RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712862 / JE RK 26-15
Datum uitspraak: 3 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd in Rotterdam,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2024 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S.O. Zengin, kantoorhoudende in Den Haag,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd in Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 9 februari 2026 en
16 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de GI van 7 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum;
- de brief van de Raad met bijlagen van 17 juli 2026, ontvangen op 27 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
Bij beschikking van 16 juli 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 9 augustus 2026. Het overig verzochte is aangehouden.
3. Het aangehouden verzoek
De Raad heeft verzocht [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er is al beslist op de ondertoezichtstelling tot 9 september 2026. Er resteert nog een beslissing op de ondertoezichtstelling tot 9 februari 2027.
De Raad handhaaft het aangehouden verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het – onder verwijzing naar de brief van 17 juli 2026 met bijlagen, waaronder het raadsrapport van 16 juli 2026 – nader toe. Het klopt dat het sinds de vorige zitting rustiger is in de thuissituatie. Ondanks dat er recent geen escalaties meer hebben plaatsgevonden, laten de politiemeldingen wel zien dat het tot maart 2026 onrustig is geweest en zijn er bij de Raad meldingen bekend waar de moeder en de nieuwe partner van de moeder (hierna: de stiefvader) bij betrokken waren. De kinderen hebben veel gehoord en gezien van de spanningen en de escalaties tussen de moeder, de vader en de stiefvader in het verleden en dat is schadelijk voor hun ontwikkeling. Hiervoor is nog geen hulpverlening ingezet. De ondertoezichtstelling heeft lang op de wachtlijst van de GI gestaan en is pas in mei 2026 gestart. De vader houdt zich op dit moment afzijdig. Hoewel dat voor de nodige rust zorgt, is hij in zijn houding en gedrag onvoorspelbaar. Hierdoor hebben de kinderen op dit moment ook geen omgang met de vader. Met de regie van de GI moet hierin voor de kinderen meer duidelijkheid komen. Ook moet met de regie van de GI hulpverlening voor de kinderen worden ingezet, om te verwerken wat zij in het verleden hebben meegemaakt. De inzet van specifieke hulpverlening voor de moeder, zoals Mentalization Based Treatment van [zorg instelling] , zou in deze situatie ook passend zijn. Dit kan de moeder helpen beter om te gaan met haar persoonlijke problemen en emotieregulatie.
4. De standpunten
De GI ondersteunt het aangehouden verzoek van de Raad. Het is goed dat de moeder zich inzet om in het belang van de kinderen positieve stappen te zetten, maar er bestaan nog wel zorgen waarbij de regie van de GI nodig is. De thuissituatie van de moeder is, door de spanningen met de vader en de stiefvader, jarenlang onstabiel geweest. Hierin is nu een voorzichtige verbetering gekomen, maar de spanningen zijn niet volledig weggenomen. De kinderen hebben nog steeds geen contact met de vader en worden hierin regelmatig teleurgesteld. Met de betrokkenheid van de GI moet hierin meer duidelijkheid komen. Ook moet met de betrokkenheid van de GI passende (systemische) hulpverlening worden ingezet. De GI is sinds de ondertoezichtstelling van de kinderen onvoldoende actief geweest, maar er zijn nu jeugdbeschermers betrokken. Van hen kan worden verwacht dat de nodige stappen sneller worden gezet.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het aangehouden verzoek van de Raad. De moeder is bereid om overal aan mee te werken, maar binnen de ondertoezichtstelling zijn de afgelopen periode geen stappen gezet. De thuissituatie van de moeder is sterk verbeterd en de kinderen worden niet in hun ontwikkeling bedreigd. Het huis is altijd netjes, de kinderen zitten op sporten en gaan naar school of de peuterspeelzaal, en de moeder en de stiefvader helpen hen bij het maken van schoolwerk. De spanningen tussen de moeder en de stiefvader beperken zich tot normale discussies en lopen niet uit op incidenten. De vader houdt zich in het contact met de kinderen afzijdig en hierover bestaat voor de kinderen onduidelijkheid, maar in november 2026 wordt een verzoek van de moeder tot éénhoofdig gezag bij de rechtbank behandeld en de (verwachte positieve) uitkomst hiervan zal ook voor meer rust en duidelijkheid zorgen. Als hulpverlening voor de moeder en/of de kinderen nodig is, kan de moeder dit zelf regelen via de huisarts. De verdere betrokkenheid van de GI is daarom niet nodig.
5. De beoordeling
De nu 8-jarige [minderjarige 1] , de nu 6-jarige [minderjarige 2] en de nu 2-jarige [minderjarige 3] zijn bij beschikking van 9 februari 2026 onder toezicht gesteld, omdat er ernstige zorgen bestonden over de instabiliteit en onveiligheid in de opvoedsituatie. Uit de vele, verontrustende politiemutaties blijkt dat er onder andere sprake is geweest van langdurige spanningen en (fysieke) escalaties tussen de moeder, de vader en de stiefvader, waarbij de politie meerdere keren moest worden ingeschakeld. Dit heeft destijds geleid tot een contact- en locatieverbod voor de vader en een tijdelijk huisverbod voor de stiefvader. Daarnaast bestonden er zorgen dat de ouders onvoldoende emotioneel beschikbaar zijn voor de kinderen. Ook ontbrak het aan contact tussen de vader en de kinderen. Met de inzet van vrijwillige hulpverlening kon hun ontwikkelingsbedreiging niet worden weggenomen. Er moest meer zicht komen op de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie, bekeken worden welke hulpverlening passend is voor het gezin, en worden gewerkt aan het contact tussen de kinderen en de vader.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de GI gedurende de ondertoezichtstelling (zeer) beperkt betrokken is geweest. Ondanks dat het in de thuissituatie van de moeder rustiger is geworden, acht de kinderrechter de verdere betrokkenheid van de GI noodzakelijk. Er is nog niet gewerkt aan de doelen waarvoor de ondertoezichtstelling van de kinderen aanvankelijk is uitgesproken. De rust in de thuissituatie van de moeder komt vooral doordat de vader zich in het contact met de kinderen afzijdig houdt, en niet doordat door middel van hulpverlening positieve stappen zijn gezet en patronen zijn doorbroken. De vader is in het contact met de kinderen nog onvoorspelbaar, waardoor de kinderen regelmatig worden teleurgesteld. Daarnaast bestaan er nog spanningen tussen de moeder en de stiefvader. Het is van belang dat de komende periode door de GI actief regie wordt gevoerd, zodat hierin wel de nodige stappen kunnen worden gezet en de situatie duurzaam kan worden verbeterd.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daarom tot 9 februari 2027.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 9 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 16 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.