RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
de minister van Financiën, de minister
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11228
(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres om haar op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) te compenseren voor een door haar al afgeloste private schuld. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister dit verzoek terecht heeft afgewezen.
Procesverloop
2.
Met een besluit van 3 april 2024 (het primaire besluit) heeft de minister het verzoek van eiseres om haar op grond van de Wht compenseren voor een door haar al afgeloste private schuld, afgewezen.
Met een besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister op grond van de Wht verzocht om compensatie voor een door haar al afgeloste private schuld aan ABN Amro van € 1.035,88.
4. De minister heeft het verzoek van eiseres geweigerd omdat niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarden voor compensatie. De minister heeft door het ontbreken van voldoende bewijsstukken niet kunnen beoordelen of de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Bovendien heeft eiseres geen betaalbewijs aangeleverd, waardoor de minister niet kan beoordelen of de schuld is afgelost na de ontvangst van het compensatiebedrag.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en met het motiveringsbeginsel. Volgens eiseres is het aan Sociale Banken Nederland om namens de minister de nodige informatie te verzamelen bij de bekende schuldeisers. Er is volgens eiseres wel voldaan aan de voorwaarden voor compensatie. De minister heeft verzuimd om het primaire besluit daadwerkelijk te heroverwegen met alle relevante feiten, omstandigheden en gronden, zoals is voorgeschreven in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Eiseres heeft hierbij toegelicht dat zij zich door de aanhoudende spanning en onzekerheid rond haar schulden, waaronder de onderhavige schuld, onder bewind heeft gesteld en dat zij het bewind niet durft te beëindigen zolang haar schulden niet volledig zijn afgewikkeld. Daarnaast is in het verleden met bijstand van de politie beslag gelegd op de woning van eiseres, waarbij de voordeur is geforceerd en het slot is vervangen, met als gevolg dat zij die nacht met haar kinderen in de auto heeft moeten slapen. Deze gebeurtenissen hebben bij eiseres een blijvend gevoel van onveiligheid en schaamte achtergelaten.
6. In deze zaak staan de volgende wettelijke regels centraal. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor
1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een al afgeloste schuld kan voor compensatie in aanmerking komen als die is voldaan na het moment van het ontvangen van, kort gezegd, een compensatiebedrag. Er moet dan ook voldaan zijn aan de verdere voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht, waaronder de voorwaarde van opeisbaarheid voor 1 juni 2021. De voorwaarde van opeisbaarheid voor 1 juni 2021 behoort tot de kern van de schuldenregeling in de Wht. De wetgever heeft er bij de totstandkoming van deze regeling bewust voor gekozen dat schulden van gedupeerde ouders niet kunnen worden overgenomen als die schulden niet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister het verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
8. Niet gebleken is dat is voldaan aan de voorwaarde van opeisbaarheid voor 1 juni 2021. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat de schuld te maken heeft met een roodstand op de Privelimiet Plus-rekening van eiseres. Uit de stukken blijkt dat ABN Amro eiseres op 6 maart 2022 in gebreke heeft gesteld en het krediet op 26 augustus 2022 heeft opgeëist. Uit deze stukken volgt niet dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Dat volgt ook niet uit de brief van ABN Amro van 8 december 2018 met daarin een betalingsherinnering voor een bedrag van € 25,-. Omdat niet gebleken is dat is voldaan aan de eis van opeisbaarheid voor 1 juni 2021, kan eiseres in beginsel niet worden gecompenseerd voor de al afgeloste schuld.
9. Eiseres kan nog om een andere reden in beginsel niet worden gecompenseerd voor de al afgeloste schuld. Eiseres heeft namelijk geen betaalbewijs overgelegd waaruit volgt dat zij het bedrag van € 1.035,88 aan ABN Amro heeft betaald, zodat niet kan worden vastgesteld dat de aflossing van de schuld na de ontvangst van het compensatiebedrag heeft plaatsgevonden.
10. Over het beroep van eiseres op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank het volgende. De schuldenregeling in de Wht is niet bedoeld voor het vergoeden van schade die gedupeerde ouders door de toeslagenaffaire hebben geleden. Daarvoor is de compensatieregeling bedoeld. Toepassing van de hardheidsclausule in het kader van de schuldenregeling kan aan de orde zijn in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in situaties van serieuze en structurele financiële nood, van ernstige medische omstandigheden, of van andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet daarbij gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren voor een al afgeloste schuld. Voor de conclusie dat de door eiseres geschetste problemen samenhangen met (de gevolgen van) de weigering van de minister om haar te compenseren voor de al afgeloste schuld aan ANB AMRO, bestaan onvoldoende concrete aanknopingspunten.
11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Van eiseres mag in het algemeen worden verwacht dat zij de beschikking kan krijgen over de stukken die kunnen onderbouwen dat voldaan is aan de voorwaarden in de Wht. Eiseres heeft niet gesteld dat zij daartoe niet in staat is. De minister heeft zich dus terecht gebaseerd op de stukken die eiseres heeft ingediend. Dat de minister in zaken over overname van schulden informatie opvraagt bij schuldeisers, maakt niet dat de minister dat ook moet doen in zaken over compensatie voor al afgeloste schulden.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de heroverweging in bezwaar niet toereikend is geweest of dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
Schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn
13. Eiseres heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op de dag van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door de minister, te weten 14 mei 2024. Op de datum van de uitspraak is de termijn met ruim vier maanden overschreden. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eiseres heeft dus recht op
€ 500,-. Omdat de vertraging tijdens de beroepsfase is ontstaan, zal de rechtbank bepalen dat de schadevergoeding door de Staat wordt betaald.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
15. Eiseres heeft wel recht op vergoeding van haar proceskosten in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De Staat moet deze vergoeding betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.