RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/725870 / KG ZA 26-934
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats],
eisende partij,
advocaat: mr. M. Groenewoud,
tegen
ALTIJD RAAK PENDERS AUTO'S & PARTS B.V.,
gevestigd in Vlaardingen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. T.P. Monteiro Mendonça,
Partijen worden hierna [eiser] en Penders genoemd.
1. De zaak in het kort
[eiser] en Penders twisten over de vraag of laatstgenoemde de auto van [eiser] moet afgeven. De afspraak was dat Penders een motor zou installeren in de auto van [eiser] voor een bepaalde prijs. [eiser] heeft de overeengekomen prijs betaald. Penders weigert afgifte totdat [eiser] een hoger bedrag heeft voldaan. Volgens Penders is [eiser] dat hogere bedrag verschuldigd omdat [eiser] onjuiste informatie heeft verstrekt. Penders vordert in reconventie dan ook betaling van het restantbedrag door [eiser]. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen in conventie en reconventie af.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 september 2026 met bijlagen E1 tot en met E17;- de conclusie van antwoord;
- de akte vermindering van eis, waarbij de vordering jegens de oorspronkelijk medegedaagden Altijd Raak Penders (De) Montage B.V. en Altijd Raak Penders B.V., wordt ingetrokken, en overleggen producties (bijlage E18);
- de mondelinge behandeling van 24 september 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. Groenewoud.
Aanvankelijk richtte [eiser] zijn vordering op nog twee andere, aan Penders gelieerde vennootschappen. Na ontvangst van de conclusie van antwoord heeft [eiser] geconstateerd dat Penders zijn contractspartij is en heeft hij de vordering op die andere vennootschappen ingetrokken.
3. De feiten
[eiser] is op grond van een leaseovereenkomst economisch eigenaar van een Range Rover. Hiltermann-bank is de juridische eigenaar.
Op 18 januari 2024 heeft [eiser] via het online platform ‘de Onderdelenlijn’ een aanvraag ingestuurd voor de reparatie van de motor van een Range Rover Evoque.
Op de aanvraag van [eiser] reageerde Penders een dag later per e-mail met een prijsindicatie van € 3.000,00 voor een gebruikte motor tot € 5.000,00 voor een nieuwe motor.
Na nader overleg over de specifieke werkzaamheden kwamen partijen een prijs overeen van € 9.500,00, verhoogd met € 100,00 voor het ophalen van de auto.
De auto is op 24 januari 2024 opgehaald en bij Penders afgeleverd.
Op 23 mei 2024 ontving [eiser] van Penders een e-mail waarin wederom staat dat de werkzaamheden aan de Range Rover Evoque vanaf € 9.500,00 zullen kosten. Vervolgens ging Penders aan de slag met de werkzaamheden.
Op 7 juli 2026 is [eiser] op verzoek van Penders naar de garage gegaan om een onderdeel te brengen. Tijdens dat bezoek heeft Penders meegedeeld dat de kosten voor de werkzaamheden “€ 15.000,00 + arbeid” zullen bedragen.
[eiser] heeft tot op heden € 9.500,00 betaald aan Penders.
De auto staat nog steeds in de garage van Penders.
4. Het geschil in conventie en reconventie
[eiser] vordert in conventie, samengevat, dat Penders wordt veroordeeld tot afgifte van de Range Rover met kenteken [kenteken].
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij een prijs is afgesproken van totaal € 9.600,00. Die prijs heeft hij voldaan en daarom moet Penders de auto afgeven.
Penders voert verweer. Penders concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Penders voert het volgende aan. De eerste overeenkomst, waarbij een prijs van € 9.600,00 inclusief arbeid was overeengekomen, is tot stand gekomen op basis van door [eiser] verstrekte informatie dat het ging om een Range Rover Evoque. Dat is een kleiner en minder duur model dan het model waar het daadwerkelijk om gaat, namelijk een Range Rover Vogue. De kosten van een (gebruikte) motor voor een Vogue zijn daarom aanzienlijk hoger. Daar komt bij dat bij aanvang van de werkzaamheden aan de auto bleek dat de motor al was gedemonteerd en dat verschillende onderdelen los lagen in een meegeleverde doos, terwijl andere onderdelen ontbraken. Dat betekent dat Penders veel meer werk moest doen waarmee in de aanvankelijk overeengekomen prijs geen rekening was gehouden. Penders heeft dit met [eiser] besproken op 7 juli 2024. De latere gedragingen van [eiser] leiden tot de conclusie dat hij met de nieuwe prijs heeft ingestemd. Hij wist dat Penders werkzaamheden aan de auto verrichtte en hij heeft op een later moment ook gevraagd om een factuur voor de hogere prijs.
Penders stelt daarnaast een reconventionele vordering in. Penders vordert, kort gezegd, betaling door [eiser] van de openstaande factuur ad € 12.119,50, te weten het restant van de volgens Penders verschuldigde prijs voor de door haar verrichte werkzaamheden.
[eiser] is het niet met de tegenvordering is. Hij meent dat deze moet worden afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding.
5. De beoordeling
Het toetsingskader in kort geding
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiser] bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op haar plaats. Bij deze beoordeling speelt met name een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering tot afgifte van de auto
[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. De auto gebruikt hij voor zijn onderneming als kunstkoerier en verzorger van kunstexposities. De auto is het gezicht van de onderneming, aldus [eiser]. Zonder zijn auto kan hij zijn werkzaamheden als kunstkoerier niet uitvoeren. Intussen blijven de leaseverplichtingen ten aanzien van leasemaatschappij Hiltermann doorgaan. Het spoedeisende belang van [eiser] is overigens niet weersproken.
Penders hoeft de auto niet af te geven aan [eiser]
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter hoeft Penders de Range Rover (nog) niet af te geven aan [eiser]. Daartoe is het volgende redengevend.
Niet ter discussie staat dat partijen in eerste instantie een overeenkomst hebben gesloten voor de verkoop en inbouw van een gebruikte motor voor een prijs van € 9.500,00 inclusief arbeidskosten. Deze overeenkomst was gebaseerd op door [eiser] verstrekte informatie dat het ging om een Range Rover Evoque. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter echter vastgesteld dat, zoals Penders heeft aangevoerd, het in werkelijkheid ging om een Range Rover Vogue. Dat is een aanzienlijk grotere auto in een hogere prijsklasse, waarin ook een motor met een grotere inhoud moet. Penders heeft onbetwist gesteld dat de motoren voor dit type auto aanzienlijk duurder zijn. Verder is tijdens de mondelinge behandeling komen vast te staan dat [eiser] eerst de verkoper van zijn auto werkzaamheden aan de defecte motor heeft laten uitvoeren, dat die verkoper die werkzaamheden niet heeft afgemaakt omdat [eiser] niet kon betalen en dat de auto vervolgens met een motor in gedemonteerde staat aan [eiser] is teruggegeven. Daarmee staat voldoende vast dat Penders, zoals zij heeft gesteld, bij aflevering een auto ontving met een doos vol losse onderdelen, waarvan bovendien een deel ontbrak. Hiermee behoefde Penders op het moment van het maken van de afspraak in redelijkheid geen rekening te houden. Aannemelijk is dat Penders hierdoor aanzienlijk meer tijd aan het werk kwijt zou zijn dan tevoren was aangenomen. Al deze omstandigheden liggen in de risicosfeer van [eiser].
Vast staat dat partijen op 7 juli 2024 met elkaar hebben gesproken aan de balie van het bedrijf van Penders en dat Penders daarbij heeft gemeld het werk aan de auto te kunnen doen voor € 15.000,00 exclusief arbeid. Penders meent dat [eiser] met die nieuwe prijs akkoord is gegaan. Of dat zo is, kan voor de beoordeling van de vordering in conventie in het midden blijven. Hoe dan ook is gelet op de hierboven genoemde omstandigheden sprake van kostenverhogende omstandigheden die het gevolg zijn van door [eiser] verstrekte onjuiste informatie. Daarom is Penders bevoegd de overeengekomen prijs aan te passen (artikel 7:753 lid 2 BW; de voorzieningenrechter vult op dit punt ambtshalve de rechtsgrond aan, vergelijk artikel 25 Rv). Daarvoor is dus niet nodig dat komt vast te staan of een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen. Met hoeveel de prijs mag worden aangepast, is nu niet van belang. [eiser] heeft € 9.500,00 betaald en duidelijk is dat daarmee de prijsverhoging wegens kostenverhogende omstandigheden nog niet zijn voldaan. Zo lang dat niet is gebeurd, mag Penders gebruik maken van haar retentierecht en de auto achterhouden (artikel 3:290 BW).
Op het voorgaande stuit de vordering van [eiser] af.
[eiser] hoeft de geldvordering niet te betalen aan Penders
De voorzieningenrechter wijst de reconventionele vordering af. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat Penders terecht een beroep doet op haar retentierecht, is het nog onduidelijk op welk extra bedrag zij recht heeft. In elk geval is niet aannemelijk dat [eiser] met de door Penders genoemde nieuwe prijs akkoord is gegaan. Dat Penders die nieuwe prijs op een briefje heeft geschreven is daarvoor niet voldoende. Een dag later heeft [eiser] via whatsapp laten weten dat hij niet akkoord was met die nieuwe prijs (“Ik wil duidelijk maken. Onze afspraak was niet zo. Dus laat me weten van te voor wat is de best. […] Graag denk over wat wij hadden afgesproken.”) Ook latere berichten van [eiser] maken duidelijk dat hij het hiermee niet eens was. Dit brengt mee dat de vordering van Penders onvoldoende hard is om in kort geding te kunnen toewijzen.
De conclusie
De vorderingen over en weer worden afgewezen. Dit betekent dat Penders de auto in dit stadium niet aan [eiser] hoeft af te geven en dat [eiser] de geldvordering in dit stadium niet aan Penders hoeft te voldoen.
Omdat beide partijen ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie en in reconventie
wijst alle vorderingen af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
4041/1980