RECHTBANK ROTTERDAM
[naam 1] en [naam 2] , uit [plaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, het college
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/6541 (beroep) en ROT 26/6542 (vovo)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. S. Oord),
en
(gemachtigde: mr. M.J.A. Verhees en mr. P.J. van Bruggen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Hoveniersbedrijf Baan Hofman B.V. uit Dordrecht (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers).
Procesverloop
1. Met het besluit van 30 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning op de locatie [adres 1] te [plaats] , kadastraal bekend als [kadasternummer] (de locatie).
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, [naam 3] en de gemachtigde van vergunninghoudster.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 2 juli 2021 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘planologisch afwijken’ op de locatie. Vergunninghoudster is voornemens een hoveniersbedrijf met kwekerij, een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning op de locatie te realiseren.
3. Eisers zijn woonachtig aan de [adres 2] te [plaats] en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. De vergunning ziet alleen op het perceel ( [perceelnummer 1] ). Voor de in- en uitrit van de locatie op het perceel [perceelnummer 2] is afzonderlijk een omgevingsvergunning verleend.
4. Met het besluit van 23 mei 2023 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend. Bij uitspraak van deze rechtbank van 15 november 2024 (ROT 23/4135) is het besluit van 23 mei 2023 vernietigd wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
5. Vergunninghoudster en het college zijn naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 15 november 2024 met elkaar in overleg getreden. Vergunninghoudster heeft naar aanleiding hiervan haar aanvraag aangevuld/verduidelijkt met onder andere een aangepaste ruimtelijke onderbouwing, een akoestisch rapport, een duidelijke situatietekening en nadere tekeningen van de paardenstal.
6. Het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontwerp van het bestreden besluit heeft van 3 november 2025 tot en met 15 december 2025 ter inzage gelegen. Eisers hebben daartegen tijdig een zienswijze ingediend. De gemeenteraad Dordrecht heeft op 24 juni 2026 voor het project een verklaring van geen bedenkingen afgegeven aan verweerder.
7. Met het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo;
aanleggen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo;
planologisch afwijken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (hierna: c-activiteit).
Het bouwplan kan als volgt worden gespecificeerd:
Bedrijfsgebouw
Het bedrijfsgebouw bestaat uit één langwerpig hoofdvolume met daarin een deel bedrijfsloods, een kantoor en een ruimte voor opslag. Het bedrijfsgebouw heeft een lengte van ca. 34 meter, een breedte van ca. 11,4 meter, een goothoogte van ca. 3 meter en een bouwhoogte van ca. 7,57 meter.
Bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken
De bedrijfswoning heeft een oppervlakte van 166,4 m2, een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 2,5 meter en 7 meter en een inhoud van 790 m3. Vóór de voorgevellijn van de bedrijfswoning wordt een aantal bijbehorende bouwwerken gerealiseerd. Het gaat hier om een paardenstal (48 m2) met een omheinde paddock (88 m2), een poetsplaats (48 m2) en een omheinde longeercirkel met een diameter van 15 meter.
Daarnaast worden er twee omheinde paardenweiden gerealiseerd. Deze worden uitgevoerd met ronde houten palen met een hoogte van 1,20 meter, waaraan 2 schrikdraden worden bevestigd op circa 0,65 en 1,10 meter vanaf de grond. Deze bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden gebruikt voor het hobbymatig houden van maximaal vier paarden.
Het bouwplan en de vestiging van een hoveniersbedrijf zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Nieuwe Dordtse Biesbosch” (het bestemmingsplan) omdat op het perceel een recreatieve bestemming rust die een dergelijke bedrijfsmatige functie en een (bedrijfs)woning niet toestaat.
Toetsingskader
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 2 juli 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
9. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Spoedeisend belang
10. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt vast dat vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij zo snel mogelijk met de werkzaamheden wil beginnen. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat er op dit moment in de verzoekschriftprocedure sprake is van een spoedeisend belang.
Kortsluiten
11. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat er geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep.
Onduidelijkheid aanvragen
13. Eisers betogen dat het college voor het bouwplan in redelijkheid geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. Daartoe stellen zij in de eerste plaats dat het college ten onrechte, ondanks dat vergunninghoudster bij e-mail van 26 januari 2024 de aanvraag van 21 juli 2021 heeft aangevuld en het college heeft verzocht om de aanvraag voor [perceelnummer 1] in te passen in de aanvraag voor [perceelnummer 2] , twee omgevingsvergunningen heeft verleend.
Eisers hebben ter zitting toegelicht dat hun stelling voornamelijk een verzuchting is geweest uit onvrede met de procedure. Voor zover de stelling wel als een beroepsgrond moet worden aangemerkt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze niet slaagt. De voorzieningenrechter ziet niet hoe de omstandigheid dat het college alsnog twee omgevingsvergunningen heeft verleend, de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan raken. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen is in het stelsel van de Wabo geen plaats voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Het uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is. In de uitspraak van deze rechtbank van 28 december 2023 is reeds geoordeeld dat tussen het aanleggen van de inrit op het perceel [perceelnummer 2] en het vestigen van het hoveniersbedrijf op het perceel [perceelnummer 1] geen sprake is van onlosmakelijke samenhang zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo. Vergunninghoudster heeft ter zitting nog toegelicht dat, gelet op de komst van de Omgevingswet, zij er uiteindelijk toch voor heeft gekozen om de Wabo van toepassing te laten zijn op de aanvragen en de twee reeds ingediende aanvragen niet in te trekken en dus twee afzonderlijke omgevingsvergunningen te willen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het aan vergunninghoudster, wat er verder ook zij van de e-mail van 26 januari 2024, om te bepalen voor welke activiteiten zij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het verlenen van twee omgevingsvergunningen in plaats van één in dit geval in strijd is met de Wabo. Het college heeft zich aan de Wabo te houden. De handelswijze van het college is op dit punt ook anderszins niet in strijd met het recht.
Goede ruimtelijke ordening
14. Eisers betogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Eisers voeren hiertoe aan dat door het college ten onrechte wordt verwezen naar een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak van minder dan 500 m2 en dat het van belang is dat in de ruimtelijke onderbouwing en de onderliggende rapporten de feiten correct worden gepresenteerd. Een richtafstand van 50 meter zegt volgens eisers wel degelijk iets over de ruimtelijke impact op de omgeving. Daarnaast dient de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een afstand korter dan 30 meter respectievelijk 10 meter adequaat beoordeeld te worden en dienen de uitgangspunten die tot een positief oordeel zouden kunnen leiden rechtens geborgd zijn. Dat is thans niet het geval. Het bestreden besluit bevat ten aanzien van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar geen voorschriften, zodat niet valt in te zien hoe in zoverre gehandhaafd zou kunnen worden. De uitgangspunten in het onderliggende akoestisch rapport van De Roever bieden daarvoor geen grondslag. Evenmin is duidelijk hoe gehandhaafd zou kunnen worden op basis van de aanvraag. Eisers verwijzen verder nog naar het door hen ingebrachte akoestisch onderzoek van [naam akoestisch adviseur] van 25 juli 2025, waaruit blijkt dat het stellen van voorschriften over het uitsluiten van activiteiten waarmee geen rekening is gehouden en de begrenzing in tijd (07:00 – 18:00 uur) van activiteiten die wel zijn meegenomen in de akoestische onderbouwing van De Roever noodzakelijk is.
15. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
16. De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting duidelijk is geworden dat het geschil zich met name toespitst op de vraag of de bedrijfsactiviteiten van het hoveniersbedrijf van vergunninghoudster voldoende duidelijk zijn omschreven in het bestreden besluit. Dit is namelijk van belang voor de vraag wat de ruimtelijke gevolgen daarvan zijn.
Uit het bestreden besluit blijkt dat de werkzaamheden van het hoveniersbedrijf, te weten aanleg van tuinen en groenonderhoud, hoofdzakelijk bij de klant zelf plaatsvinden en ook dat de meeste producten in dat verband (zoals bijvoorbeeld grond en materiaal, planten en dergelijke) rechtstreeks bij de klant zullen worden afgeleverd. De voorzieningenrechter kan dit volgen. Dit brengt een belangrijke beperking mee van de ruimtelijke gevolgen die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van het bouwplan. Dit neemt niet weg dat de vestiging van het bedrijf met een bedrijfswoning op de locatie uiteraard ook een ruimtelijke uitstraling heeft op de directe omgeving, waaronder de woonomgeving van eisers. Van belang is om vast te stellen van welke activiteiten in dat verband moet worden uitgegaan. De ruimtelijke onderbouwing van DAR Bouwadvies van 20 maart 2025 (ruimtelijke onderbouwing) en het rapport Akoestisch onderzoek industrielawaai van De Roever omgevingsadvies van 21 februari 2024 (akoestisch onderzoek) zijn onderdeel van het bestreden besluit. Uit de ruimtelijke onderbouwing (pagina 8) blijkt dat ten behoeve van projecten de meeste materialen al op de projectlocatie worden geleverd. Materialen die niet rechtstreeks op de locatie geleverd kunnen worden, worden tijdelijk opgeslagen op de locatie. In hoofdstuk 3 (vanaf pagina 9) van het akoestisch onderzoek is de representatieve bedrijfssituatie beschreven. Hieruit volgt dat werknemers van vergunninghoudster op werkdagen tussen 07:00 – 07:30 uur op de locatie aankomen en de aanhangers aan de bedrijfsbussen koppelen. Rond 7:30 – 08:00 uur vertrekken de werknemers vervolgens naar het desbetreffende project. Tussen 16:00 uur en 17:00 uur komen de werknemers weer terug naar de locatie. Tijdens werkdagen is het soms mogelijk dat werknemers tussendoor op de locatie zullen komen om extra machines/materiaal op te halen of om te lunchen. Op de locatie zelf zullen (lichte) werkzaamheden plaatsvinden, zowel binnen het bedrijfsgebouw als ter plaatse van de velden ten behoeve van de plantenkwekerij. Ten behoeve van het hoveniersbedrijf, inclusief kwekerij, zal sprake zijn van maximaal 15 voertuigen met personenwagens en maximaal tien voertuigen met bedrijfswagens (eventueel met een aanhanger) op een maatgevende dag. Ook zal sprake zijn van maximaal één vrachtwagen op een maatgevende dag. Het inladen door de werknemers van vergunninghoudster betreft de benodigde gereedschappen en machines. Dit is inclusief klein materiaal dat nodig is voor het desbetreffende project. Vergunninghoudster beschikt over een rupsdumper, een zitmaaier en een rupsgraafmachine. Deze machines zullen alleen worden ingezet op externe locaties. Er zullen geen werkzaamheden met deze machines plaatsvinden op het eigen terrein. Bij het laden en lossen van de bedrijfswagens of de vrachtwagen zal mogelijk sprake zijn van de inzet van een heftruck of minishovel. De heftruck zal maximaal 0,5 uur per dag en de minishovel zal maximaal 0,25 uur per dag gebruikt worden op het buitenterrein (laden/lossen). Binnen het bedrijfsgebouw vinden enkel lichte (handmatige) werkzaamheden plaats met betrekking tot het in elkaar zetten van schuttingen, het maken van schotten ten behoeve van beschoeiingen en het maken van maatwerk overkappingen en overig houtwerk. Daarnaast zal sprake zijn van opslag en verplaatsen van materialen met een heftruck. Tijdens de inpandige werkzaamheden zullen de overheaddeuren gesloten zijn. Ook zal er af en toe gewerkt worden ten behoeve van de kwekerij zoals het handmatig snoeien en handmatig oppotten van bomen en heesters. De zone aan de noordzijde van het bedrijfsgebouw zal (deels) in gebruik worden genomen als opslag van planten ten behoeve van het hoveniersbedrijf en (deels) als showtuin. Verder zal er geen compost worden opgeslagen en zal er bijvoorbeeld ook geen hout worden geshredderd.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het hoveniersbedrijf van vergunninghoudster voldoende duidelijk is omschreven in het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken. De omgevingsvergunning is verleend op grondslag van en overeenkomstig de aanvraag met de daarbij behorende stukken. Uit het bestreden besluit, en de ruimtelijke onderbouwing en het akoestisch onderzoek die daarvan dus onderdeel uitmaken, blijkt voldoende duidelijk welke activiteiten en werkzaamheden op de locatie zullen plaatsvinden. Bovendien zijn voor zover noodzakelijk ook voorschriften aan de vergunning verbonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het hoveniersbedrijf van vergunningshoudster daarmee op grond van het bestreden besluit voldoende ruimtelijk begrensd. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat het hoveniersbedrijf door het bestreden besluit beperkt wordt in haar werkzaamheden en activiteiten op de locatie. De stelling van eisers dat de activiteiten van vergunninghoudster niet handhaafbaar zijn, volgt de voorzieningenrechter niet omdat het bestreden besluit en de onderliggende ruimtelijke onderbouwing en het akoestisch onderzoek daar voldoende grondslag voor bieden. Het voorgaande brengt mee dat het college, in het kader van de vraag of de vestiging van het hoveniersbedrijf, zoals aangevraagd, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, van de juiste representatieve bedrijfsactiviteiten met de daarbij behorende ruimtelijke gevolgen is uitgegaan.
Ten aanzien van de stelling van eisers over de richtafstanden bestaat er bij de voorzieningenrechter twijfel over de vraag of het college van de juiste richtafstanden is uitgegaan zoals bedoeld in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG-brochure). Met eisers betwijfelt de voorzieningenrechter of het college terecht is uitgegaan van een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlakte van minder dan 500 m2. Maar wat daar verder ook van zij, niet in geschil is dat de projectlocatie op zeven meter van eisers woning ligt. zodat sowieso niet wordt voldaan aan de volgens het college aan te houden richtafstand van 30 meter geluid en ook niet aan de volgens eisers aan te houden richtafstand van 50 meter voor dat aspect. Welke richtafstand hier geldt, kan daarom in het midden blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook bij een richtafstand van 50 meter nog steeds heeft te gelden dat het aan het college is om aan te geven waarom de vestiging van het hoveniersbedrijf op een afstand van 7 meter van de woning van eisers in afwijking van de in de VNG-brochure aanvaardbaar is geacht. Het betreft immers aanbevolen afstanden waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Volgens het bestreden besluit blijkt uit het akoestisch onderzoek dat voor de representatieve bedrijfssituatie wordt uitgegaan van één vrachtwagen op een maatgevende dag met een mogelijkheid tot maximaal drie vrachtwagens in een maatgevende week. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het toestaan van hogere geluidniveaus voor de maximale geluidnorm vanwege het optrekken en de remontluchting van een vrachtwagen, onder het stellen van een voorschrift waarbij het aantal verkeersbewegingen van deze vrachtwagens wordt vastgelegd, middels stap 4 van de VNG-brochure niet zal leiden tot een onevenredige verslechtering van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving. Het college heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van alle woningen, inclusief tuinen, in de omgeving voldaan wordt aan de richt- en grenswaarden in het kader van het langtijdgemiddeld- beoordelingsniveau en de indirecte hinder. De overschrijding van de geluidniveaus heeft alleen betrekking op piekgeluiden die worden veroorzaakt door een beperkt aantal verkeersbewegingen gedurende de dagperiode. Daarnaast vindt de hoogste overschrijding plaats in de tuin behorende bij de woning van eisers. Anders dan een woning betreft dit geen gevoelige ruimte. In wat eisers verder hebben aangevoerd over de te verwachten geluidhinder, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het college de geluidsituatie ter plaatse van de woning van eisers als gevolg van de voorziene vestiging van het hoveniersbedrijf onvoldoende heeft onderzocht of dat het college van de onjuiste representatieve bedrijfssituatie is uitgegaan. Het college heeft zich daarbij mogen baseren op de door de vergunninghoudster ingediende “Onderzoek bedrijven en milieuzonering”, “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai” en “Akoestisch onderzoeken industrielawaai”, alle van De Roever. In wat eisers daar tegen hebben ingebracht, onder meer in de vorm van de bevindingen van hun geluidsdeskundige [naam akoestisch adviseur] in het rapport van 25 juli 2025, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten om aan de conclusies van De Roever te twijfelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de te verwachten geluidhinder beperkt zal blijven.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat het bestreden besluit, zoals eisers ook stellen, geen voorschriften bevat voor de aspecten geur, stof en gevaar. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eisers stellen daar echter ook geen aanleiding toe. Uit het bestreden besluit blijkt dat de aspecten geur, stof en gevaar zijn meegewogen in de afweging van het college of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft hierbij mogen betrekken dat voor het aspect geur geen maatgevende geurbronnen worden verwacht op het perceel. Er zal bijvoorbeeld geen opslag voor compost plaatsvinden. Het aspect stof is in het rapport luchtkwaliteitsonderzoek van De Roever van 19 april 2024 beoordeeld. Hieruit blijkt kortgezegd dat het project aan de gestelde voorwaarden uit de geldende milieuregelgeving voldoet. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat als er al gevaarlijke stoffen op het terrein aanwezig kunnen zijn die maatgevend zijn voor het aspect gevaar, opslag in het bedrijfsgebouw zal plaatsvinden. Het bedrijfsgebouw staat op 57 meter van de dichtstbijzijnde woning en dus ruim buiten de richtafstand van tien meter voor het aspect gevaar. De voorzieningenrechter volgt het college hierin. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat uit het bestreden besluit en het akoestisch onderzoek blijkt dat de activiteiten van vergunninghoudster, inclusief het komen en gaan, plaats zullen vinden binnen de dagperiode tussen 07:00 en 19:00 uur op maandag tot en met vrijdag. Daarvan is het college dus terecht uitgegaan bij het beoordelen van de ruimtelijke gevolgen. Wanneer achteraf blijkt dat vergunninghoudster zich niet aan deze tijden houdt, dan is dat een kwestie van handhaving.
Duidelijk is dat de situatie op het perceel naast hun woning voor eisers gaat veranderen. Voorheen werden er paarden op het perceel gehouden en heeft het een tijd braak gelegen. Het voorziene hoveniersbedrijf met bedrijfswoning brengt een ander gebruik met zich dat ontegenzeggelijk gevolgen heeft voor eisers. Tegelijkertijd kan er niet aan worden voorbij gegaan dat het perceel volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan een recreatieve bestemming heeft, zodat ook zonder de bestreden omgevingsvergunning een (veel) intensiever gebruik dan het huidige gebruik al is toegestaan. Het college heeft daar een groot gewicht aan kunnen toekennen in de belangenafweging. Het college heeft in dat opzicht de vergelijking gemaakt van het beoogde hoveniersbedrijf met de in het bestemmingsplan reeds toegestane functie van een manege en het standpunt ingenomen dat deze functies voor wat betreft milieubelasting vergelijkbaar zijn. De voorzieningenrechter vindt die vergelijking goed te volgen en begrijpelijk. Op de omliggende percelen zijn ook al maneges gevestigd. Wat de bedrijfswoning betreft is die functie met de daarbij behorende gevolgen vergelijkbaar met andere woningen die er al zijn aan de [straatnaam] , met inbegrip van de woning van eisers zelf. Ook de huidige bestemming staat niet aan het door eisers genoemde reguliere groenonderhoud, waarvan zij overlast stellen te ondervinden, in de weg en dat is dus niet iets wat specifiek in de belangenafweging van de verleende omgevingsvergunning diende te worden betrokken. Al met al vindt de voorzieningenrechter dat het college na afweging van alle belangen zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van de vestiging van een hoveniersbedrijf met bedrijfswoning op het perceel voor het woon- en leefklimaat van eisers niet onaanvaardbaar zijn, zodat het project in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog van eisers slaagt niet.
Provinciale verordening en Omgevingsvisie
17. Eisers betogen dat het bouwplan zich niet verdraagt met het in de verordening aangewezen provinciale stiltegebied. Een zelfstandige toetsing aan de stiltefunctie ontbreekt, omdat in de ruimtelijke onderbouwing noch anderszins is onderbouwd hoe de vergunde ontwikkeling zich verhoudt tot het voorkomen en beperken van geluidbelasting in stiltegebieden. Eiser stellen verder dat het college zich ten onrechte houdt aan hetgeen op grond van het bestemmingsplan reeds is toegestaan, omdat de ruimtelijke keuzes uit 2014 niet maatgevend kunnen zijn voor de ruimtelijke keuzes 12 jaar later.
Op grond van artikel 3.16 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (Omgevingsverordening) is het verboden zonder omgevingsvergunning een stiltegebiedactiviteit als bedoeld in artikel 3.11, te verrichten, voor zover het gaat om:
a. gebruiken van een toestel waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord;
b. het rijden met een motorrijtuig buiten de weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen;
c. het houden van een toertocht voor motorrijtuigen;
d. het deelnemen aan een toertocht voor motorrijtuigen;
e. het varen met een watervoertuig, zoals een motorboot of waterscooter,
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bouwplan niet is meegenomen in de beoordeling of sprake is van een vergunningplichtige stiltegebiedactiviteit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich echter terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vergunningplichtige stiltegebiedactiviteit zoals bedoeld in artikel 3.11 van de Omgevingsverordening. De algemene stelling van eisers dat de hier aan de orde zijnde ruimtelijke ontwikkeling niet past in een stiltegebied zoals bedoeld in de Omgevingsverordening, volgt de voorzieningenrechter niet. Zoals het college en vergunninghoudster hebben toegelicht en ook uit de toelichting bij de Omgevingsverordening blijkt, betekent een stiltegebied niet dat er helemaal geen verstoring van stilte mag zijn. Het college heeft van belang kunnen achten dat bij het beoogde hoveniersbedrijf de meeste machines slechts gestald worden en dat de werkzaamheden van het hoveniersbedrijf grotendeels bij klanten elders zullen plaatsvinden. Uit het akoestisch rapport blijkt dat er op de bedrijfslocatie beperkt gebruik zal worden gemaakt van een minishovel en een heftruck. De minishovel zal maximaal een kwartier per dag gebruikt worden en de heftruck maximaal een half uur per dag. Daarnaast is in het bestreden besluit het gebruik van een vrachtwagen gemaximeerd tot drie keer per week. De voorzieningenrechter volgt het college verder in het standpunt dat het planperceel omsloten is door twee maneges en zich aan de rand van de stad bevindt en dat de impact van het geluid dat afkomstig is van het beoogde hoveniersbedrijf vergelijkbaar is met de twee maneges. Naar het oordeel van de voorzieningenechter heeft het college hiermee voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen sprake is van een vergunningplichtige stiltegebiedactiviteit en evenmin sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het stiltegebied. De stelling van eisers dat het college in de motivering ten onrechte rekening houdt met hetgeen op grond van het bestemmingsplan reeds is toegestaan, slaagt niet omdat de recreatieve bestemming op grond van het bestemmingsplan zoals het nu geldt het uitgangspunt is.
Het betoog van eisers slaagt niet.
18. Eisers betogen dat sprake is van strijd met de Omgevingsvisie Dordrecht 2026 (Omgevingsvisie).
Het uitgangspunt in de Omgevingsvisie voor het buitengebied zijn de functies natuur, recreatie en agrarisch. In het bestreden besluit staat dat dit initiatief niet past binnen deze functies. Ook is wonen niet toegestaan en zijn alleen onder voorwaarden bedrijfswoningen bij agrariërs toegestaan. De ondergeschikte kwekerij is wel een agrarische functie, maar de hoofdbedrijfsvoering, het hoveniersbedrijf, is geen agrarische functie. Dit initiatief draagt niet bij aan de recreatieve functie van het gebied of de natuur- en agrarische functie. De prioritaire omgevingsvisiedoelen voor het poldergebied zijn behoud biodiversiteit en gezonde stad. Uitgangspunt van biodiversiteit en gezonde stad is het behoud en beschermen van natuurwaarden en de groene landschappelijke kwaliteit. Nieuwe functies mogen de natuur niet aantasten. Voor een plan in strijd met het omgevingsplan kan alsnog medewerking worden verleend (ja, mits benadering) indien het initiatief geen afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit zoals beschreven in de omgevingsvisie.
Op grond van het bestreden besluit en de (op dit punt aangepaste) ruimtelijke onderbouwing heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd waarom het project in afwijking van de Omgevingsvisie toch is toegestaan op de locatie. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op het project in relatie tot de prioritaire doelstellingen gezonde stad, biodiversiteit, en de doelen energieneutraliteit en klimaatadaptief, aantrekkelijke stad en vestigingsklimaat. Het college heeft onderbouwd dat en waarom het project geen afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit zoals omschreven in de Omgevingsvisie. Daarbij heeft het college er op gewezen dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift is verbonden dat ziet op de maatregelen voor het inrichtingsplan ten behoeve van biodiversiteit. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de door het college gegeven motivering de afwijking van de Omgevingsvisie niet kan dragen. Het betoog van eisers slaagt niet.
Noodzaak bedrijfswoning
19. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college de noodzaak en de aanvaardbaarheid van de bedrijfswoning onvoldoende heeft onderbouwd. Het college heeft ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt waarom bewoning op de locatie noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Eisers stellen dat uit de ruimtelijke onderbouwing immers blijkt dat de bedrijfsactiviteiten grotendeels elders plaatsvinden en materialen zoveel mogelijk rechtstreeks naar projectlocaties gaan. Eisers stellen zich daarom dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een extra woning in het buitengebied in samenhang met een nieuwe functie, ruimtelijk aanvaardbaar is.
Niet in geschil is dat op grond van de planregels een bedrijfswoning op de locatie niet is toegestaan. In de eerste plaats volgt de voorzieningenrechter het standpunt van het college in verweer dat de verwijzing van eisers naar rechtspraak over de noodzaak van een bedrijfswoning geen doel treft, in die zin dat het hier niet gaat over de vraag of aan een (toepassings)voorwaarde in de planregels, waarin de eis is vervat dat de noodzaak van een bedrijfswoning dient te worden aangetoond, is voldaan. Of een bedrijfswoning inpasbaar is op de locatie is een ruimtelijke afweging die het college dient te maken in het kader van de vraag of het in afwijking van het bestemmingsplan medewerking wil verlenen aan het bouwplan. Daarbij heeft het college zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat vergunninghoudster een redelijk belang heeft om bij zijn bedrijf te kunnen wonen. Voor wat betreft de vraag of de bedrijfswoning planologisch inpasbaar is, overweegt de voorzieningenrechter dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locatie zich bevindt aan de stadsrand en dat de bedrijfswoning wordt gevestigd in een overgangsgebied van ‘stad’ naar ‘platteland’. Daarnaast is het perceel omringd door twee maneges aan de zuid- en westzijde, paardenweides aan de oostzijde en dijkwoningen aan de noordzijde. Ook is het perceel door middel van opgaande beplanting grotendeels afgeschermd van de omgeving. Ter zitting heeft het college nog onbetwist verklaard dat de afstand tussen de te realiseren bedrijfswoning van vergunninghoudster en de perceelgrens van eisers circa 70 meter bedraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat het toevoegen van een bedrijfswoning op de locatie geen dan wel minimale impact zal hebben op de omgeving. Gelet hierop valt niet in te zien dat eisers door het toestaan van een woonfunctie op de locatie onevenredig zou worden benadeeld. Het betoog van eisers slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
20. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning geweigerd voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, indien: de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo.
Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 3, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Bestemmingsplan “Nieuwe Dordtse Biesbosch”
Het bestemmingsplan “Nieuwe Dordtse Biesbosch” (bestemmingsplan) is van toepassing. De grond waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd heeft in het bestemmingsplan de enkelbestemming “Recreatie - 1” en de dubbelbestemming “Waarde-archeologie-2”.
Artikel 11 Recreatie – 1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Recreatie –‘ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
dagrecreatie;
recreatieve dienstverlening;
maneges of pensionstallen;
volkstuinen;
tuincentrum;
agrarisch bedrijf;
agrarisch loonbedrijf;
natuurontwikkeling
groenvoorzieningen;
water, waterpartijen, recreatieplas en kreken;
bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, paden, parkeervoorzieningen, strandjes en speelvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in lid 11.3.
Artikel 21 Waarde - Archeologie - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor “Waarde – Archeologie-2” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van en de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 29.1.