ECLI:NL:RBROT:2026:13291

ECLI:NL:RBROT:2026:13291

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer C/10/724748 / KG ZA 26-863
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kort geding. Vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling, op straffe van een dwangsom. Vordering van vrouw tot vervangende toestemming voor het Goofyspreekuur wordt afgewezen. Vrouw wordt in de proceskosten veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team familie

Zittingsplaats Rotterdam

Zaaknummer: C/10/724748 / KG ZA 26-863

Vonnis in kort geding van 17 september 2026

in de zaak van

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F. Staal,

tegen

[naam man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de op 18 augustus 2026 betekende dagvaarding met producties van de vrouw;

de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties, van de man van 1 september 2026;

het bericht met bijlage van de vrouw van 2 september 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door mr. V. de Roo, waarnemend advocaat;

de man, bijgestaan mr. S. Visser, waarnemend advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd.

2. De feiten

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

De minderjarige woont bij de vrouw.

Bij beschikking van 20 augustus 2025 van deze rechtbank is - voor zover hier van belang - vastgesteld dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) bij de man zal zijn als volgt:

viermaal achtereen op een zondag drie uur in aanwezigheid van de vrouw, in onderling overleg nader af te spreken;

daarna eenmaal op een zondag zes uur, waarbij de vrouw niet aanwezig is;

daarna iedere zondag van 10:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de vrouw niet aanwezig is;

na vier maanden, te rekenen vanaf het eerste contact, kan de regeling in overleg tussen partijen worden uitgebreid met een overnachting, eventueel om het weekend. De rechtbank stelt zich hierbij voor dat de minderjarige dan bij de man kan zijn van zaterdag vanaf een samen af te spreken tijdstip tot zondag 18.00 uur;

verdeling van vakanties kunnen partijen in een latere fase met elkaar afstemmen.

De man zal de minderjarige steeds ophalen en weer terugbrengen bij de vrouw.

Bij vonnis in kort geding van 29 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vrouw veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 20 augustus 2025 vastgestelde zorgregeling, met dien verstande dat het contact tussen de man en de minderjarige zonder aanwezigheid van de vrouw zal plaatsvinden, op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de vrouw niet aan de veroordeling voldoet.

Bij beschikking van 15 juli 2026 heeft het gerechtshof Den Haag voornoemde beschikking van deze rechtbank van 20 augustus 2025 ten aanzien van – onder meer – de zorgregeling bekrachtigd en, in aanvulling daarop, bepaald dat de man met de minderjarige zal zijn:

tot het einde van de zomervakantie 2026 iedere zondag van 10:00 uur tot 18:00 uur;

direct na de zomervakantie 2026, in uitbreiding op voormelde regeling, met een overnachting van zaterdag op zondag vanaf een samen af te spreken tijdstip tot zondag 18:00 uur, eventueel om het weekend.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

De vrouw vordert – samengevat – schorsing van de, bij beschikkingen van deze rechtbank van 20 augustus 2025 en het gerechtshof Den Haag van 15 juli 2026, vastgestelde zorgregeling voor de duur van één jaar, dan wel zes maanden, alsmede vervangende toestemming te verlenen voor het laten deelnemen van de minderjarige aan het Goofyspreekuur op 17 september 2026.

De man voert verweer. De man vordert in reconventie, zo begrijpt de voorzieningenrechter, nakoming van de bij beschikking van 15 juli 2026 van het gerechtshof Den Haag vastgestelde zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer. Daarnaast vordert de man de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure in conventie en reconventie.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie over de zorgregeling zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

Zorgregeling

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voldoende is gegeven. De vorderingen zien op de uitvoering van de zorgregeling. Daarbij is van belang dat de minderjarige sinds 26 juli 2026 geen contact meer heeft gehad met de man.

Achtergrond

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de verstandhouding tussen partijen al geruime tijd ernstig verstoord is. Aan de kant van de vrouw bestaan grote zorgen over de veiligheid van de minderjarige op de momenten dat hij bij de man verblijft. Deze zorgen zijn de afgelopen jaren meerdere malen onderwerp geweest van verschillende gerechtelijke procedures tussen partijen, waarbij steeds is geoordeeld dat onvoldoende reden bestond voor blijvende begeleide omgang of schorsing van de zorgregeling. Ook het gerechtshof Den Haag heeft op 15 juli 2026 nog geoordeeld dat geen aanleiding bestond om de zorgregeling te beperken of aan begeleiding te onderwerpen. Na het contact tussen de man en de minderjarige op 26 juli 2026 heeft de vrouw de zorgregeling echter opnieuw uit eigen beweging stopgezet.

Inhoudelijk

Schorsen/nakomen zorgregeling

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om schorsing van de zorgregeling te rechtvaardigen en dat ook anderszins niet is gebleken dat dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk zou zijn. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de vrouw de zorgregeling moet nakomen, en dat zij een dwangsom verschuldigd is wanneer zij dat niet doet. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

De vrouw baseert haar vordering op het gedrag dat de minderjarige na het laatste contact met de man op 26 juli 2026 zou hebben laten zien en wat door de vrouw als zeer zorgelijk is bestempeld. Zo zou de minderjarige tijdens het douchen de staart van een speelgoedhagedis in zijn anus hebben gestopt, en een dag later zijn vinger tegen de achterzijde van iemands broek (van de vader van een oppaskind van de vrouw) hebben gehouden, hetgeen de vrouw kwalificeert als het ‘proberen van een vinger in de anus van die vader te steken’. De vrouw stelt dat weliswaar nog niet kan worden vastgesteld wat de oorzaak van dit gedrag is, maar dat wel vaststaat dat dit gedrag zich heeft voorgedaan na het omgangsmoment met de man en dat zij zich daarom ernstige zorgen maakt over de veiligheid en het welzijn van de minderjarige tijdens de omgang met de man.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat de beschreven gedragingen niet als seksuele handelingen moeten worden aangemerkt, zoals de vrouw doet. Veel eerder ligt het voor de hand dat dat hoort bij de leeftijdsgebonden nieuwsgierigheid en bewustwording van het lichaam. Er zijn daarin dan ook geen concrete aanwijzingen voor seksueel misbruik te zien, aldus de raad. Ook zijn bij de raad geen andere signalen bekend die aanleiding geven de veiligheid van de minderjarige bij de man in twijfel te trekken. De raad ziet daarom geen aanleiding de zorgregeling stop te zetten en adviseert deze voort te zetten. De raad doet daarbij een beroep op de vrouw om op een andere manier aan de slag te gaan met het wantrouwen wat zij heeft jegens de man, zonder de minderjarige daarbij te betrekken of hem daarmee te belasten.

Uit de stukken blijkt evenmin dat Veilig Thuis of een andere betrokken instantie heeft geadviseerd de zorgregeling te stoppen. Dat de vrouw de gedragingen als seksueel en daarom als zorgelijk duidt, en stelt dat deze juist na het contact met de man optreden, is zonder nadere objectieve onderbouwing onvoldoende om tot schorsing van de zorgregeling over te gaan. De voorzieningenrechter neemt hierbij mede in aanmerking dat het gerechtshof nog zeer recent, op 15 juli 2026, heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestond om de zorgregeling te beperken of onder begeleiding te laten plaatsvinden. Ook toen is geoordeeld dat er geen aanleiding is om een mogelijke gedragsverandering bij de minderjarige toe te schrijven aan enig handelen van de man, zoals de vrouw in de procedure bij het gerechtshof Den Haag deed, en ook in dit kort geding doet.

De vrouw heeft geen geldige reden om de zorgregeling niet na te komen. De vordering van de man tot nakoming van de zorgregeling zal dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding daaraan een dwangsom te verbinden. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat zij de zorgregeling zal nakomen indien haar vordering tot schorsing wordt afgewezen, maar eerder is gebleken dat zij de regeling eenzijdig heeft stopgezet, ook nadat daarover rechterlijke beslissingen waren gegeven. Een dwangsom is daarom nodig als prikkel tot nakoming. De minderjarige is gebaat bij regelmatig en ongestoord contact met de man. De dwangsom zal worden vastgesteld op € 250,- per keer, met een maximum van € 5.000,-.

Vervangende toestemming Goofyspreekuur

De vrouw heeft daarnaast vervangende toestemming gevraagd voor deelname van de minderjarige aan het Goofyspreekuur. De man voert verweer en is van mening dat deze deelname niet noodzakelijk is, temeer gezien de impact die een dergelijk ingrijpend en heftig onderzoek kan hebben op de minderjarige.

Omdat de vordering van de vrouw ziet op een geplande afspraak op 17 september 2026 en het spoedeisende belang niet is betwist door de man, zal de voorzieningenrechter overgaan tot de inhoudelijke beoordeling.

Hoewel blijkens de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis vervangende toestemming bij verzoekschrift moet worden gevraagd aan de kinderrechter, zal de vrouw, om proceseconomische redenen en vanwege het spoedeisende karakter van de zaak toch in haar vordering worden ontvangen, waarop de voorzieningenrechter tevens in zijn hoedanigheid van kinderrechter zal beslissen.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er geen concrete signalen zijn die aanleiding geven voor een dergelijk onderzoek. Zoals hiervoor ook al benoemd kunnen volgens de raad de beschreven gedragingen juist goed passen bij normale nieuwsgierigheid en de ontwikkeling van een jong kind. Ook uit de stukken blijkt niet dat Veilig Thuis of een andere betrokken instantie deelname aan het Goofyspreekuur noodzakelijk acht. Daarbij komt dat de minderjarige, met toestemming van de man, wordt begeleid door een kinderpsycholoog en dat volgens de vrouw ook al een traject via Veilig Thuis loopt. De raad heeft aangegeven het voldoende te achten dat deze trajecten worden voortgezet.

Gezien het voorgaande en alles afwegende ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om de gevorderde vervangende toestemming te verlenen. De vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

De man heeft verzocht de vrouw in de proceskosten in conventie en reconventie te veroordelen. In familiezaken worden de proceskosten doorgaans tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.

Partijen hebben in relatief korte tijd al meerdere procedures gevoerd over in hoofdzaak dezelfde problematiek. Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben daarbij een zorgregeling vastgesteld of bevestigd. De meest recente beslissing van het hof dateert van 15 juli 2026. Zeer kort daarna heeft de vrouw de zorgregeling opnieuw stopgezet, waarna zij deze procedure is gestart. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw de man daarmee onnodig op extra kosten heeft gejaagd. De voorzieningenrechter acht het daarom redelijk de vrouw in de proceskosten van de man in conventie en reconventie te veroordelen.

De kosten van de procedure aan de zijde van de man zijn begroot op:

griffierecht € 341,-

salaris advocaat volgens het liquidatietarief € 760,- +

Totaal € 1.101,-

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

wijst de vorderingen van de vrouw af

in reconventie

veroordeelt de vrouw tot nakoming van de bij beschikking van 15 juli 2026 van het gerechtshof Den Haag vastgestelde zorgregeling;

bepaalt dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat zij in gebreke blijft met de nakoming van de zorgregeling, tot een maximum van € 5.000,-;

veroordeelt de vrouw tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de man begroot op € 1.101,-.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand