RECHTBANK Rotterdam
Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/725333 / KG ZA 26-898
Vonnis in kort geding van 3 september 2026
in de zaak van
[de vrouw] , hierna: de vrouw,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. N. Plaisier,
tegen
[de man] , hierna: de man,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie.
advocaat: mr. H. van Pelt – de Jong.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van de vrouw, betekend op 25 augustus 2026;- de conclusie van antwoord met producties van de man van 26 augustus 2026;- de berichten met producties van de vrouw van 26 augustus 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend en partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit.
Partijen hebben afspraken gemaakt in een ouderschapsplan, dat zij op 28 november 2025 en 5 december 2025 hebben ondertekend. In dit ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de minderjarige iedere maandag en donderdag van 7:00 uur tot 19:00 uur bij de man verblijft. Deze regeling wordt uitgebreid met een overnachting van zondag op maandag vanaf het moment dat de minderjarige anderhalf jaar oud is. Als de minderjarige twee jaar oud is, wordt de regeling nog verder uitgebreid met een tweede overnachting van woensdag op donderdag. Verder volgt uit het ouderschapsplan dat partijen totdat de minderjarige naar school gaat over de vakanties in onderling overleg afspraken maken. Partijen zijn overeengekomen dat zij elkaar toestemming geven voor een buitenlandse reis met de minderjarige, tenzij sprake is van een goede reden om bezwaar te hebben.
3. Het geschil
in conventie
De vrouw vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, - samengevat – aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige in de periode van 8 september tot en met 19 september 2026 te reizen naar [land 1] , [adres] en daar te verblijven.
De man voert verweer. De man stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de vrouw moet worden afgewezen. Subsidiair stelt de man dat als aan de vrouw wel vervangende toestemming wordt verleend voor de vakantie in duur beperkt wordt, zodat in ieder geval het geplande uitje naar de dierentuin op 10 september 2026 doorgang kan vinden, alsmede om daaraan de voorwaarden te verbinden (1) dat de vrouw de door de man gemiste zorgmomenten op (10,) 14 en 17 september 2026 binnen vier weken na terugkeer volledig compenseert, (2) dat de man gedurende de vakantie op vooraf vast te stellen momenten contact met de minderjarige kan hebben via videobellen en (3) dat de vrouw uiterlijk vóór vertrek alle reis-, verblijf- en bereikbaarheidsgegevens schriftelijk aan de man verstrekt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
De man vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan hem vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming de toestemming van de vrouw vervangt om met de minderjarige op vakantie te gaan naar [land 2] gedurende maximaal zeven aaneengesloten dagen en nachten in de periode van 27 december 2026 tot en met 5 januari 2027.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vordering van de man.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Vervangende toestemming vakantie vrouw
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vrouw vordert vervangende toestemming voor een vakantie vanaf 8 september. Daarmee is de spoedeisendheid bij haar vordering gegeven en gaat de voorzieningenrechter over tot de inhoudelijke beoordeling.
De wens van de vrouw om met de minderjarige op vakantie te gaan in september is invoelbaar. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat hij die wens van de vrouw ook begrijpt, maar dat hij in dit geval bezwaar heeft tegen de vakantie vanwege de korte termijn waarop zijn toestemming is verzocht en omdat de vrouw geen rekening heeft gehouden met de dagen waarop hij voor de minderjarige zorgt. De man heeft voor de zorgdagen in de periode van de geplande vakantie van de vrouw op zijn werk geregeld dat hij die dagen beschikbaar is en uitjes ingepland. Het is voor de rechtbank duidelijk geworden dat de man het heel belangrijk vindt dat in ieder geval het uitje dat gepland staat op 10 september 2026 met zijn ouders en grootmoeder naar [dierentuin] door kan gaan, met name ook gelet op de broze gezondheid van zijn grootmoeder. Bovendien heeft ook zijn moeder vrij van het werk genomen. De man staat minder afwijzend tegenover de vakantie van de vrouw als de vakantie in tijd beperkt wordt, zodat het uitje op 10 september door kan gaan en hij gecompenseerd wordt voor de andere twee zorgdagen die hij daardoor zal missen.
Tijdens de mondelinge behandeling is het partijen niet gelukt om alsnog afspraken te maken. De voorzieningenrechter beslist daarom en overweegt als volgt. De vrouw heeft de vakantie heel kort van tevoren aangekondigd en daarmee geen rekening gehouden met de planning van de man. Gelet op de consequenties van deze vakantie voor het belangrijke uitje van de man met zijn familie op 10 september 2026 acht de voorzieningenrechter het niet redelijk om de vakantie voor die datum te laten beginnen. De voorzieningenrechter bepaalt daarom dat de vrouw vervangende toestemming krijgt om met de minderjarige van 11 september 2026 tot en met 19 september 2026 naar [land 1] af te reizen, waarbij de twee omgangsmomenten die de man mist binnen een maand moeten worden ingehaald. Partijen moeten deze twee dagen in onderling overleg afspreken. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw haar vakantieplannen door deze beslissing moet aanpassen, maar niet is komen vast te staan dat de vrouw haar vakantie niet kan inkorten. De vrouw heeft namelijk toegelicht dat zij met de auto naar de camping zal rijden.
Verder acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. Vanwege de jonge leeftijd van de minderjarige is het voor hem belangrijk dat hij, op de dagen waarop hij normaalgesproken bij de man zou zijn, tijdens de vakantie een kort videobelmoment heeft met de man om 19:00 uur. Verder heeft de man al informatie over de verblijfplaats van de vrouw op de camping in [land 1] . Daarnaast moet de vrouw de man nog wel laten weten waar zij overnacht als ze tijdens de reis een tussenstop inlast. Ook als de plannen van de vrouw wijzigen moet zij dit de man laten weten.
in reconventie
Vervangende toestemming vakantie man
Ook voor de vordering van de man moet sprake zijn van een spoedeisend belang. Daarvoor geldt ook hetgeen is opgenomen onder 4.1.1.
De man vordert vervangende toestemming voor een vakantie van eind december 2026 tot begin januari 2027. Gelet op die periode is de spoedeisendheid niet meteen gegeven, de man heeft echter toegelicht dat de toestemming van belang is zodat hij verlof kan aanvragen en de tickets kan boeken. De vakantie van de man valt voor een deel in de schoolvakantie, waardoor het van belang kan zijn dat de man zijn verlof en de tickets op tijd regelt. Daarin ziet de voorzieningenrechter een spoedeisend belang en gaat dan ook over tot de inhoudelijke beoordeling.
Partijen hebben toegelicht dat zij door het sluiten van compromissen tot de zorgafspraken in het ouderschapsplan zijn gekomen. Voor de reguliere zorgregeling wilde de vrouw een geleidelijke opbouw, terwijl de man een snellere uitbreiding wilde. Uiteindelijk zijn partijen een opbouwregeling overeengekomen, waarbij de minderjarige twee dagen per week zonder overnachting bij de man is. Als de minderjarige in december anderhalf jaar oud is, wordt deze regeling uitgebreid met een overnachting per week. De door de man gewenste vakantie betekent dat de minderjarige eind december zes aaneengesloten nachten bij de man is. De vrouw heeft daar moeite mee, omdat de minderjarige dan nog maar net een aantal keer bij de man heeft overnacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vakantie van de man met de minderjarige te vroeg komt. De afspraak die partijen hebben gemaakt over de start van de eerste overnachting bij de man en de daaropvolgende opbouw is duidelijk. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken of afspraken over een eerdere overnachting gemaakt kunnen worden, zoals de man graag zou willen, maar bij de vrouw is daar op dit moment geen ruimte voor. Nu dat niet lukt zullen de gemaakte afspraken op korte termijn niet veranderen. De vordering van de man komt neer op een verzoek tot wijziging van de afspraken van partijen. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man af, omdat deze vordering niet in lijn is met de afspraken van partijen. Als de man andere afspraken wil maken en van mening is dat een andere regeling in het belang van de minderjarige is, moet hij daarover het gesprek voeren met de vrouw. De mogelijke discussie daarover hoort niet thuis in een kortgedingprocedure.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat partijen er goed aan zouden doen om samen, eventueel met behulp van hulpverlening, in gesprek te gaan. Het is goed dat partijen afspraken hebben gemaakt in een ouderschapsplan, maar bij allerlei omstandigheden kan het nodig zijn deze afspraken aan te passen aan nieuwe situaties. Daarbij is van het belang dat partijen een manier vinden om met elkaar te communiceren in het belang van de minderjarige.
in conventie en reconventie
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om van 11 september 2026 tot en met 19 september 2026 met de minderjarige te reizen naar [land 1] , [adres] en daar te verblijven, waarbij op de dagen in die periode waarop de man normaalgesproken voor de minderjarige zorgt een videobelmoment zal zijn om 19:00 uur en in de maand na de vakantie compensatie zal plaatsvinden voor de twee door de man gemiste zorgdagen, in die zin dat de man dan op twee andere dagen de zorg voor de minderjarige draagt, welke dagen partijen in onderling overleg zullen afspreken. Ook verstrekt de vrouw aan de man – voor zover zij dit nog niet gedaan heeft – relevante informatie over haar vakantie en de reis met de minderjarige,
bepaalt dat de vervangende toestemming onder 5.1. strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst af de vordering van de man,
in conventie en reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Berghuis-Knijff en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.