RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724352 / JE RK 26-1549
Datum uitspraak: 1 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en benoeming bijzondere curator
in de zaak van
de Raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. I. van Troost, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling [zorg instelling],
gevestigd in [vestigingsplaats], hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 4 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
- de brief van [minderjarige] van 22 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 24 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 7 juni 2026 voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juni 2026 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 september 2026.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad heeft een ernstige ontwikkelingsbedreiging gezien bij [minderjarige] . De ontwikkelingsbedreiging is gelegen in een opeenstapeling van gebeurtenissen. [minderjarige] is minderjarig en zwanger. De ouders van [minderjarige] staan niet achter de zwangerschap. Hierdoor is het contact tussen [minderjarige] en haar familie verloren gegaan. De vader wil [minderjarige] niet meer zien en ook de moeder wenst voorlopig geen contactherstel. Zowel de vader als de moeder hebben aangegeven dat [minderjarige] weer thuis kan wonen als ze voor een abortus kiest. Er bestaan daarnaast ook zorgen over de veiligheid van [minderjarige] . De ouders zijn nu niet bereid en niet in staat om [minderjarige] een veilige plek te bieden. De Raad is ambtshalve een onderzoek gestart naar de situatie van de ongeboren baby van [minderjarige] .
4. De standpunten
De GI stemt ter zitting in met het verzoek van de Raad. De ouders van [minderjarige] willen op dit moment niks met haar te maken hebben. [minderjarige] is in januari 2027 uitgerekend. Een bijzondere curator zou [minderjarige] in de loop van de komende periode kunnen helpen zodat zij wordt gesteund en haar belangen goed vertegenwoordigd worden.
Namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De situatie rondom [minderjarige] raakt de moeder enorm. De moeder is emotioneel en de afgelopen periode valt haar mentaal zwaar. Gezien de omstandigheden voert de moeder geen verweer tegen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Dit heeft te maken met de keuze van [minderjarige] om de zwangerschap voort te zetten. De moeder kan zich niet verenigen met de ingrijpende beslissing van [minderjarige] en de gevolgen die dit met zich meebrengt. Dat betekent niet dat de situatie niets met de moeder doet, integendeel. Het raakt haar daarnaast ontzettend dat er in het raadsrapport oude dossiers naar voren zijn gehaald, zonder toestemming van de ouders, en dat deze dossiers met de huidige situatie zijn vermengd. Gebeurtenissen uit het verleden zijn nu in een andere context gebruikt om een beeld te vormen van de moeder. De moeder ervaart dat zij in haar moederrol negatief wordt neergezet terwijl zij altijd heeft geprobeerd het beste te geven aan [minderjarige] . Met betrekking tot de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de moeder om de periode van de twee maatregelen gelijk te trekken. De moeder vindt het onwenselijk en belastend dat er kort na elkaar meerdere zittingen moeten plaatsvinden. Tot slot wordt namens de moeder naar voren gebracht dat er geen sprake is van gevaar voor eerwraak of mishandeling naar [minderjarige] toe. Namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de aanstelling van een bijzondere curator.
5. De beoordeling
Verzoek tot ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing:
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is zestien jaar oud en in verwachting van haar eerste kind. [minderjarige] woonde tot begin juni 2026 bij de ouders thuis maar daar ontstonden zorgen over [minderjarige] ’s veiligheid. De familie en het netwerk van [minderjarige] wijzen haar zwangerschap sterk af en er bestaan aanwijzingen voor eergerelateerd geweld. Sinds enkele weken verblijft [minderjarige] daarom in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder op een geheime locatie. Hoewel de accommodatie voor de lange termijn geen plek kan bieden aan [minderjarige] , vanwege haar zwangerschap, biedt de plaatsing [minderjarige] momenteel rust en veiligheid. [minderjarige] ontwikkelt zich positief en heeft een goede band met de begeleiding en groepsgenoten. Toch blijven er ook zorgen bestaan over de gevolgen van de zwangerschap voor de nog zo jonge [minderjarige] . Een zwangerschap op jonge leeftijd waarbij geen voorzieningen zijn getroffen voor de komst van de baby, brengt ingrijpende risico’s en veranderingen met zich mee. Zeker nu de gezaghebbende ouders [minderjarige] op dit moment geen veilige en stabiele thuissituatie willen en kunnen bieden. Naar het oordeel van de kinderrechter is er gelet op deze situatie geen minder ingrijpende maatregel dan een machtiging tot uithuisplaatsing mogelijk. De ouders en [minderjarige] zijn het hiermee eens.
Het is noodzakelijk dat de GI de komende periode, in overleg met en in het belang van [minderjarige] , gaat bekijken wat er moet gebeuren om [minderjarige] en haar ongeboren kind zich gezond en veilig te laten ontwikkelen. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor een kortere duur dan is verzocht, te weten tot 1 april 2027. De reden hiervoor is dat de kinderrechter zicht wil houden op de situatie van [minderjarige] en haar nu nog ongeboren kind. Gezien deze (kortere) termijn verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ook tot 1 april 2027. Het resterende deel van de verzoeken wordt aangehouden tot de hierna te noemen zitting.
De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk een week voorafgaand aan de hierna te noemen zittingsdatum schriftelijk te rapporteren over de actuele stand van zaken op dat moment, met afschrift aan [minderjarige] , de moeder, de vader en mr. I. van Troost.
Benoeming bijzondere curator:
Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank – kort gezegd -, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.
De kinderrechter is van oordeel dat van een dergelijke situatie hier sprake is. Zoals uit het hiervoor vermelde al blijkt, kunnen en willen de ouders op dit moment niet voor [minderjarige] en haar (ongeboren) kind zorgen. Er is geen contact tussen hen. [minderjarige] wordt met veel (juridische) kwesties geconfronteerd. Gelet hierop en gelet op de omstandigheden waarin [minderjarige] zich bevindt, acht de kinderrechter het noodzakelijk om een bijzondere curator voor haar te benoemen.
Mr. L.A. Middelkoop heeft zich bereid verklaard de benoeming tot bijzondere curator van [minderjarige] te aanvaarden. De rechtbank benoemt mr. L.A. Middelkoop daarom als bijzondere curator van [minderjarige] , met als opdracht haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen en al het nodige te doen wat in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. In het bijzonder, maar niet uitsluitend, moet aandacht besteed worden aan:- de vraag waar [minderjarige] op termijn het beste kan wonen met haar baby;- welke hulpverlening en/of begeleiding [minderjarige] en de baby nodig hebben;- de relatie met haar ouders en broer;- de gevolgen voor de juridische status van de baby van het feit dat [minderjarige] minderjarig is.
De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren op grond van artikel 1:250 BW, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, in acht te nemen.
De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk een week voorafgaand aan de hierna te vermelde datum een rapportage (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en aan de advocaat van de moeder) te overleggen met haar bevindingen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling [zorg instelling], gevestigd in [vestigingsplaats], met ingang van 1 september 2026 tot 1 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 april 2027;
benoemt tot bijzondere curator om [minderjarige] in en buiten rechte te vertegenwoordigen: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende aan de [straatnaam], [postcode] te [locatie ];
bepaalt dat de benoeming tot bijzondere curator (vooralsnog) geldt voor de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
houdt de beslissing op het verzoek aan en roept de GI, de moeder en haar advocaat, de vader en mr. L.A. Middelkoop op te verschijnen tijdens de mondeling behandeling op 9 maart 2027 om 14:00 uur in het gerechtsgebouw in Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125;
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de moeder en haar advocaat, de vader en mr. L.A. Middelkoop;
verzoekt de griffie [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;
verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden, mr. I. van Troost en de bijzondere curator) de verzochte rapportage te doen toekomen;
verzoekt de bijzondere curator uiterlijk een week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en mr. I. van Troost) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.