RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/722224 / FA RK 26-5189
Datum uitspraak: 2 september 2026
Beschikking van de rechtbank over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.C. Heijman, kantoorhoudende te Papendrecht,
tegen
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI.
In de adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de vader met producties, binnengekomen bij de rechtbank op 26 juni 2026;
het verweerschrift van de moeder met producties, binnengekomen bij de rechtbank op 3 juli 2026;
de brief van de pleegmoeder, binnengekomen bij de rechtbank op 1 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 september 2026. Gelijktijdig is het verzoek van de Raad over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing (zaaknummer / rekestnummer C/10/715002 / JE RK 26-309) behandeld, in welke zaak afzonderlijk mondeling uitspraak is gedaan. Gelet op de gelijktijdige behandeling heeft de rechtbank kennisgenomen van de briefrapportage van de Raad van 24 juni 2026.
Bij de zitting waren aanwezig:
de vader met mr. J.C. Heijman;
mr. R.W. de Gruijl;
de pleegmoeder (via een Teams-verbinding)
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De rechtbank heeft de minderjarige naar zijn mening gevraagd. De minderjarige heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder.
Bij beschikking van 11 maart 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 11 september 2026. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de pleegmoeder, verleend tot 11 september 2026.
Bij beschikking van 3 november 2023 is een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vastgesteld waarbij de uitvoering van die regeling wordt overgelaten aan het beleid van de gecertificeerde instelling ter verwezenlijking van de doelen van de ondertoezichtstelling, in die zin dat de gecertificeerde instelling de bevoegdheid heeft om tussen [minderjarige] en de moeder een zorgregeling vast te stellen waarbij minimaal een keer in de maand gedurende een half uur begeleide omgang plaatsvindt, die begeleid wordt door de gecertificeerde instelling ofwel een andere neutrale instantie. Wanneer de draagkracht van [minderjarige] dit toelaat en zolang de veiligheid is gewaarborgd, kan geleidelijke uitbreiding plaatsvinden naar - uiteindelijk - de door de moeder verzochte regeling. De gecertificeerde instelling heeft hierin de regie.
Sinds 24 juni 2025 willen de vader en de pleegmoeder niet meer meewerken aan de begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] vanwege bedreigingen die de moeder (en ook haar broers) herhaaldelijk heeft geuit en blijft uiten richting de vader, de stiefmoeder maar ook [minderjarige] betreffen.
3. Het verzoek
De vader verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] alleen aan hem toekomt en dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] wordt stopgezet.
4. De standpunten
Door en namens de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht in aanvulling op zijn verzoekschrift. Na de vorige zitting hebben er weer veel bedreigingen door de moeder aan het adres van de vader plaatsgevonden. Ondanks dat er is geprobeerd om deze bedreigingen te laten stoppen, lukt het de moeder niet om daarin een verandering aan te brengen. Op deze manier kan er geen omgang met [minderjarige] plaatsvinden. Het zou aan de moeder moeten zijn om te bewijzen dat zij is behandeld en dat de omgang kan worden opgestart. De moeder heeft zes jaar lang de kans gehad. Het kan niet van de vader, de pleegmoeder en van [minderjarige] gevraagd worden om telkens te onderzoeken of het misschien beter gaat met de moeder. De huidige situatie zorgt voor veel stress bij de vader en de pleegmoeder. Dit moet stoppen. Op dit moment kan er geen vorm van communicatie zijn tussen de vader en de moeder.
Namens de moeder wordt verzocht het verzoek van de vader af te wijzen. Daarbij wordt verwezen naar het verweerschrift. De moeder voelt zich onmachtig.
5. De informanten
De pleegmoeder brengt ter zitting naar voren dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vader eenhoofdig met het ouderlijk gezag wordt belast. Het is in het belang van [minderjarige] dat belangrijke beslissingen in de toekomst kunnen worden genomen, zonder belemmerd te worden door een gebrek aan medewerking of door voortdurende conflicten. Daarnaast lukt het simpelweg niet om met de moeder te communiceren, dus kunnen er ook geen afspraken worden gemaakt over het gezag. Daar komt bij dat de onvoorspelbare houding van moeder in het nakomen van de omgangsafspraken in het verleden, heel veel impact op [minderjarige] heeft gehad en daardoor schadelijk voor hem is.
De GI brengt ter zitting naar voren dat het gedrag van de moeder heel schadelijk en ontwrichtend is voor de vader en het gezin van de pleegmoeder. De GI staat achter het verzoek van de vader. Er wordt gezien dat de vader en de pleegmoeder het goed doen, ondanks dat zij niet meer samen zijn. Daarnaast is de GI van mening dat er niet aan omgang moet worden gewerkt.
6. Het advies van de Raad
De Raad adviseert om de vader te belasten met het eenhoofdig gezag. De moeder kan geen beslissingen nemen over [minderjarige] . Zij weet niet wat er in zijn leven speelt. Daarnaast stelt de Raad dat er sprake is van schadelijk oudergedrag. Het is niet gelukt om in het verleden de zorgregeling na te komen en de moeder dreigt met de ontvoering van [minderjarige] . De Raad acht het noodzakelijk dat er rust komt in het leven van de vader en de pleegmoeder. Dit zal ook voor rust voor [minderjarige] zorgen. De vader en de pleegmoeder zorgen goed voor hem.
Ten aanzien van de omgang adviseert de Raad om de omgang stop te zetten. Op dit moment zorgt het alleen voor onrust en is de omgang te belastend voor [minderjarige] . Het is niet in zijn belang dat de omgang krampachtig wordt opgestart en niet van de grond komt of dat de veiligheid van belangrijke mensen in zijn leven in gevaar komt. [minderjarige] moet begeleid worden in het verdragen en accepteren dat dit momenteel is wat het is. In de toekomst kan dit anders zijn. De moeder van [minderjarige] blijft zijn moeder. Ook als de moeder vanwege haar gedrag niet aanwezig kan zijn.
7. De beoordeling
Gezag
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Bij beschikking van 12 december 2022 zijn de vader en de moeder gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. Bij diezelfde beschikking is het verzoek van de vader om te worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] afgewezen. Op dat moment werd het niet in het belang van [minderjarige] geacht om het gezag van de moeder te beëindigen. Alhoewel de vader en de moeder een problematisch verleden kenden en er sprake was van forse persoonlijke problematiek aan de zijde van de moeder, werd er op dat moment geoordeeld dat de moeder nog de kans moest krijgen om haar leven op orde te brengen. Zij moest laten zien dat zij – in haar belang en dat van [minderjarige] – kon leren om haar frustratie en boosheid voldoende te beheersen om samen met de vader het gezag over [minderjarige] uit te kunnen oefenen.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat het de moeder tot op heden niet is gelukt om te werken aan haar persoonlijkheidsproblematiek; ze is nog steeds niet in staat haar boosheid en frustratie op enigerlei wijze reguleren. De moeder is dan ook niet in staat constructief met vader en pleegmoeder te communiceren.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag sprake is van gewijzigde omstandigheden. Deze gewijzigde omstandigheden zijn erin gelegen dat de relatie tussen de vader en de moeder sinds de aanvang enorm is verslechterd en op deze manier geen enkele vorm van samenwerking tussen de ouders kan plaatsvinden.
Voorts is de rechtbank met de Raad van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, omdat hij door deze situatie klem komt te zitten. De rechtbank wijst het verzoek van de vader dan ook toe en zal dit nog nader toelichten. Er is geen verandering gekomen in de voortdurende stroom van bedreigingen door de moeder aan het adres van de vader en de pleegmoeder en de zorgen rondom het gedrag van de moeder zijn nog onverminderd aanwezig. De moeder heeft zich daarbij uitgelaten richting de vader op een manier die de grenzen van wat daarin aanvaardbaar is, ruimschoots heeft overschreden. Dit alles heeft een enorme ontwrichtende impact op alle betrokkenen en dit maakt dat er nagenoeg geen communicatie mogelijk is. Dit blijkt ook wel uit de noodzaak van pleegmoeder te verhuizen naar een geheim adres. Gelet op de kansen die de moeder heeft gehad, is het niet te verwachten dat er binnen een afzienbare tijd verbetering in de verhouding tussen de vader en de moeder komt. Naar het oordeel van de rechtbank staat deze situatie er aan in de weg dat partijen belangrijke beslissingen over [minderjarige] samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn om vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige] kunnen voordoen. De rechtbank weegt ook mee dat het voor gezagsbeslissingen van belang is dat de gezagsdragers weten wat er speelt in het leven van [minderjarige] . Op dit moment is er geen omgang tussen [minderjarige] en de moeder, waardoor de moeder niet weet wat er speelt in het leven van [minderjarige] . Daarnaast zorgt de situatie waarin de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag zijn belast tot praktische problemen, waaronder het regelen van zaken rondom de zorgverzekering van [minderjarige] . Uit de brief van de pleegmoeder en de toelichting ter zitting blijkt dat ook in het verleden noodzakelijke zaken voor [minderjarige] niet of nauwelijks konden worden geregeld, vanwege een gebrek aan medewerking van de moeder. Ook heeft de huidige situatie ertoe geleid dat de pleegmoeder tot de conclusie is gekomen dat zij (indien deze situatie zich blijft voortzetten) de zorg voor [minderjarige] niet langer kan blijven dragen. Onder deze omstandigheden kan zij de veiligheid van haar gezin niet garanderen.
De rechtbank is van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd, omdat dat onder deze omstandigheden in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De jarenlange stroom van bedreigingen moet stoppen. De impact die dit heeft op het leven van de betrokkenen en [minderjarige] is enorm. Van de vader kan niet worden verwacht dat hij het gezamenlijk gezag met de moeder blijft uitoefenen.
Omgang
Omdat het gezag voortaan alleen aan de vader toekomt, zal hierna gesproken worden over een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (de omgangsregeling).
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De kinderrechter heeft in haar beschikking van 11 maart 2026 het volgende overwogen: De kinderrechter is van oordeel dat het doel om te werken aan herstel van de omgang een gepasseerd station is. De kinderrechter acht het onder deze omstandigheden niet in het belang van [minderjarige] om de ondertoezichtstelling te gebruiken om opnieuw omgang tussen [minderjarige] en de moeder op te starten.
Het hof heeft die beschikking bekrachtigd op 19 augustus 2026. Daarbij is het hof net als de kinderrechter van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om de ondertoezichtstelling te gebruiken om opnieuw omgang tussen [minderjarige] en de moeder op te starten.
De rechtbank is van oordeel dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] ernstig nadeel oplevert voor zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling en ook anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De continue stroom aan bedreigingen heeft een gigantische impact op de levens van de vader, de pleegmoeder en haar gezin. Er is op dit moment geen enkel zicht op een duurzame verbetering. In de afgelopen jaren is (tevergeefs) veelvuldig geprobeerd om de omgang van de moeder met [minderjarige] op te starten. Voor [minderjarige] is het enorm teleurstellend dat dit niet is gelukt. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat omgang op dit moment te belastend is en zorgt voor onrust. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat er rust komt. Daarvoor is het noodzakelijk dat er rust ontstaat bij de vader en de pleegmoeder. Zij nemen immers de dagelijkse zorg van [minderjarige] op zich.
Uit de toelichting ter zitting begrijpt de rechtbank dat alle betrokkenen het [minderjarige] zouden gunnen om positief contact met zijn moeder te hebben. De rechtbank is van mening dat de moeder eerst wezenlijk dient te veranderen, voordat er weer mogelijkheden zijn om te onderzoeken of omgang tussen haar en [minderjarige] kan plaatsvinden. Daarbij moet de moeder zelf gemotiveerd zijn om te veranderen en moet zij ook inzicht laten zien dat zij nu, door haar gedrag, geen goede moeder voor [minderjarige] is. Voor het opstarten van omgang in de toekomst is ook vereist dat moeder op geen enkele wijze agressie of bedreigingen richting het netwerk van [minderjarige] , waaronder vader en pleegmoeder, laat zien. Net als de advocaat van de vader is de rechtbank van oordeel dat het daarbij aan de moeder is om te laten zien dat zij is veranderd. Het is niet in het belang van [minderjarige] om telkens opnieuw te onderzoeken wat de omgangsmogelijkheden zijn.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder het recht op omgang voor onbepaalde tijd moet worden ontzegt.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
8. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de [minderjarige] voortaan aan de vader alleen toekomt;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
wijzigt de van de in de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2023 neergelegde regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat aan de moeder het recht op omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd wordt ontzegd;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.