RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
Toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: NL:TZ:2616844:R-RK - NL:TZ:2616845:R-RK
NL:TZ:2616846:R-RK - NL:TZ:2616847:R-RK
Uitspraakdatum: 1 oktober 2026
[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2],
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] ,
verzoekers
1. De procedure
Verzoekers hebben op 28 augustus 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 28 augustus 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 september 2026.
Ter zitting van 22 september 2026 zijn verschenen en gehoord:
[naam gerechtsdeurwaarders kantoor] heeft, namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De advocaat heeft op 22 september 2026 – na de zitting – betaalbewijzen aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers bevinden zich in een problematische schuldensituatie. Met behulp van [naam schuldhulpverleningskantoor] onderzoeken verzoekers of het mogelijk is om aan hun schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Verzoekers ontvangen inkomsten uit onderneming. Door vakanties van cliënten hebben verzoekers een tijdje minder inkomsten gehad. Ondertussen komen de cliënten weer terug en hebben verzoekers zelfs drie extra cliënten. Het inkomen van verzoekers is nu dus weer voldoende om de lopende huur te betalen. De lopende huur voor de maanden september 2026 en oktober 2026 is ook betaald.
3. Het verweer
Verweerster verzet zich met klem tegen het verzochte moratorium. De reden hiervoor is dat
verzoekers in gebreke zijn gebleven met (volledige) voldoening van de huur/gebruikers-vergoeding voor de maand september 2026. Verzoekers hebben een bedrag van € 1.754,06 betaald in plaats van € 1.831,27. De totale vordering loopt hierdoor alleen maar op.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting verder toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 20 juli 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 31 augustus 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 31 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben inkomsten uit onderneming en ontvangen daarnaast huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget. Het inkomen van verzoekers is voldoende om de lopende huur te betalen. De lopende huur wordt ook betaald. Uit de door de advocaat nagezonden stukken is gebleken dat het bedrag dat verzoekers te weinig betaald hadden voor de huur voor de maand september 2026 op 21 september 2026 is betaald en dat op dezelfde dag ook de huur voor de maand oktober 2026 is betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 31 december 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 28 augustus 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.