ECLI:NL:RBROT:2026:13667

ECLI:NL:RBROT:2026:13667

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer NL:TZ:2616854:R-RK - NL:TZ:2616855:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Moratorium toegewezen voor zes maanden. Lopende huur wordt betaald en schuldhulpverleningstraject bevindt zich in een gevorderde stadium.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

Toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

Rekestnummers: NL:TZ:2616854:R-RK - NL:TZ:2616855:R-RK

Uitspraakdatum: 1 oktober 2026

[verzoeker] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker

1. De procedure

Verzoeker heeft op 28 augustus 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 september 2026.

Ter zitting van 22 september 2026 zijn verschenen en gehoord:

Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders heeft, namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker is het overzicht met betrekking tot zijn financiën en budget kwijtgeraakt. Bij beschikking van 27 februari 2026 is verzoeker onder bewind gesteld wegens een lichamelijke of geestelijke toestand. Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet, verhoogd met huur- en zorgtoeslag. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de lopende huur te betalen. De huur wordt ook – door de beschermings-bewindvoerder – betaald.

De beschermingsbewindvoerder heeft verzoeker op 26 juni 2026 aangemeld voor schuld-hulpverlening. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat ondertussen al een voorstel is gedaan aan de schuldeisers.

3. Het verweer

Verweerster verweert zich tegen het verzochte moratorium. Kort samengevat is door verweerster aangevoerd dat het ontruimingsvonnis niet alleen is gewezen op basis van een huurachterstand, maar ook op basis van overlast. Een moratorium kan alleen worden aangevraagd indien het vonnis enkel ziet op een huurachterstand en daar is dus geen sprake van. Verzoeker veroorzaakt nog steeds overlast en verweerster wil daarom tot ontruiming overgaan.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 29 juni 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De verschuldigde huur is sinds de uitspraak van het beschermingsbewind betaald en met het beschermingsbewind is gewaarborgd dat de lopende huur ook tijdig betaald zal blijven worden. Daarnaast is door de schuldhulpverlener ter zitting verklaard dat al een voorstel aan de schuldeisers is gedaan. Hiermee staat dus vast dat het schuldhulpverleningstraject zich in een gevorderde stadium bevindt. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

Verweerster wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het verzoek reeds moet worden afgewezen omdat het ontruimingsvonnis van 18 juni 2026 ook is gebaseerd op overlast door verzoeker als huurder. Deze overlast is door verweerster wel mede aan haar vordering ten grondslag gelegd, maar is in het vonnis niet als grond voor de toegewezen ontbinding opgenomen. De gestelde (en door verzoeker grotendeels betwiste) overlast kan daarom ook niet worden meegewogen in de belangenafweging van de rechtbank.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 18 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te Dordrecht, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 31 augustus 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.A. Vroom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand