RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
Toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: NL:TZ:2616870:R-RK - NL:TZ:2616872:R-RK
NL:TZ:2616873:R-RK - NL:TZ:2616874:R-RK
Uitspraakdatum: 1 oktober 2026
[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2],
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] ,
verzoekers
1. De procedure
Verzoekers hebben op 31 augustus 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 september 2026.
Ter zitting van 22 september 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
De schulden van verzoekers zijn ontstaan door terugval in inkomsten. Verzoeker [naam verzoeker 1] heeft een eigen onderneming. Eind 2025 is verzoeker [naam verzoeker 1] ongeveer twee maanden ziek geweest en sindsdien heeft hij geen inkomsten uit deze onderneming. Verzoeker [naam verzoeker 1] probeert de onderneming te verkopen. Op dit moment heeft verzoeker [naam verzoeker 1] een uitkering op grond van de Participatiewet en verzoekster [naam verzoeker 2] ontvangt een uitkering op grond van de Werkloosheidwet. Het inkomen van verzoekers wordt verhoogd met huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget. Het inkomen van verzoekers is voldoende om de lopende huur te betalen.
Voor hulp bij hun schulden hebben verzoekers zich gewend tot Geldplein. Geldplein heeft budgetbeheer opgestart. Hiermee is gewaarborgd dat de lopende huur zal worden betaald.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand in december 2025 is ontstaan. Verweerster hoopt dat – nu het inkomen van verzoekers is geregeld – het verzoek wordt toegewezen zodat verzoekers snel hun schulden kunnen regelen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 8 juni 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 1 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 mei 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker [naam verzoeker 1] heeft een uitkering op grond van de Participatiewet en verzoekster [naam verzoeker 2] een uitkering op grond van de Werkloosheidwet. Daarnaast ontvangen verzoekers huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget. Het inkomen van verzoekers is voldoende om de verschuldigde huur van € 685,66 per maand te voldoen. Ter zitting is door schuldhulpverlening verklaard dat budgetbeheer is opgestart waardoor betaling van de lopende termijnen gewaarborgd is. Daarnaast heeft verweerster ter zitting verklaard dat zij hoopt dat het verzoek wordt toegewezen zodat verzoekers snel hun schulden kunnen regelen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 mei 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 31 augustus 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.