Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
verzet ongegrond
insolventienummer [nummer]
uitspraakdatum: 18 augustus 2026
Vonnis op het verzetschrift van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
aldaar tevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,
verzoeker,
advocaat: mr. R. van Gerven,
strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 19 mei 2026, waarbij hij op verzoek van:
de stichting
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat: mr. E.T. van den Hout,
in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. E.A. Vroom tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M.L. Dost als curator.
1. De procedure
Het verzetschrift is op 2 juni 2026 ter griffie ontvangen.
De behandeling van het verzetschrift is, op verzoek van verzoeker en met instemming van verweerster, tweemaal aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen met verweerster een minnelijke regeling te treffen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzetschrift laatstelijk bepaald op 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft op 17 augustus 2026 berichten ontvangen van verzoeker, verweerster en de curator.
De rechtbank beslist, met instemming van partijen, zonder mondelinge behandeling op het verzetschrift.
De uitspraak is bepaald op 18 augustus 2026.
2. De beoordeling
Nu het verzet tijdig is ingesteld, is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.
De rechtbank dient te beoordelen of op dit moment – bij de beoordeling van het verzet – summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verweerster en of verzoeker verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, aan de hand van de gegevens die thans gelden. In dat kader is het volgende relevant.
Verzoeker heeft in zijn verzetschrift de vordering van verweerster niet betwist. Wel heeft hij gesteld dat hij niet in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Hij heeft daarbij - kort gezegd - gewezen op goede vooruitzichten op nieuwe orders en verwacht dat hij met de daaruit voortvloeiende omzet de openstaande hoofdsom zal kunnen betalen.Verzoeker en verweerster zijn thans in overleg over een minnelijke regeling die ertoe moet leiden dat de vordering van verweerster wordt voldaan.
Uit de e-mail van verzoeker van 17 augustus 2026 volgt dat partijen er niet in zijn geslaagd een minnelijke regeling te treffen. Verweerster heeft in haar e-mail van 17 augustus 2026 bevestigd dat er geen regeling is getroffen en dat zij niet kan instemmen met het verzet. Zij verzoekt de rechtbank dan ook het verzet af te wijzen en het faillissement in stand te houden.
De curator heeft op 17 augustus 2026 zijn bevindingen aan de rechtbank doen toekomen. Hem is niet gebleken dat het verzoeker is gelukt om met verweerster een minnelijke regeling te treffen. Ook is geen zekerheid gesteld voor de begrote faillissementskosten.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verweerster en van feiten en omstandigheden die aantonen dat verzoeker verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
De rechtbank zal daarom het verzet ongegrond verklaren.
3. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.