RECHTBANK Rotterdam
Team familie
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/724274 / KG ZA 26-827
Vonnis in kort geding van 21 september 2026
in de zaak van
[naam vrouw]
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Soytekin,
t e g e n
[naam man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N.S. van der Werf.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de op 14 augustus 2026 betekende dagvaarding met producties van de vrouw;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 31 augustus 2026;
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, van de man van 1 september 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.
2. De feiten
Partijen zijn op [huwelijks datum] te Spijkenisse met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 1 februari 2023 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 9 juni 2023 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De minderjarige minderjarigen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2] .
De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.
In de echtscheidingsbeschikking is de inhoud opgenomen van het door partijen op 12 december 2022 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan. Partijen zijn daarbij veroordeeld over en weer na te komen hetgeen zij daarin aldus zijn overeengekomen.
In het ouderschapsplan hebben partijen onder meer afspraken gemaakt over het hoofdverblijf van de minderjarigen en over de zorgregeling. Daarnaast hebben partijen het volgende afgesproken:
“Van basisregeling en gemaakte afspraken kan alleen door zwaarwegende omstandigheden en op zijn hoogst tijdelijk worden afgeweken. Kosten die voortvloeien uit een niet nagekomen afspraak omtrent de omgang met of het verblijf van de kinderen, zoals bijvoorbeeld kosten voor kinderopvang, komen voor rekening van de ouder die de afspraak niet is nagekomen.”
Bij beschikking van 31 mei 2024 van deze rechtbank is voornoemde echtscheidingsbeschikking en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 12 december 2022 gewijzigd, in die zin dat de tussen partijen overeengekomen regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) is vastgesteld als volgt:
- de minderjarigen verblijven conform het principe van co-ouderschap in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw. Het wisselmoment zal op vrijdag plaatsvinden, waarbij de ouder die de minderjarigen die week zal hebben, de minderjarigen uit school zal ophalen. In de vakanties zal de ouder die de minderjarigen die week zal hebben de minderjarigen om 14.00 uur bij de andere ouder ophalen.
Bij vonnis in kort geding van 22 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer de bij beschikking van 31 mei 2024 vastgestelde zorgregeling voorlopig gewijzigd. De rechtbank heeft de zorgregeling als volgt vastgesteld:
gedurende de eerste twee maanden na de datum van het vonnis verblijven de minderjarigen in de even weken op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de man, waarbij de man de minderjarigen zal ophalen en brengen;
gedurende de derde en vierde maand na de datum van het vonnis verblijven de minderjarigen in de even weken van vrijdag na school tot zaterdagmiddag 16.00 uur, waarbij de man de minderjarigen zal ophalen en brengen;
vanaf de vijfde maand na de datum van het vonnis verblijven de minderjarigen in de even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man,
waarbij de man de minderjarigen zal ophalen en brengen.
3. Het geschil in conventie en reconventie
De vrouw vordert in conventie, kort gezegd, nakoming van de bij vonnis van 22 mei 2026 vastgestelde zorgregeling (vanaf het tweede gedachtestreepje), op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de man niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-. Daarnaast vordert de vrouw de man te veroordelen om bij elke annulering of eenzijdige wijziging van de zorgregeling aan haar te voldoen een bedrag van € 100,- per dag aan oppaskosten, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag. Tot slot vordert de vrouw de man in de proceskosten te veroordelen en het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De man voert verweer in conventie. In reconventie vordert hij wijziging van de bij vonnis van 22 mei 2026 vastgestelde zorgregeling. Hij vordert te bepalen dat de minderjarigen gedurende de eerste zes maanden na het te wijzen vonnis in de oneven weken op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij hem verblijven, waarbij hij de minderjarigen ophaalt en terugbrengt, en dat zij in de oneven weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur bij hem verblijven, eveneens met ophalen en brengen door de man. De man vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer in reconventie.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling in conventie en reconventie
Zorgregeling
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, voor zover de vorderingen zien op de uitvoering van de zorgregeling, zal de voorzieningenrechter deze vorderingen gezamenlijk behandelen.
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voldoende voortvloeit uit de aard van de vorderingen, nu deze zien op de uitvoering van de zorgregeling.
Inhoudelijk
De voorzieningenrechter zal de man veroordelen tot nakoming van de bij vonnis van 22 mei 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling. Tevens zal de vordering van de man tot wijziging van die zorgregeling worden afgewezen. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dat oordeel is gekomen.
De vrouw stelt dat de man de zorgregeling op meerdere momenten niet is nagekomen. De man erkent enerzijds dat hij de zorgregeling op enkele dagen niet heeft uitgevoerd. Anderzijds betwist hij het merendeel van de door de vrouw aangevoerde data waarop hij de zorgregeling niet zou zijn nagekomen. De voorzieningrechter is van oordeel dat voldoende vaststaat dat de man de zorgregeling niet is nagekomen, waarbij mede in ogenschouw wordt genomen dat de man voor een aantal toekomstige data aan de vrouw heeft medegedeeld dat hij de minderjarigen dan niet zal ophalen.
De man heeft verschillende redenen aangevoerd waarom de zorgregeling volgens hem niet kon worden uitgevoerd. Zo heeft hij aangevoerd dat hij het vonnis van 22 mei 2026 aanvankelijk anders heeft begrepen, dat hij op bepaalde momenten moest werken en dat hij al een vakantie had gepland. Deze omstandigheden geven de man echter niet het recht om de zorgregeling uit te voeren wanneer het hem uitkomt. Ook de door hem genoemde praktische problemen met werk, school en sport zijn daarvoor onvoldoende. Van beide partijen mag als ouders worden verwacht dat zij zich inspannen om de zorgregeling uit te voeren en daarbij de nodige praktische oplossingen te zoeken. Zij hebben hierin allebei een verantwoordelijkheid tegenover de minderjarigen. Dat geldt ook wanneer de uitvoering van de regeling en de daarvoor benodigde oplossingen niet gemakkelijk zijn.
Daarbij komt dat de zorgregeling in het vonnis van 22 mei 2026 deels is vastgesteld op vordering daartoe van de man zelf. In die procedure heeft de man immers gevorderd dat de minderjarigen, vanaf de derde en de vierde maand, vanaf vrijdag na school bij hem zijn. De man voerde aan dat hij zo nu en op zondag moest werken en dat daarom een weekendregeling lastig zou zijn. In onderhavige procedure is het niet de zondag, maar de vrijdag die hem voor problemen stelt, aldus de man. Wederom in verband met zijn werk is hij op de vrijdagen niet in staat de jongste minderjarige naar de sportclub te brengen. Zoals de voorziengingrechter hiervoor al heeft overwogen, ligt het echter op de weg van de man om hiertoe een goede, werkbare oplossing te vinden.
De man heeft ook aangevoerd dat de minderjarigen nog niet toe zijn aan overnachtingen bij hem thuis. De man en de minderjarigen moeten weer wennen aan elkaar en de band moet worden hersteld. Dat de minderjarigen nog niet zouden willen overnachten wordt door de vrouw betwist. De voorzieningenrechter ziet nu geen reden om de zorgregeling wederom te wijzigen, mede gezien de zeer korte duur sinds het vonnis van 22 mei 2026. Het is alleszins begrijpelijk dat de band tussen de man en de minderjarigen moet worden hersteld, maar de voorzieningenrechter wijst in dat kader op de overwegingen van de voorzieningenrechter in het vonnis van 22 mei 2026. Daarin, meer specifiek in rechtsoverweging 4.2.5., is de zorgregeling juist met díe reden vastgesteld via een langzame opbouw. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad uitgelegd hoe de band kan worden hersteld: beginnen met de omgang en daarin structuur houden, betrouwbaar zijn en interesse tonen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van de man ligt om dit op te pakken en de kans te grijpen wanneer deze zich voordoet.
Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man zich moet houden aan de voorlopige zorgregeling zoals deze bij vonnis van 22 mei 2026 is vastgesteld. De man zal daarom worden veroordeeld tot nakoming daarvan. Daarmee wordt de vordering van de vrouw toegewezen en de vordering van de man afgewezen.
Dwangsom
Een dwangsom, zoals door de vrouw gevorderd, acht de voorzieningenrechter op dit moment niet nodig. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat hij contact met de minderjarigen wil en dat hij de zorgregeling niet bewust wil frustreren. Sinds het vonnis heeft hij ook verschillende zorgmomenten uitgevoerd. Hoewel niet alle zorgmomenten zijn doorgegaan, heeft de man daarvoor redenen aangevoerd en heeft hij verklaard dat hij juist een goede band met de minderjarigen wil opbouwen. De voorzieningenrechter heeft daarom op dit moment voldoende vertrouwen dat de man de zorgregeling zal nakomen. Een financiële prikkel is daarom niet nodig.
Oppaskosten
De vordering van de vrouw ten aanzien van de oppaskosten hangt dermate samen met de uitvoering van de zorgregeling dat de voorzieningenrechter ook hiervoor het spoedeisend belang voldoende aanwezig acht.
De vrouw stelt dat zij iedere keer als de man de zorgregeling annuleert of wijzigt zij € 100,- aan oppaskosten moet betalen. De man betwist dat er een grondslag is op basis waarvan hij voor deze kosten zou moeten opdraaien. Daarnaast betwist de man de hoogte van de kosten. Volgens hem is het bedrag van € 100,- uitzonderlijk hoog en staat dat bedrag niet in verhouding met de zorgtijden waarvoor de vrouw een oppas inhuurt.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw geen betaling vordert van in het verleden daadwerkelijk door haar betaalde oppaskosten. Zij vordert juist betaling van oppaskosten die zij in de toekomst moet maken als de man de zorgregeling niet nakomt.
De vrouw beroept zich daartoe op het ouderschapsplan. Hierin hebben partijen afgesproken dat degene die een afspraak rondom de omgang of het verblijf van de minderjarigen niet nakomt, de kosten draagt voor bijvoorbeeld de kosten voor kinderopvang. Daarmee is de grondslag voor de vordering van de vrouw gegeven en is de man in beginsel dus gehouden om de oppaskosten te betalen, als hij de zorgregeling wijzigt of annuleert. Partijen hebben echter geen afspraken gemaakt over de hoogte van de kosten, anders dan dat het gaat over ‘kosten die voortvloeien uit een niet nagekomen afspraak’. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze afspraak onvoldoende bepaald is om op basis daarvan de vordering van de vrouw toe te wijzen. De vrouw vordert immers op voorhand te bepalen dat de man een vast bedrag van € 100,- moet voldoen aan oppaskosten als hij de zorgregeling niet nakomt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door partijen gemaakte afspraak in het ouderschapsplan daarvoor onvoldoende basis biedt. De vordering van de vrouw zal daarom worden afgewezen.
Ten slotte
De communicatie tussen partijen verloopt zeer moeizaam en dit heeft zijn weerslag op de minderjarigen. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven open te staan voor, bijvoorbeeld, mediation via het wijkteam. De voorzieningenrechter geeft partijen mee dat het, gelet op de problemen tussen hen en in het belang van de minderjarigen, goed zou zijn als zij hiervan gebruikmaken.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op dit moment (nog) geen aanleiding om de man in de proceskosten te veroordelen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
veroordeelt de man tot nakoming van de bij vonnis van 22 mei 2026 vastgestelde zorgregeling, inhoudende:
gedurende de derde en de vierde maand (22 juli – 22 september 2026) na datum vonnis 22 mei 2026 verblijven de minderjarigen in de even weken van vrijdag na school tot zaterdagmiddag 16 uur bij de man, waarbij de man de minderjarigen zal ophalen en brengen;
vanaf de vijfde maand (22 september 2026) in de even weken verblijven de minderjarigen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man, waarbij de man de minderjarigen zal ophalen en brengen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
wijst de vordering van de man af;
in conventie en reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.