RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724050 / JE RK 26-1504
Datum uitspraak: 4 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1],
[naam pleegvader] en [naam pleegmoeder],
hierna te noemen de pleegvader en de pleegmoeder, tezamen de pleegouders, wonende in [woonplaats 2].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 28 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam];
- de pleegouders.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 9 september 2026.
3. Het verzoek van de GI
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI licht het verzoek ter zitting als volgt toe. De komende periode wordt hulpverlening voor [minderjarige] en de moeder opgestart en het perspectief van [minderjarige] onderzocht. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en wil daar blijven wonen. De bezoeken met moeder vinden eenmaal per twee weken plaats. De komende periode zal worden bekeken of en hoe deze bezoeken kunnen worden uitgebreid. Er is tijd nodig om tot een zorgvuldig onderzoek naar het perspectief te komen. Gelet op de lange wachtlijsten hiervoor, handhaaft de GI het verzoek voor de verzochte duur.
4. De standpunten
De moeder kan zich vinden in een voortzetting van het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin, zolang dit in het belang van [minderjarige] is. Zij wil echter haar rol als moeder weer oppakken en de omgang uitbreiden, zodat [minderjarige] ook bij haar thuis kan komen en uiteindelijk kan logeren. De moeder heeft inmiddels een eigen woning en ontvangt thuis begeleiding van het Leger des Heils. De stappen richting uitbreiding van het contact en perspectiefbepaling moeten zorgvuldig en geleidelijk worden gezet, maar het plan van de GI is nog onvoldoende concreet. De moeder verzoekt daarom de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot een half jaar, om een vinger aan de pols te houden.
De pleegouders vinden het belangrijk dat [minderjarige] rust en stabiliteit ervaart. Haar belang en tempo is leidend. De pleegvader ziet dat [minderjarige] zich inmiddels aan het pleeggezin heeft gehecht, goed functioneert op school en zich daar prettig voelt. [minderjarige] vraagt zelf actief of zij in het pleeggezin kan blijven wonen.
5. De beoordeling
De ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Haar perspectief is op dit moment nog onvoldoende duidelijk en zij kan nog niet terug naar de moeder. [minderjarige] verblijft inmiddels ruim een jaar in het pleeggezin en gaat ook vanuit daar naar school. Zij heeft zich daar na een aanvankelijk onzekere periode zichtbaar ontwikkeld en gehecht aan de pleegouders en de andere kinderen. [minderjarige] geeft duidelijk aan dat zij in het pleeggezin wil blijven wonen. Tegelijkertijd weegt de kinderrechter mee dat de situatie van de moeder de afgelopen periode is veranderd. De moeder beschikt inmiddels over een eigen woning, ontvangt thuis begeleiding en gaat schematherapie volgen. Ook wordt hulpverlening voor [minderjarige] opgestart. Het is echter nog onvoldoende duidelijk hoe deze ontwikkelingen zich zullen vertalen naar het opvoedperspectief van [minderjarige]. Een terugplaatsing bij de moeder is daarom op dit moment niet aan de orde.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het noodzakelijk is dat de GI zicht houdt op de ontwikkeling van [minderjarige], de ontwikkeling van de moeder en de mogelijkheden voor uitbreiding van het contact. Ook moet nog worden onderzocht waar het perspectief van [minderjarige] ligt. De daarvoor benodigde hulpverlening en perspectiefbepaling moeten nog worden opgestart. Het is van belang dat hier de komende tijd concrete stappen toe worden gezet. Zonder het kader van de ondertoezichtstelling bestaat onvoldoende zekerheid dat deze stappen daadwerkelijk en voortvarend worden gezet.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
De machtiging uithuisplaatsing
Ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en vindt daar stabiliteit en veiligheid. Alle betrokkenen zijn het er ter zitting over eens dat [minderjarige] daar voorlopig moet blijven. Op dit moment is echter nog onvoldoende onderzocht of terugkeer naar de moeder op termijn mogelijk is. Daarvoor is het nodig dat de situatie van de moeder verder stabiliseert, de ingezette hulpverlening van de grond komt en het contact met [minderjarige] zorgvuldig wordt opgebouwd en geëvalueerd.
Gelet op de nog jonge leeftijd van [minderjarige] en de ontwikkelingen van de moeder, ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere periode dan verzocht. Het is van belang dat binnen afzienbare tijd opnieuw wordt beoordeeld welke ontwikkeling de moeder en [minderjarige] hebben doorgemaakt en welke concrete stappen vervolgens in het belang van [minderjarige] kunnen worden gezet. De kinderrechter verlengt de machtiging daarom voor zes maanden en houdt de beslissing op het overige verzochte aan.
De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden) te overleggen over de dan huidige stand van zaken.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 9 september 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 maart 2027;
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 februari 2027 pro forma;
bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) de onder 5.8. verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad - de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mrs. L.E. Vos en A. Pereira Horta als griffiers, en op schrift gesteld op 17 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.