ECLI:NL:RBROT:2026:13288

ECLI:NL:RBROT:2026:13288

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer C/10/715722/HA ZA 26-202
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Artikel 6:21 BW. Uitleg koopovereenkomst binnenschip. Partijen sloten een voorwaardelijke overeenkomst. Nu de voorwaarde niet is vervuld, is de koopovereenkomst niet defintief geworden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/715722 / HA ZA 26-202

Vonnis van 16 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] , België,

eiser in verzet, oorspronkelijk gedaagde,

advocaat: mr. Y.M.M. Ooijkaas,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in verzet, oorspronkelijk eiser,

advocaat: mr. J.F. Bienfait.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[gedaagde] en [eiser] hebben in april 2024 een koopovereenkomst getekend voor het schip de [schip naam 1] . [gedaagde] was de verkoper, [eiser] de koper. De [schip naam 1] zou uiterlijk 31 mei 2025 worden geleverd. In de koopovereenkomst is een financieringsvoorbehoud opgenomen en de bepaling dat de koop van de [schip naam 1] onder voorbehoud is van ‘definitieve verkoop’ van de [schip naam 2] , het schip van [eiser] . [eiser] heeft de [schip naam 1] niet afgenomen. [gedaagde] maakt aanspraak op de contractuele boete van 10% van de koopprijs. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij de boete niet verschuldigd is, omdat de [schip naam 2] niet definitief verkocht is waardoor geen definitieve koop tot stand is gekomen voor de [schip naam 1] . De rechtbank oordeelt dat de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is gesloten onder de voorwaarde van definitieve verkoop van de [schip naam 2] . Deze voorwaarde niet is vervuld. Van wanprestatie van [eiser] is daarom geen sprake om welke reden de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 augustus 2025 met producties E1-E8;

- het verstekvonnis van de Rechtbank Rotterdam van 5 november 2025;

- de verzetdagvaarding van 19 februari 2026 met producties G1-G5;- het bericht van de rechtbank van 14 juli 2026 waarin partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;

- de brief van mr. Bienfait van 4 augustus 2026 met producties E9-E15;

- de brief van mr. Ooijkaas van 5 augustus 2026 met producties G7-G8;

- de e-mail van de rechtbank van 6 augustus 2026 waarin [eiser] is gelast om afschriften van de processtukken in de procedure tussen [eiser] en [bedrijf B] in het geding te brengen;

- de e-mail van mr. Ooijkaas van 7 augustus 2026 met de daarin genoemde stukken;

- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de daar overgelegde spreekaantekeningen van mr. Bienfait en mr. Ooijkaas.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

In november 2024 hebben [gedaagde] en [eiser] voor het eerst contact over de verkoop van het motorschip de [schip naam 1] door [gedaagde] aan [eiser] . In april 2024 tekenen zij een koopovereenkomst voor de [schip naam 1] . In de koopovereenkomst is (onder meer) het volgende opgenomen:

“Art. 11.

1. Koper heeft het recht deze overeenkomst te ontbinden indien het hem niet lukt een passende financiering voor deze koop te verkrijgen bij zijn bank. Koper ziet erop toe dat Verkoper en [bedrijf A] beiden uiterlijk 2 december 2024 een schriftelijke kennisgeving van hem ontvangen met de mededeling of de financiering al dan niet is gelukt. In het laatste geval dient een schriftelijke afwijzing van de bank te worden meegestuurd.

(….)

10. De koop van het motorschip is onder voorbehoud van definitieve verkoop van het [schip naam 2] met brandmerk [kenmerk] door koper.

Art. 9.

De juridische levering moet uiterlijk per 31 mei 2025 hebben plaatsgevonden. (…)”

[eiser] heeft voor zijn eigen schip, de [schip naam 2] , eind 2023 een huurkoopovereenkomst gesloten met [bedrijf B] In deze overeenkomst staat (onder meer):

“- Huurder verplicht is om het schip aan het eind van de huurperiode of eerder te kopen;

(…)

De huurtermijn eindigt twaalf (12) maanden na de ingangsdatum, tenzij Partijen

anders met elkaar overeenkomen.”

De huur van de [schip naam 2] is op 23 januari 2024 ingegaan.

Bij het sluiten van de koopovereenkomst voor de [schip naam 1] wist [gedaagde] dat [eiser] voor de [schip naam 2] een huurkoopovereenkomst had gesloten.

Op 22 oktober 2024 heeft [gedaagde] telefonisch contact gehad met de heer [persoon A] van [bedrijf A] , de door [eiser] ingeschakelde scheepsmakelaar. [bedrijf C] meldt [gedaagde] dat de koper van de [schip naam 2] aan [eiser] en aan hem heeft laten weten dat de aankoop van de [schip naam 2] in 2025 door zou gaan.

[eiser] heeft niet uiterlijk 2 december 2024 aan [gedaagde] bericht of de financiering al dan niet rond is. Op 24 december 2024 heeft [bedrijf C] per Whatsapp aan [gedaagde] bericht dat als de [schip naam 2] definitief verkocht is, zoals in de koopovereenkomst staat, [eiser] financiering heeft voor de koop van de [schip naam 1] .

[bedrijf B] heeft de [schip naam 2] niet aan het einde van de huurtermijn gekocht, omdat [eiser] en [bedrijf B] geen overeenstemming konden bereiken over de eindafrekening.

Op 27 maart 2025 heeft [gedaagde] per e-mail aan [bedrijf C] laten weten dat hij naar aanleiding van een telefoongesprek met [bedrijf C] op 25 maart 2026 heeft besloten het jaarcontract voor de bevrachting van de [schip naam 1] niet op te zeggen. Op 7 mei 2025 hebben [gedaagde] en [bedrijf C] opnieuw telefonisch contact, waarbij [bedrijf C] [gedaagde] heeft laten weten niet zeker te weten of [eiser] de [schip naam 1] uiterlijk 31 mei 2025 zal afnemen.

Op 8 mei 2025 heeft mr. Bienfait namens [gedaagde] een brief aan [eiser] gestuurd waarin hij hem verzoekt uiterlijk 16 mei 2025 te laten weten of hij de [schip naam 1] zal afnemen. [eiser] heeft niet op deze brief gereageerd. Op 3 juni 2025 heeft mr. Bienfait [eiser] een brief gestuurd waarin hij hem een termijn van acht dagen geeft om de overeenkomst na te komen. Als dat niet gebeurt, zal de overeenkomst ontbonden worden. Ook op deze brief heeft [eiser] niet gereageerd, waarop mr. Bienfait hem op 26 juni 2025 heeft bericht dat de koopovereenkomst is ontbonden en [gedaagde] aanspraak maakt op betaling van de contractueel overeengekomen boete van 10% van de koopprijs.

[eiser] heeft de boete niet betaald en [gedaagde] is een procedure gestart tegen [eiser] . Bij verstekvonnis van 5 november 2025 heeft de rechtbank de vordering van [gedaagde] toegewezen.

4. Het geschil

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- [eiser] veroordeelt tot betaling van € 190.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2025, althans vanaf de datum van dagvaarding, tot de dag der algehele betaling;

- alsmede [eiser] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met een bedrag aan nakosten en - voor het geval voldoening van de proceskosten en nakosten niet binnen 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

In verzet voert [eiser] verweer en vordert vernietiging van het verstekvonnis en afwijzing van de vordering van [gedaagde] , althans matiging van de contractuele boete, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Het verzet is tijdig ingesteld

Het verstekvonnis van 5 november 2025 is op 26 januari 2026 aan [eiser] betekend. Van een eerdere ingangsdatum van de verzettermijn is niet gebleken. De verzetdagvaarding dateert van 19 februari 2026 en is daarmee tijdig uitgebracht (artikel 143 Rv).

Rechtsmacht

Nu [eiser] in België woont en de vordering daardoor een internationaal karakter draagt, moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Op grond van artikel 25 Brussel I bis-Verordening kunnen partijen in een schriftelijke overeenkomst een gerecht aanwijzen dat bevoegd is kennis te nemen van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking ontstaan. Dit wordt een forumkeuze genoemd. [gedaagde] en [eiser] hebben een dergelijke forumkeuze gemaakt in artikel 13 van de door hen getekende koopovereenkomst. In dat artikel hebben zij afgesproken dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen.

Toepasselijk recht

Vervolgens moet worden vastgesteld welk recht op de vordering van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat dit Nederlands recht is.

Artikel 3 lid 1 van de Rome I-Verordening bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Deze rechtskeuze moet uitdrukkelijk worden gedaan. [gedaagde] en [eiser] hebben in artikel 13 van de koopovereenkomst opgenomen dat Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst. Daarmee is sprake van een uitdrukkelijke rechtskeuze in de zin van artikel 3 lid 1 Rome I-Verordening. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is op de vordering.

Geen sanctie op grond van schending waarheidsplicht (artikel 21 Rv.)

[gedaagde] stelt dat nu [eiser] de huurkoopovereenkomst die hij met [bedrijf B] had gesloten niet heeft genoemd in de verzetdagvaarding, [eiser] in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv. Dit brengt met zich mee dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, aldus [gedaagde] . [eiser] voert aan dat het toepassen van een sanctie op grond van schending van artikel 21 Rv., het doelbewust achterhouden van informatie vereist. Daarvan is geen sprake. [gedaagde] wist dat [eiser] een huurkoopovereenkomst had gesloten voor de [schip naam 2] en van de problematiek rond de verkoop van de [schip naam 2] .

Hoewel het de voorkeur had verdiend dat [eiser] de huurkoopovereenkomst met [bedrijf B] in zijn verzetdagvaarding had genoemd en bij de verzetdagvaarding had gevoegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om een sanctie te verbinden aan het feit dat [eiser] dit niet heeft gedaan. De rechtbank licht dat hierna toe.

[gedaagde] wist, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard, bij het tekenen van de koopovereenkomst voor de [schip naam 1] dat [eiser] voor de [schip naam 2] een huurkoopovereenkomst had gesloten. In de inleidende dagvaarding noemt [gedaagde] deze huurkoopovereenkomst niet en ook niet dat hij hiermee bekend was bij het tekenen van de koopovereenkomst. Hij stelt wel dat scheepsmakelaar [bedrijf C] hem in oktober 2024 liet weten dat de [schip naam 2] was verkocht, waarmee zou zijn voldaan aan de voorwaarde van artikel 11 lid 10 van de koopovereenkomst. [eiser] heeft op de inleidende dagvaarding gereageerd met onder meer de stelling dat [gedaagde] wist dat hij moeite had met de verkoop van de [schip naam 2] . Daarna spitste het debat tussen partijen zich toe op de vraag of de huurkoopovereenkomst met zich brengt dat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 11 lid 10 van de koopovereenkomst tussen partijen. De huurkoopovereenkomst heeft [eiser] toen alsnog op last van de rechtbank in het geding gebracht evenals alle stukken uit de procedure tussen hem en [bedrijf B] over de huurkoopovereenkomst. [gedaagde] heeft bij de mondelinge behandeling voldoende kans gekregen om in te gaan op de consequenties van de huurkoopovereenkomst voor zijn vordering op [eiser] . Van het achterhouden van feiten waardoor de wederpartij op het verkeerde been is gezet, is onder deze omstandigheden geen sprake.

Partijen sloten voorwaardelijke overeenkomst

[gedaagde] stelt dat nu [eiser] het financieringsvoorbehoud opgenomen in artikel 11 lid 1 niet (tijdig) heeft ingeroepen en de [schip naam 2] in 2023 heeft verkocht, de koopovereenkomst onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat [eiser] toerekenbaar tekortschoot door de [schip naam 1] niet uiterlijk 31 mei 2025 af te nemen. Hij is daarom de in artikel 12 van de koopovereenkomst overeen gekomen contractuele boete van 10% van de koopsom verschuldigd, aldus [gedaagde] . [eiser] betwist dat hij toerekenbaar tekort schoot in de nakoming van de overeenkomst. Hij voert (onder meer) aan dat nu de [schip naam 2] niet overgedragen is, niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 11 lid 10 van de koopovereenkomst, waarmee de koopovereenkomst niet definitief geworden is. .

De zaak gaat om de uitleg van de koopovereenkomst die [gedaagde] en [eiser] sloten, in het bijzonder de uitleg van artikel 11 leden 1 en 10. Zowel artikel 11 lid 1 als artikel 11 lid 10 zijn voorwaarden als bedoeld in artikel 6:21 BW. Partijen hebben de werking van hun verbintenis afhankelijk gesteld van de (onzekere toekomstige) gebeurtenissen beschreven in deze bepalingen.

Niet voldaan aan voorwaarde artikel 11 lid 10 koopovereenkomst

De rechtbank zal eerst bespreken of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 11 lid 10. Partijen zijn het niet eens over wanneer aan deze voorwaarde is voldaan. [gedaagde] stelt dat de voorwaarde is vervuld met het tekenen van de huurkoopovereenkomst voor de [schip naam 2] , nu deze huurkoopovereenkomst een verplichting tot koop bevatte. [eiser] stelt dat met definitieve verkoop in artikel 11 lid 10 de overdracht van de [schip naam 2] wordt bedoeld. De rechtbank oordeelt dat partijen met definitieve verkoop in artikel 11 lid 10 de overdracht van de [schip naam 2] bedoelden en licht dat hierna toe.

Het geschil tussen partijen betreft de uitleg van (onder meer) artikel 11 lid 10 van de koopovereenkomst voor de [schip naam 1] . Uitleg van (de bepalingen in) een overeenkomst vindt plaats met inachtneming van de Haviltex-maatstaf. Het gaat in de kern om de gerechtvaardigde verwachtingen die partijen op grond van de omstandigheden van het geval over en weer mochten hebben.

De huurkoopovereenkomst voor de [schip naam 2] , met daarin een verplichting tot koop na het einde van de huurperiode, is gesloten vóór het tekenen van de koopovereenkomst voor de [schip naam 1] . Dat betekent dat als partijen met “definitieve verkoop van het ms [schip naam 2] ” in artikel 11 lid 10 het sluiten van een overeenkomst voor de verkoop van de [schip naam 2] zouden bedoelen, artikel 11 lid 10 een loze bepaling is. De voorwaarde was dan immers al vervuld toen partijen de overeenkomst tekenden. Dit zou anders kunnen zijn als [gedaagde] ten tijde van het tekenen van de koopovereenkomst niet wist van de huurkoopovereenkomst. Dan zou hij in de veronderstelling kunnen hebben verkeerd dat de voorwaarde van artikel 11 lid 10 nog niet vervuld was. [gedaagde] heeft bij de mondelinge behandeling echter verklaard dat hij bij het tekenen van de koopovereenkomst voor de [schip naam 1] wist dat [eiser] een huurkoopovereenkomst had gesloten voor de [schip naam 2] . De rechtbank leidt hieruit af dat partijen met de “definitieve verkoop van het ms [schip naam 2] ” niet de huurkoopovereenkomst bedoelden, maar de daadwerkelijke levering van de [schip naam 2] . Dat was, anders dan het tot stand komen van een koopovereenkomst voor de [schip naam 2] , ten tijde van het tekenen van de koopovereenkomst voor de [schip naam 1] een onzekere toekomstige gebeurtenis. Deze uitleg van het begrip ‘definitieve verkoop’ volgt ook uit het Whatsappgesprek tussen [gedaagde] en [bedrijf C] van december 2024 (productie E3). In dit gesprek geeft [bedrijf C] aan dat de financiering van de aankoop van de [schip naam 1] afhing van de definitieve verkoop van de [schip naam 2] . Met ‘definitieve verkoop’ in deze conversatie kan niet de huurkoopovereenkomst bedoeld zijn, nu [bedrijf C] in hetzelfde gesprek ook refereert aan de koper van de [schip naam 2] .

De koopovereenkomst voor de [schip naam 1] is dan ook voorwaardelijk tot het moment van overdracht van de [schip naam 2] .

Geen wanprestatie [eiser]

Een voorwaarde kan een opschortende voorwaarde zijn of een ontbindende voorwaarde (artikel 6:22 BW). In het eerste geval ontstaat de verbintenis als aan de voorwaarde is voldaan. In het tweede geval komt de verbintenis te vervallen als aan de voorwaarde is voldaan. [gedaagde] stelt dat artikel 11 lid 10 een ontbindende voorwaarde is, waaraan niet is voldaan. [eiser] stelt dat het een opschortende voorwaarde is, waaraan niet is voldaan. Het kan evenwel in het midden blijven of het gaat om een ontbindende of opschortende voorwaarde. In beide gevallen is van wanprestatie van [eiser] geen sprake. De rechtbank licht dit hierna toe.

Partijen hebben in artikel 11 lid 10 niet opgenomen op welke datum de [schip naam 1] uiterlijk overgedragen moest zijn. Zij hebben evenmin opgenomen dat [eiser] uiterlijk op een bepaalde datum een beroep moest doen op de voorwaarde. Zonder afspraak wanneer de voorwaarde vervuld moet zijn dan wel tot wanneer een beroep op de voorwaarde gedaan kan worden, blijft de werking van de verbintenissen uit de overeenkomst tussen partijen onzeker zolang niet aan de voorwaarde is voldaan. In andere woorden: als de [schip naam 2] bijvoorbeeld niet eerder dan in 2030 zou worden overgedragen, zou [eiser] in 2030 levering van de [schip naam 1] kunnen verlangen van [gedaagde] dan wel tot het moment van overdracht in 2030 de overeenkomst voor de [schip naam 1] kunnen ontbinden. Dat hebben partijen niet beoogd, nu zij in hun overeenkomst een uiterste datum voor levering van de [schip naam 1] opnamen, te weten 31 mei 2025. Daarmee hebben ze een afspraak gemaakt over wanneer aan de verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst voldaan moest zijn. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt mee dat partijen daarmee ook afspraken dat als de [schip naam 2] niet uiterlijk 31 mei 2025 zou zijn overgedragen, niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 11 lid 10. In dat geval zijn de verbintenissen uit de overeenkomst niet definitief geworden (ze zijn ofwel niet ontstaan of ze zijn vervallen) en kan geen nakoming verlangd worden. Daarvoor is niet vereist dat [eiser] een beroep doet op artikel 11 lid 10. Doorslaggevend is of de [schip naam 2] op 31 mei 2025 is overgedragen.

Voor zover [gedaagde] stelt dat artikel 11 lid 10 in samenhang met artikel 11 lid 1 moet worden gelezen en dat hieruit volgt dat partijen afspraken dat [eiser] uiterlijk 2 december 2024 een beroep moest doen op het voorbehoud van artikel 11 lid 10, volgt de rechtbank [gedaagde] hierin niet. In deze uitleg is sprake van een ontbindende voorwaarde, die [eiser] moet inroepen. Het ligt dan niet voor de hand een uiterste datum af te spreken voor het inroepen van het voorbehoud die ligt voor de beoogde overdrachtsdatum van de [schip naam 2] . Uit de feiten volgt dat de beoogde overdrachtsdatum van de [schip naam 2] na 2 december 2024 lag. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt daarom niet mee dat de termijn van artikel 11 lid 1 en de afspraak dat [eiser] de voorwaarde moest inroepen, ook geldt voor artikel 11 lid 10. De e-mails van [gedaagde] aan [bedrijf C] van na 2 december 2024 (producties E4 en E5) bevestigen dit. [gedaagde] heeft contact met [bedrijf C] omdat hij wil weten of [eiser] de [schip naam 1] zal afnemen en hij het jaarcontract voor de bevrachting van de [schip naam 1] kan opzeggen. Dit betekent dat [gedaagde] er niet vanuit ging dat met het verstrijken van de termijn in artikel 11 lid 1 afname van de [schip naam 1] door [eiser] zeker was.

Nu tussen partijen vaststaat dat de [schip naam 2] op 31 mei 2025 niet was overgedragen, was [eiser] niet gehouden de [schip naam 1] af te nemen. Van wanprestatie van [eiser] is daarom geen sprake.

Dat het [eiser] niet heeft gereageerd op verzoeken van [gedaagde] (via [bedrijf C] of via mr. Bienfait) om duidelijkheid te verschaffen over de afname van de [schip naam 1] , maakt – hoewel het [eiser] had gesierd als hij dit wel had gedaan – dit niet anders. Daarbij geldt dat, anders dan [gedaagde] stelt, uit de berichten van [bedrijf C] uit oktober en december 2024 niet kan worden afgeleid dat de [schip naam 2] definitief verkocht was als bedoeld in de koopovereenkomst. [bedrijf C] schrijft dat de koper van de [schip naam 2] heeft aangegeven dat de koop volgens hem door zou gaan en dat als de [schip naam 2] definitief verkocht is, [eiser] de financiering voor de koop van de [schip naam 1] had. Dit is gelet op de voorbehouden die [bedrijf C] maakt geen bevestiging van de verkoop van de [schip naam 2] als bedoelde in de koopovereenkomst.

Art. 6:23 BW staat niet aan beroep op opschortende voorwaarde in de weg

[gedaagde] stelt subsidiair dat [eiser] geen beroep toekomt op art. 11 lid 10 van de koopovereenkomst, omdat het aan hem te wijten is dat [bedrijf B] de [schip naam 2] niet afgenomen heeft. Nu het geschil tussen [eiser] en [bedrijf B] zag op de eindafrekening bij levering van het schip en niet op de vraag of [bedrijf B] gehouden was de [schip naam 2] af te nemen, had [eiser] ervoor moeten kiezen het schip aan [bedrijf B] over te dragen tegen betaling van het bedrag dat [bedrijf B] stelde verschuldigd te zijn. De discussie over de eindafrekening had daarna voortgezet kunnen worden, aldus [gedaagde] . [eiser] betwist dat hij belang had bij het niet vervullen van de voorwaarde van artikel 11 lid 10 van de koopovereenkomst. Voorts voert hij aan dat hij de overdracht van de [schip naam 2] niet heeft geblokkeerd. De rechtbank oordeelt dat het feit dat [eiser] niet koos voor overdracht van de [schip naam 2] tegen de voorwaarden van [bedrijf B] , niet maakt dat [eiser] geen beroep toekomt op artikel 11 lid 10 van de koopovereenkomst.

[gedaagde] beroept zich op artikel 6:23 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat wanneer de partij die bij de niet-vervulling van een voorwaarde belang heeft, de vervulling van de voorwaarde belet, de voorwaarde als vervuld geldt wanneer redelijkheid en billijkheid dit verlangen. Tussen [eiser] en [bedrijf B] is een geschil ontstaan over de eindafrekening bij overdracht van de [schip naam 2] . [eiser] is van mening dat hij nog recht heeft op een bedrag van € 688.935,--, [bedrijf B] vindt dat zij nog € 166.650,-- aan [eiser] verschuldigd is. Gelet op dit grote verschil tussen partijen over de door [bedrijf B] bij de overdracht te betalen restant koopsom – zeker in relatie tot de koopprijs van € 900.000,00 – brengt het feit dat [eiser] niet meewerkte aan de overdracht van de [schip naam 2] tegen betaling van het bedrag dat volgens [bedrijf B] nog verschuldigd was, niet mee dat redelijkheid en billijkheid verlangen dat de opschortende voorwaarde als vervuld geldt.

Voorwaarde artikel 11 lid 1 koopovereenkomst hoeft geen bespreking

Gelet op het voorgaande hoeft de vraag of [eiser] (tijdig) een beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud opgenomen in artikel 11 lid 1 van de koopovereenkomst geen bespreking.

Conclusie en proceskostenveroordeling [gedaagde]

De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] afwijzen. Toewijzing vereist een toerekenbare tekortkoming van [eiser] . Daarvan is geen sprake nu tussen partijen geen definitieve overeenkomst tot stand is gekomen,

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van betekening van de verzetdagvaarding blijven voor rekening van [eiser] , nu deze kosten niet nodig waren geweest als [eiser] zich meteen had gesteld. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht

€

2.803,00

- salaris advocaat

€

4.102,00

(2 punt × € 2.051,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

7.094,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

vernietigt het verstekvonnis van 5 november 2025, gewezen in de zaak met nummer C/10/707610/ HA ZA 25-857, en opnieuw rechtdoende;

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.094,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Baetsen. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

[1729;3979]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K. Baetsen. Het is ondertekend door de rol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand