invulling gegeven aan het begrip ‘vernietigen’ als bedoeld in artikel 126aa lid 2 Sv dan wel ‘niet meer kenbaar zijn’ als bedoeld in artikel 5 lid 1 en 2 Besluit. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat, hoewel in artikel 5 lid 1 en 2 Besluit wordt gesproken over de bewerking van de ‘gegevensdager’ of het ‘voorwerp’, niet is uitgesloten dat ook door de bewerking van de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, kan worden bereikt dat die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’ in de zin van die artikelleden. De daarbij gekozen werkwijze moet dan zo zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel meer uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.
In het arrest van 1 juli 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag moet worden gedaan in een proces-verbaal. In het bijzonder moet in het proces-verbaal inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, zo vervolgt de Hoge Raad, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of is voldaan aan het vereiste dat de gegevens niet meer kenbaar zijn, bijvoorbeeld door middel van een geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht.
Beoordeling
Het Openbaar Ministerie heeft waarborgen laten vastleggen die inhouden dat (i) gebruik wordt gemaakt van digitale profielen met beperking van rechten waardoor rechercheurs uitgegrijsde gegevens niet kunnen ontgrijzen, (ii) door het loggen van handelingen waaruit volgt wie wanneer zichzelf toegang heeft verleend tot een digitaal bestand, (iii) er een verbaliseringsplicht geldt ten aanzien van uitgrijzen en ontgrijzen, (iv) het ontgrijzen alleen plaatsvindt na een onherroepelijk oordeel van de rechter-commissaris of de rechtbank en (v) door het voorschrijven van aanvullende toestemming van de FIOD directeur ter uitvoering van het oordeel om gegevens te ontgrijzen. Deze waarborgen dienen te voorkomen dat geheimhoudersgegevens deel uit zullen maken van de processtukken en dat aldus wordt verhinderd dat hierop in het verloop van het strafproces acht kan worden geslagen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze waarborgen omtrent het ontgrijzen van gegevens ook gelden voor het kopiëren van data vanuit het softwareprogramma. Een verzoek tot kopiëren komt namelijk de facto neer op ontgrijzen en vindt dan ook langs dezelfde lijnen plaats als een verzoek tot ontgrijzen.
Anders dan de klagers menen, is de rechtbank van oordeel dat de bovengenoemde getroffen waarborgen toereikend zijn om te verzekeren dat de geheimhoudersgegevens na uitgrijzing niet meer toegankelijk zijn voor het onderzoeksteam en anderen die betrokken zijn bij het strafproces, geen deel meer uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht op kan worden geslagen. Het uitgangspunt is immers dat opsporingsambtenaren bij de uitvoering van deze waarborgen steeds conform de geldende regels en ook anderszins te goeder trouw handelen en zich daarbij houden aan de daarvoor geldende voorschriften. Onder die omstandigheden bieden de getroffen waarborgen afdoende bescherming tegen inzage van de geheimhoudersgegevens door het onderzoeksteam.
Deze waarborgen kunnen echter niet garanderen dat er geen incidenten zullen plaatsvinden waarbij bewust of onbewust in strijd is gehandeld met de voorschriften voor het ontgrijzen, waardoor de uitgegrijsde geheimhoudersgegevens zichtbaar worden. De geheimhoudersgegevens worden namelijk niet definitief ontoegankelijk gemaakt door het uitgrijzen. Deze eis is echter ook niet gesteld met betrekking tot de vernietiging van verschoningsgerechtigde digitale gegevens, is niet opgenomen in de regelgeving en maakt evenmin deel uit van de jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake. Als er zich onverhoopt een dergelijk incident zal voordoen is het aan de zittingsrechter in die betreffende [straf]zaak, om daar verder onderzoek naar te doen en er vervolgens over te oordelen. Het is dan aan die rechter(s) om aan hetgeen is voorgevallen eventueel een (juridisch) gevolg te verbinden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder deze getroffen waarborgen het uitgrijzen van geheimhoudersgegevens gelijkgesteld kan worden aan het vernietigen daarvan.
Ten aanzien van de USB-sticks zal de rechtbank geen beslissing nemen, aangezien de klagers tijdens de behandeling in de raadkamer hebben aangegeven dat zij niet langer vernietiging van deze gegevensdragers verzoeken.
Ter zitting hebben de klagers hun eis aangescherpt in die zin dat zij ondanks alle waarborgen een zelfstandig eigen professioneel belang hebben tot daadwerkelijke vernietiging. De klagers hebben geen andere situaties naar voren gebracht die binnen het bestaande strafvorderlijk kader niet onder de dekking van de waarborgen inzake geheimhoudersinformatie zouden vallen. De rechtbank ziet geen aanleiding tot nader onderzoek ter zake.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het klaagschrift ongegrond wordt verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. G.P. van de Beek, voorzitter,
mr. B. Vaz en mr. A.J. van der Velden, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
Mr. van der Velden is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.