RECHTBANK Rotterdam
Team familie
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/724468 / KG ZA 26-839
Vonnis in verzet in kort geding van 17 september 2026
in de zaak van
[naam vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1],
oorspronkelijk eiseres, gedaagde in het verzet,
gedaagde in het executiegeschil, hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Kandemir,
tegen
[naam vader] ,
wonende te [woonplaats 2],
oorspronkelijk gedaagde, eiser in het verzet,
eiser in het executiegeschil, hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P.A. van Lange.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties van de vrouw van 15 december 2025;
het verstekvonnis van 23 januari 2026;
de op 6 augustus 2026 betekende verzetdagvaarding met producties van de man;
het bericht met bijlagen van de man van 2 september 2026;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 2 september 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A].
2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2024 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2].
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
Partijen zijn een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen overeengekomen. Deze zorgregeling is opgenomen in voornoemde echtscheidingsbeschikking en luidt als volgt: de minderjarigen verblijven bij de man
wekelijks van zaterdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur;
tijdens een doordeweeks eetmoment van 18.00 uur tot 20.00 uur;
tijdens vakanties en feestdagen, te verdelen in onderling overleg,
waarbij de man de minderjarigen ophaalt en weer terugbrengt bij de vrouw.
Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 23 januari 2026 (hierna: het verstekvonnis) is de man veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling met de minderjarigen zoals opgenomen in de echtscheidingsbeschikking. Aan deze veroordeling is een dwangsom verbonden van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet voldoet aan de hoofdveroordeling onder a en b (gelijk aan a en b in de echtscheidingsbeschikking), met een maximum van in totaal € 10.000,-. De proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Op verzoek van de vrouw is op 9 juli 2026 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van de man (hierna: het loonbeslag), zulks voor een totaalbedrag van € 10.594,62 (bestaande uit het maximum van de – volgens de vrouw – verbeurde dwangsommen, verhoogd met de kosten van de gerechtsdeurwaarder).
3. Het geschil
De vrouw vordert – kort samengevat – nakoming van de in de echtscheidingsbeschikking opgenomen zorgregeling. Zij vordert daarnaast een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding en iedere dag en niet nakoming van enig deel van het in deze te wijzen vonnis, met een maximum van € 50.000,-.
De man vordert in verzet, samengevat, vernietiging van het verstekvonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Subsidiair vordert de man dat de aan de zorgregeling verbonden dwangsom wordt opgeheven, geschorst of gematigd, althans dat deze niet worden verbeurd voor zover de vrouw deze niet per concreet omgangsmoment heeft gespecificeerd. Daarnaast vordert de man te bepalen dat vakanties en feestdagen niet onder de opgelegde dwangsom vallen. Ten slotte vordert de man de vrouw te veroordelen in de kosten van het verzet.
De man vordert tevens bij wijze van voorlopige voorziening, samengevat, schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en opheffing van het loonbeslag. Daarnaast vordert de man de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van het loonbeslag zijn afgedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Subsidiair vordert de man de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en het loonbeslag te schorsen en de vrouw te bevelen binnen drie dagen een volledige verbeuringsstaat te verstrekken. Ten slotte vordert de man de vrouw te veroordelen in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
Omdat de verzettermijn naar vaste rechtspraak van openbare orde is, dient de voorzieningenrechter deze ambtshalve te toetsen. Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen onder 3.1. en 3.2., dient aldus beoordeeld te worden of de man ontvankelijk is in zijn verzet.
De verzetdagvaarding is uitgebracht op 6 augustus 2026. Op grond van artikel 143 Rv moet het verzet worden gedaan binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon. Vaststaat dat het verstekvonnis op 23 januari 2026 is gewezen. Op 28 januari 2026 is het verstekvonnis betekend aan de man, door middel van achterlating in een gesloten envelop aan zijn huisadres door de gerechtsdeurwaarder. Omdat het verstekvonnis niet in persoon is betekend, en niet is gesteld of gebleken dat de man een daad van bekendheid met het vonnis heeft verricht, is de verzettermijn aangevangen op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. Artikel 144 aanhef onder b bepaalt in dat verband dat het vonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de eerste uitbetaling aan de beslaglegger indien het een beslag betreft op een vordering tot periodieke betalingen. In dit geval staat vast dat het loonbeslag op 9 juli 2026 is gelegd en heeft de eerste inhouding plaatsgevonden met de salarisuitbetaling aan het einde van de maand juli 2026. Aldus is op die dag de verzettermijn gaan lopen. Ondanks dat de exacte dag van de salarisuitbetaling niet met zekerheid vast is komen staan, concludeert de voorzieningenrechter uit het voorgaande dat de man via de verzetdagvaarding van 6 augustus 2026 het verzet tijdig heeft ingesteld, zodat hij kan worden ontvangen in zijn verzet.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen uitvoerig gesproken over hoe het zover heeft kunnen komen. Alhoewel partijen daar allebei met een andere blik naar kijken, zijn zij het eens dat de ontstane situatie niet in het belang van de minderjarigen is. De vrouw heeft daarbij nadrukkelijk verklaard dat het haar niet te doen is om het incasseren van de dwangsommen, maar om het contact tussen de minderjarigen met hun vader. De man heeft verklaard dat hij de zorgregeling graag uitvoert, maar dat de gebrekkige communicatie tussen partijen daaraan in de weg staat.
Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over de wijze waarop zij het geschil willen beëindigen. De voorzieningenrechter zal het verstekvonnis van 23 januari 2026 dan ook vernietigen en de tijdens de mondelinge behandeling gemaakte afspraken in het dictum opnemen.
Ten slotte complimenteert de voorzieningenrechter partijen en hun advocaten voor de constructieve houding en de wijze waarop zij tot elkaar zijn gekomen, zulks in het belang van de minderjarigen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
vernietigt het door de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 23 januari 2026 tussen partijen gewezen verstekvonnis;
en neemt op de volgende afspraken die partijen hebben gemaakt om een einde te maken aan deze procedure:
met ingang van 5 september 2026 komen partijen de volgende zorgregeling na:
wekelijks van zaterdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur;
wekelijks op woensdag een eetmoment van 18.00 uur tot 20.00 uur;
vakanties en feestdagen verdelen in onderling overleg;
partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling contactgegevens (telefoonnummers) uitgewisseld. Zij zullen met directe ingang alle communicatie over (de uitvoering van de zorgregeling met) de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen met elkaar voeren, en niet langer via (de telefoons van) de minderjarigen;
de onder 5.3. genoemde communicatie zal zakelijk en gepast blijven en niet grievend of verwijtend zijn;
de gelden welke zijn geïncasseerd via het loonbeslag van 9 juli 2026 onder de werkgever van de man, worden door de vrouw (dan wel door de gerechtsdeurwaarder) aan de man teruggestort op zijn bankrekeningnummer. Het bankrekeningnummer is tijdens de mondelinge behandeling door de man verstrekt aan de vrouw. Uitzondering hierop is het bedrag van € 577,18 aan kosten van de gerechtsdeurwaarder, welk bedrag de gerechtsdeurwaarder behoudt;
de vrouw zal de opdracht aan de gerechtsdeurwaarder zo spoedig als mogelijk na de mondelinge behandeling intrekken;
partijen dragen ieder de eigen proceskosten;
de vorderingen van partijen worden ingetrokken. Partijen verzoeken de voorzieningenrechter om de zaak door te halen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.