RECHTBANK ROTTERDAM
ROT 26/6277 en ROT 25/5518
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/6277, ROT 25/5518, ROT 26/6281 en ROT 25/5519
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. D.R.D.A. Buren-Baks),
ROT 26/6281 en ROT 25/5519
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. D.R.D.A. Buren-Baks),
tezamen aangeduid als: eisers,
en
(gemachtigde: mr. R.J.G. Bäcker).
Procesverloop
1. Het college heeft met de besluiten van 4 juli 2024 (de primaire besluiten) aan eisers een last onder dwangsom opgelegd in verband met de bewoning door arbeidsmigranten van het conferentiehotel [naam hotel] aan de [adres] in [plaats] (het perceel).
2. Met de besluiten van 6 juni 2025 (de bestreden besluiten) zijn de bezwaren die zien op voorwaarde d van de lasten onder dwangsom gegrond verklaard. Het college heeft voorwaarde d geschrapt. Voor het overige heeft het college de gronden ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten.
Met de besluiten van 27 mei 2026 en 12 juni 2026 heeft het college de werking van de lasten onder dwangsom opgeschort en opgeheven. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben deze besluiten mede betrekking op het beroep tegen de bestreden besluiten, omdat deze besluiten de bestreden besluiten wijzigen en eisers daarbij belang hebben.
Met de besluiten van 13 juli 2026 (de invorderingsbesluiten) vordert het college het totaal aan verbeurde dwangsommen van ieder € 1.562.500,- in. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb hebben de beroepen tegen de lasten onder dwangsom mede betrekking op een beschikkingen die strekken tot invordering van de dwangsommen.
3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn zoon, de gemachtigde van eiser en eiseres, vergezeld door mr. J.M. de Heer en de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. M.G.C. Visser en [persoon A] .
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken beslist zij ook op de beroepen van eisers daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Voornemen tot intrekking
4. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. De voorzieningenrechter vindt de hoogte van de dwangsommen te hoog. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de beroepen gegrond zijn en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de hoogte van de dwangsommen en het belang dat eisers hebben bij een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de opgelegde lasten, eisers spoedeisend belang hebben bij hun verzoeken.
De bestreden besluiten
6. Het perceel waarop het conferentiehotel is gelegen, is in eigendom van eiseres. Van deze rechtspersoon is [bedrijf A] B.V. enig aandeelhouder en [bedrijf B] B.V. enig bestuurder. Eiser is zowel enig aandeelhouder, als enig bestuurder van [bedrijf B] B.V. Eisers huisvesten arbeidsmigranten in het conferentiehotel. Hiervoor heeft het college eerder lasten onder dwangsom aan eisers opgelegd.
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft de bestemmingen “Maatschappelijke voorzieningen”, “Algemeen grondgebruik” en “Duingebied”.
8. Een toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat het conferentiehotel nog steeds wordt bewoond door arbeidsmigranten.
9. Het college heeft eisers op straffe van een dwangsom van € 312.500,- per week met een maximum van € 1.562.500,-, gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid en tweede lid, van de Ow en de artikelen 3.5 en 6.7, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunnen eisers doen door de bewoning van het conferentiehotel door arbeidsmigranten te staken en gestaakt te houden. Eisers hebben hiervoor uiterlijk twee weken na inwerkingtreding van het besluit.
10. De lasten treden in werking als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) De aanvraag omgevingsvergunning van 5 juni 2024 is door het college buiten behandeling gesteld of afgewezen, of
b) Een naar aanleiding van de aanvraag omgevingsvergunning van 5 juni 2024 door het college verleende omgevingsvergunning is door de rechtbank of Raad van State geschorst of vernietigd, of
c) De in de naar aanleiding van de aanvraag omgevingsvergunning van 5 juni 2024 door het college in de verleende vergunning opgenomen duur is verstreken.
11. Met het besluit van 23 april 2026 heeft het college de aanvraag om omgevingsvergunning van 5 juni 2024 afgewezen, waardoor de lasten in werking zijn getreden. Eisers hadden tot en met 7 mei 2026 om aan de last te voldoen. Eisers verbeuren elke week een dwangsom met een maximum van vijf weken indien zij de overtreding niet beëindigen.
12. Het college heeft met zijn brieven van 23 april 2026 zijn voornemen bekendgemaakt tot het intrekken van de lasten onder dwangsom en het opleggen van een lasten onder bestuursdwang.
13. Met de besluiten van 27 mei 2026 heeft het college de werking van de lasten onder dwangsom nader opgeschort tot 10 juni 2026 onder het stellen van voorwaarden. Eisers moeten voor 5 juni 2026 een plan van aanpak indienen waaruit moet blijken op welke wijze de bewoning van het conferentiehotel zal worden beëindigd. Aan het plan van aanpak heeft het college voorwaarden verbonden. Eisers hadden op 27 mei 2026 reeds 2 weken aan dwangsommen verbeurd.
14. Met de besluiten van 12 juni 2026 heeft het college eisers laten weten dat het ingediende plan van aanpak niet voldoet aan de voorwaarden, zodat de werking van de lasten onder dwangsom weer is aangevangen. Eisers hebben vervolgens op 13 juni, 20 juni en 27 juni 2026 de resterende dwangsommen verbeurd.
Toetsingskader
15. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Overtreding
16. Eisers betogen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a en tweede lid, onder a, van de Ow. Eisers voeren daartoe ten eerste aan dat er geen strijd is met de planregels, omdat huisvesting van arbeidsmigranten kan worden beschouwd als een maatschappelijke voorziening. Ten tweede voeren eisers aan dat er geen strijd is met de artikelen 3.5 en 6.7 van het Bbl, omdat er geen sprake is van een logiesfunctie, maar een logiesverblijf (groepsaccommodatie). Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3071.
17. In de uitspraak van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5990, heeft de Afdeling in overweging 4.5 reeds geoordeeld dat huisvesting van arbeidsmigranten in het conferentiehotel niet onder een maatschappelijke voorziening valt. Niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling. Dit betekent dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.
18. Over de artikelen 3.5 en 6.7 van het Bbl heeft de rechter zich nog niet eerder uitgelaten. Artikel 3.5 van het Bbl betreft een specifieke zorgplicht. Het is mede gelet op artikel 3.1 van het Bbl niet relevant of sprake is van een gebruiksfunctie, zoals een logiesfunctie. Artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl ziet op de verplichting om voorafgaand aan het in gebruik nemen van het bouwwerk een melding in te dienen. Dit is onder meer van toepassing op een logiesfunctie. Niet in geschil is dat eisers arbeidsmigranten laten verblijven in het conferentiehotel. Op grond van bijlage I bij artikel 1.1 van het Bbl valt onder logiesfunctie het bieden van tijdelijk onderdak aan personen. De voorzieningenrechter volgt het college dat er sprake is van een logiesfunctie, zodat eisers op grond van artikel 6.7 van het Bbl het gebruik hadden moeten melden. In wat eisers aanvoeren ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. Niet in geschil is dat eisers niet aan de zorgplicht voldoen en geen melding hebben ingediend, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen de overtreding van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow.
Bijzondere omstandigheden
19. Eisers betogen dat handhaving niet in verhouding staat tot de daarmee te dienen doelen. Daartoe voeren eisers aan dat het college inmiddels in een civielrechtelijke procedure het standpunt heeft ingenomen dat beëindiging van tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten geen haast heeft. Verder is van belang dat het college jarenlang deze huisvesting heeft toegestaan, het college in 2024 beleid heeft vastgesteld en eisers ter legalisering van de situatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning hebben ingediend, de huisvesting voorziet in de behoefte van lokale ondernemers die gebruikmaken van arbeidsmigranten en de locatie niet of nauwelijks problemen geeft.
20. Zoals de Afdeling heeft overwogen, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Daarbij is uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
21. De voorzieningenrechter ziet in wat eisers aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat het college had behoren af te zien van handhaving. Zoals hiervoor is overwogen, moet het college, als sprake is van een overtreding vanwege het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in de regel gebruik maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden. Het belang van eisers is dat zij arbeidsmigranten kunnen (blijven) huisvesten in het conferentiehotel. Het moet voor eisers echter inmiddels duidelijk zijn dat het college geen bewoning door arbeidsmigranten wil in het conferentiehotel. Dat het college volgens eisers geen haast meer heeft bij handhaving, maakt, wat daar verder van zij, voorgaande niet anders.
Misbruik van bevoegdheid
22. Eisers betogen dat het college zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De gemeente heeft inmiddels het landgoed gekocht. De lasten zijn niet meer gericht op herstel, maar enkel op financieel voordeel voor de gemeente, aldus eisers. Dit wordt ondersteund doordat het college eisers overstelpt met belastende besluiten, niet wil overgegaan tot intrekking daarvan en de opschorting heeft opgeheven. Dit blijkt ook uit de opmerking van de advocaat van de gemeente tijdens een zitting van de voorzieningenrechter dat het het college niet uit zou maken als de ontruiming van het conferentiehotel langer dan 8 augustus 2026 op zich zou laten wachten.
23. Op grond van artikel 3:3 van de Awb gebruikt het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
24. Dat het college is overgegaan tot aankoop van het landgoed dateert van ná de bestreden besluiten en niet van daarvoor. Vaststaat is dat het college bevoegd en in beginsel ook verplicht is om handhavend op te treden tegen de overtreding. Ook staat vast dat eisers al sinds 2021 bekend zijn met de overtreding door oplegging door het college van de eerste last onder dwangsom aan eiser. Daarna heeft het college in augustus en december 2022 nog een tweede en derde last onder dwangsom opgelegd, zonder dat dit geleid heeft tot beëindiging van de bewoning van het conferentiehotel door arbeidsmigranten. Eisers hebben vijf jaar later nog steeds geen einde gemaakt aan de overtreding. Het ligt in de risicosfeer van eisers indien zij geen einde maken aan de overtreding dat zij dwangsommen verbeuren. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel.
25. Eisers betogen dat de bestreden besluiten gelet op het voornemen tot intrekking ondeugdelijk en innerlijk tegenstrijdig zijn. Het college had een besluit tot intrekken moeten nemen in plaats van enkel het voornemen, omdat het een begunstigende beschikking voor eisers was geweest.
26. Op 23 april 2026 heeft het college eisers laten weten voornemens te zijn de lasten onder dwangsom in te trekken en lasten onder bestuursdwang wil opleggen aan eisers, omdat de lasten onder dwangsom volgens het college klaarblijkelijk geen effect sorteren. Op zitting heeft het college toegelicht dat het ten tijde van het voornemen gelet op artikel 5:6 van de Awb niet mogelijk was om een last onder bestuursdwang op te leggen omdat de lasten onder dwangsom nog in werking waren. Om deze reden was het college voornemens om de lasten in te trekken. Het college heeft echter uiteindelijk gewacht met het opleggen van de lasten onder bestuursdwang totdat de lasten onder dwangsom volledig waren uitgewerkt. Er was dan volgens het college geen reden om de lasten in te trekken. De voorzieningenrechter overweegt dat het college zonder nadere motivering met het voornemen tot intrekking verwachtingen en ook verwarring bij eisers heeft geschept en dat het voornemen moeilijk te rijmen valt met de besluiten van 27 mei en 12 juni 2026. Om verwachtingen en verwarring te voorkomen had het college het voornemen tot intrekking van de lasten onder dwangsom achterwege kunnen laten. Dat heeft het college niet gedaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorgaande in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter verbindt aan voorgaande evenwel niet het oordeel dat de bestreden besluiten geheel vernietigd moeten worden. Dit omdat het gaat om een voornemen en het voor eisers bekend had moeten zijn dat het college de overtreding hoe dan ook wilde beëindigen. Het had op de weg van eisers gelegen om zekerheidshalve de overtreding te beëindigen voor de begunstigingstermijn. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de hoogte van de dwangsommen aan te passen.
Besluiten van 12 juni en 27 mei 2026
27. Het betoog van eisers dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waaraan het plan van aanpak moet voldoen en waarom eisers daaraan niet hebben voldaan, slaagt niet. Anders dan eisers aanvoeren heeft het college een uitgebreide instructie gegeven waaraan het plan van aanpak aan moet voldoen en heeft het college gemotiveerd waarom eisers hier niet aan hebben voldaan.
28. Ook het betoog dat het college eisers ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om een zienswijze in te dienen alvorens over te gaan tot de besluiten van 27 mei en 12 juni 2026, slaagt niet. Voor het wijzigen van de bestreden besluiten is het gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb niet noodzakelijk dat eisers worden gehoord in de zin van artikel 4:8 van de Awb, omdat de beroepen immers mede betrekking hebben op die wijziging en partijen in het kader van die procedure kunnen worden gehoord. Het betoog van eisers slaagt dan ook niet.
29. De rechtbank stelt vast dat de maximale dwangsommen zijn volgelopen op 27 juni 2026.
Hoogte dwangsommen
30. Eisers betogen dat de dwangsommen niet in verhouding staan tot de daarmee te dienen doelen.
31. Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Mede gelet op overweging 26 is de voorzieningenrechter van oordeel dat hoewel de dwangsommen geschikt en noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de overtreding de hoogte van de dwangsommen niet in redelijke verhouding staan tot het doel om de overtreding te beëindigen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om de bestreden besluiten te vernietigen voor zover de primaire besluiten ten aanzien van de hoogte van de dwangsommen in stand zijn gelaten. De voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten te herroepen en de hoogte van de dwangsommen te halveren naar € 156.250,- per week met een maximum van € 781.250,-. De voorzieningenrechter heeft bij het bepalen van de hoogte rekening gehouden met de omstandigheid dat de dwangsommen hoger zijn dan de voorgaande (derde) lasten onder dwangsom.
Invorderingsbesluiten
32. Eisers betogen dat het college van invordering had moeten afzien. Daartoe voeren zij aan dat invordering onevenredige gevolgen voor hen heeft. De besluiten hebben een grote (financiële) impact. Het college wil weer dwangsommen invorderen, terwijl in mei 2026 is overgegaan tot beëindiging van de onderhuurovereenkomsten én de gemeente het landgoed heeft gekocht. De dwangsommen dienen dus geen doel, want dat doel, beëindiging van de illegale onderhuur, was immers al bereikt. Het college wist toen al dat de huisvesting daadwerkelijk zou worden beëindigd, aan welke beëindiging thans ook feitelijk uitvoering wordt gegeven. Om dan nu over te gaan tot invordering van dwangsommen waarvan de juistheid, op relevante gronden, nog ter beoordeling van de rechtbank voorligt, is onevenredig.
33. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
34. Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor informatie verstrekken waaruit blijkt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.
35. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van de invordering van de verbeurde dwangsommen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het voldoen aan de last na de begunstigingstermijn, of het gedeeltelijk uitvoeren van de last voor afloop van de begunstigingstermijn, op zichzelf geen omstandigheid als gevolg waarvan het college van invordering had behoren af te zien. Ook in de gestelde financiële gevolgen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college had behoren af te zien van invordering. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij onvoldoende draagkracht hebben.
36. Vast staat dat niet binnen de termijnen aan de last is voldaan, zodat van rechtswege het maximumbedrag aan dwangsommen is verbeurd. Gelet op wat onder 31.1 is overwogen is er evenwel aanleiding om de invorderingsbesluiten te vernietigen voor zover daarbij dwangsommen ter hoogte van € 1.562.500,- zijn ingevorderd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de bedragen aan te passen naar € 781.250,-.
Conclusie en gevolgen
37. Het beroep is gegrond omdat de bestreden besluiten en de invorderingsbesluiten in strijd zijn met het motiverings-en zorgvuldigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter vernietigt de bestreden besluiten en invorderingsbesluiten voor zover daarbij de primaire besluiten ten aanzien van de hoogte van de dwangsommen in stand zijn gelaten en het college de dwangsommen ter hoogte van € 1.562.500 heeft ingevorderd. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak door de primaire besluiten te herroepen en de hoogte van de dwangsommen te halveren naar € 156.250,- per week met een maximum van € 781.250,- en bepaalt dat de invorderingsbesluiten zien op maximum € 781.250,-. Omdat de beroepen gegrond zijn en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht van de beroepen en voorlopige voorzieningen aan eisers vergoeden. Dit is in de zaak ROT 25/5518 € 385,-, in zaak ROT 26/6277 € 397,-, in zaak ROT 26/5519 € 194,- en in zaak ROT 26/6281
€ 200,-. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) € 2.802,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend (1 punt van € 934,-), een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend (1 punt van € 934,-) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt van € 934,-). De voorzieningenrechter merkt de zaken aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten voor zover het de hoogte van de dwangsommen betreft;
- vernietig de invorderingsbesluiten voor zover daarin dwangsommen van € 1.562.500,- zijn ingevorderd;
- herroept de primaire besluiten voor zover daarin is beslist dat de hoogte van de dwangsommen is bepaald op € 312.500,- per week met een maximum van € 1.562.500,-;
- bepaalt de hoogte van de lasten op € 156.250,- per week met een maximum van € 781.250,-;
- bepaalt dat de invorderingsbesluiten zien op een maximum verbeurde bedrag van ieder € 781.250,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van in totaal € 1.176,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:3
Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 5:6
Het bestuursorgaan legt geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is.
Artikel 5:32b
[…].
3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
[…].
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[…],
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
[…].
Artikel 22.1. (tijdelijk deel omgevingsplan)
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet,
[…].
Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 3.5. (specifieke zorgplicht: bestaande bouwwerken)
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Artikel 6.6. (aansturingsartikel)
De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.6 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.
Artikel 6.7. (gebruiksmelding)
1. Het is verboden een bouwwerk te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden.
[…].
Besluit kwaliteit leefomgeving