RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/723263 / JE RK 26-1396
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen, kantoorhoudende in Utrecht,
[naam pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juli 2026;
- het verweerschrift van de moeder, met zelfstandig verzoek, met bijlagen van 26 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- drie vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] ;
- de pleegmoeder met haar advocaat.
De pleegvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegvader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
Bij beschikking van 2 maart 2021 is [voornaam minderjarige] onder voogdij gesteld van de pleegmoeder en de pleegvader.
[voornaam minderjarige] verblijft in een (ander) pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juni 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 18 maart 2027.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juni 2026 de machtiging verlengd [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 18 september 2026.
3. De verzoeken
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De pleegmoeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI van 5 augustus 2026 (gedeeltelijk) vervallen te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Het gaat om een verlenging voor de duur van een half jaar. Afgelopen woensdag is er een klachtbemiddelingsgesprek geweest, waarin de GI excuses heeft aangeboden aan de pleegmoeder voor hoe de behandeling van haar klacht is verlopen. In juli heeft de GI ook met de pleegmoeder gesproken en daaropvolgend is een schriftelijke aanwijzing gegeven. De GI voert ten aanzien van het verzoek tot vervallenverklaring van die schriftelijke aanwijzing geen verweer over de overschrijding van de wettelijke termijn. De GI geeft aan dat er een andere jeugdbeschermer bij zal komen. Deze jeugdbeschermer zal geleidelijk de rol van de huidige jeugdbeschermer gaan overnemen, maar het is ook belangrijk dat er eerst een vertrouwensband met [voornaam minderjarige] wordt opgebouwd die de huidige jeugdbeschermer al wel heeft. [voornaam minderjarige] is aangemeld voor ‘Tem je draak’, maar de pleegmoeder en de pleegvader moeten hier nog hun toestemming voor geven. De GI heeft geen reactie gekregen op hun verzoek hiertoe. Als de toestemming er is kan dit traject direct starten. [voornaam minderjarige] heeft verder een fijne vakantie gehad met zijn huidige pleeggezin en er is ook contact tussen beide pleegmoeders. [voornaam minderjarige] durft inmiddels ook meer zijn positiviteit over het pleeggezin te uiten richting de pleegmoeder. Daarnaast spreekt [voornaam minderjarige] ook uit dat hij de pleegmoeder en de pleegvader mist. Het is daarom goed dat de begeleide omgang met de pleegmoeder weer is opgestart. De vader is daar ook welkom. De omgang was nu op het kantoor van de GI, maar er wordt bekeken en overlegd, ook met [voornaam minderjarige] , wat een andere geschikte plek zou zijn. De GI geeft aan dat zij eigenlijk twee beelden van [voornaam minderjarige] te horen krijgen. Van de huidige pleegmoeder krijgen zij te horen dat het goed gaat met [voornaam minderjarige] , dat hij veel vrienden heeft op school en hij heeft ook een vriendinnetje in de straat. Dit uit [voornaam minderjarige] ook zelf. Aan de andere kant is er dus ook de brief van een leerkracht, die zegt dat zij niet de vrolijke [voornaam minderjarige] van vroeger zag toen zij met hem sprak. De leerkracht kent [voornaam minderjarige] goed en daarom neemt de GI dat signaal ook serieus. De GI heeft de omgangsmomenten van anderhalf uur teruggebracht naar één uur, omdat de GI zag dat de omgangsmomenten erg veel deden met [voornaam minderjarige] . De GI is bezig met Lelie Zorggroep om de omgang te gaan begeleiden. Door de pleegmoeder is om een specifieke medewerker gevraagd, maar die werkt eigenlijk in een andere regio. De GI zal gaan kijken of het alsnog te regelen valt dat deze persoon de omgang zal gaan begeleiden.
De pleegmoeder verzet zich tegen het verzoek van de GI. Door en namens de pleegmoeder wordt hiertoe het volgende naar voren gebracht. De pleegmoeder heeft afgelopen week voor het eerst in elf weken weer omgang gehad. De oudere broers van [voornaam minderjarige] waren er ook bij en het was erg fijn. De pleegmoeder geeft aan dat zij geen toestemming voor ‘Tem je draak’ heeft gegeven, omdat zij meent dat dit niet nodig is. De signalen die [voornaam minderjarige] laat zien zijn namelijk tekenen van heimwee. De pleegmoeder maakt dit op uit het feit dat de pleegmoeder ziet hoeveel het hem doet als [voornaam minderjarige] haar en de andere kinderen ziet. Heimwee valt niet te behandelen met therapie. Misschien dat er in de toekomst wel therapie nodig is, maar dan wil de pleegmoeder precies weten wat voor therapie het is en waarvoor de therapie nodig is. De GI houdt verder informatie achter over hoe het met [voornaam minderjarige] gaat. Hij zou een leuke vakantie hebben gehad, maar de GI vertelt daarbij niet dat hij ook is gevallen en zijn sleutelbeen heeft gebroken. De pleegvader zit nog altijd in een huisje in Zeeland. Alleen als hij storingsdienst heeft is hij thuis. Als er duidelijkheid is over de maatregelen wil de pleegvader weer terugkeren naar huis. In de ogen van de pleegmoeder en de pleegvader is er nooit iets gebeurd dus daarom vinden zij alles wat er is ingezet na de melding van het pleegmeisje erg heftig. De pleegvader is nog in behandeling bij De Waag. De pleegvader heeft een enorme klap gehad van de uithuisplaatsing, maar langzamerhand ziet de pleegmoeder dat hij weer beter in zijn vel zit. Volgens de pleegmoeder is met de GI besproken dat als [voornaam minderjarige] aangeeft dat hij behoefte heeft aan contact met de pleegvader dat de GI dit dan laat weten en dat de pleegvader dan kan aansluiten bij de omgangsmomenten. In de strafzaak wordt momenteel de betrouwbaarheid van het pleegmeisje verder onderzocht. De vader heeft een enorme stap naar achteren gezet door ergens anders te gaan wonen. De gedachte daarbij is dat de vader de reden was dat [voornaam minderjarige] uit huis is geplaatst, dus als de vader daar niet is, dan kan [voornaam minderjarige] weer zo spoedig mogelijk naar huis. De pleegouders willen dat [voornaam minderjarige] eerst terugkeert naar huis en dan kan vanuit die situatie worden gekeken naar de rol die de pleegvader kan gaan spelen. De pleegmoeder geeft verder aan dat ze bereid is om toestemming te geven voor een behandeling, maar dan wil ze daar eerst meer informatie over krijgen. De boosheid en emotionele onrust bij [voornaam minderjarige] die de GI omschrijft waren er ook al vóór de uithuisplaatsing, maar de pleegmoeder en de pleegvader wisten daar goed mee om te gaan. Het heeft ook te maken met zijn leeftijd en het feit dat hij begint te ontdekken dat de pleegouders niet zijn biologische ouders zijn. Dit blijkt ook uit de verslagen van pleegzorg. Volgens de pleegmoeder is aan de hand van het verzoekschrift niet duidelijk wat er nu in de afgelopen periode gebeurd is en waarom de verlenging noodzakelijk is. Er moet worden toegewerkt naar thuisplaatsing. Daarvoor moet er echt doorgepakt worden en dat doet de GI op dit moment niet. Er moet in ieder geval gestart worden met langere en frequentere omgang. Over de termijn om te verzoeken om vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing zegt de pleegmoeder dat haar advocaat op vakantie was en zij hem hier niet mee lastig wilde vallen. Vervolgens kwam dit pas naar voren toen de moeder en haar advocaat zich gingen voorbereiden op deze zitting.
5. De beoordeling
Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing:
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter is nog altijd van oordeel dat op dit moment de veiligheid van [voornaam minderjarige] niet gewaarborgd kan worden in de thuissituatie. Anders dan de pleegmoeder aanvoert, is de uithuisplaatsing niet alleen gegrond op de verdenking tegen de pleegvader en het lopende politieonderzoek, maar ook op andere zorgen in de thuissituatie bij pleegouders. Die zorgen zijn al benoemd in de eerdere beschikkingen. Daarnaast zou [voornaam minderjarige] tegen de jeugdbeschermer hebben verteld over een ‘geheim’ dat hij en de pleegvader zouden hebben. Hij wil daar verder tot nu toe niet over spreken. Op dit moment verblijft de pleegvader niet in het gezin, maar het is nog onduidelijk op welke manier de pleegouders in de toekomst de gezinssituatie willen gaan vormgeven. In de beschikking van 24 juni 2026 heeft de rechtbank overwogen dat de pleegouders een gebrek aan inzicht lijken te hebben als het gaat om de impact van hun handelen op – onder meer – [voornaam minderjarige] . Dit lijkt nog altijd het geval te zijn. Dit bemoeilijkt de inzet van hulpverlening in de thuissituatie en daarmee ook het toewerken naar een thuisplaatsing. Op dit moment is [voornaam minderjarige] daarom gebaat bij de continuïteit en stabiliteit die hij in het huidige pleeggezin ervaart. Binnen dit gezin lijkt [voornaam minderjarige] zich veilig en op zijn gemak te voelen. Toch wordt er ook gezien dat [voornaam minderjarige] erg bezig is met het inschatten van de veiligheid van situaties en het gedrag van volwassenen.
Voor de komende periode is het van belang dat er wordt bekeken hoe [voornaam minderjarige] zich ontwikkelt in het huidige pleeggezin. Verder moet geëvalueerd worden hoe de contactmomenten met de pleegmoeder, -broers en (indien wenselijk) ook pleegvader verlopen en of deze uitgebreid kunnen en moeten worden. Daarbij moet het belang van [voornaam minderjarige] ten alle tijden voorop staan. Verder zal de GI moeten proberen duidelijkheid te krijgen over de gezinsdynamiek en de rol van de pleegvader daarin, ook met het oog op de toekomst. Hiertoe moet de GI in gesprek gaan met de beide pleegouders. Ook moet met de pleegouders worden gesproken over de zorgen die ten grondslag liggen aan de huidige maatregelen en gekeken worden of pleegouders kunnen worden bewogen tot de inzet van individuele of systemische hulpverlening. Verder zal moeten worden bekeken waar de emotionele onrust bij [voornaam minderjarige] vandaan komt, zoals ook al overwogen in de beschikking van de rechtbank van 24 juni 2026. Anders dan de pleegmoeder is de kinderrechter van oordeel dat het feit dat dit alles de nodige tijd kost, niet gelegen is in een inadequate aanpak van de GI. De kinderrechter ziet dat de GI in de afgelopen periode stappen heeft gezet om meer duidelijkheid te kunnen geven over de klachten van [voornaam minderjarige] . Zo zijn er gesprekken met hem gevoerd en is er een aanmelding gedaan voor de interventie ‘Tem je draak’, wat een laagdrempelige manier kan zijn om zicht te krijgen op wat [voornaam minderjarige] dwars zit en of daarvoor verdere behandeling nodig is. Dit kan per direct starten, maar de pleegouders hebben hier nog geen toestemming voor gegeven. Daarnaast speelt ook een rol dat er een lopend politieonderzoek is dat de nodige tijd kost, dat de pleegvader in voorlopige hechtenis heeft verbleven, dat de pleegouders een periode uit contact zijn gegaan met de GI en de communicatie alleen lieten verlopen via hun advocaat en dat er weerstand is geweest van de pleegmoeder tegen de vaste jeugdbeschermer. De GI is de pleegouders inmiddels tegemoet gekomen door een extra jeugdbeschermer in te zetten. Het lijkt erop dat de communicatie sindsdien beter verloopt en dat er goede afspraken gemaakt kunnen worden over de omgangsmomenten. Een goede communicatie met de pleegouders is in het belang van [voornaam minderjarige] en de kinderrechter verwacht dat zowel de pleegouders als de GI zich hiervoor blijven inzetten.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de (gedeeltelijke) vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing
Op grond van artikel 1:263, eerste lid, BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.
Uit artikel 1:264, derde lid, BW volgt dat de termijn voor het indienen van een verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing twee weken bedraagt. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
Het verzoek dat namens de pleegmoeder is ingediend is na afloop van deze termijn ingediend. Dat de wettelijke termijn is overschreden staat niet ter discussie. Indien een verzoek als bedoeld in artikel 1:264, eerste lid BW ná afloop van deze termijn is ingediend dient de kinderrechter te beoordelen of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de verzoeker niet in verzuim is geweest. In dit geval is reeds op 23 juli 2026 aangekondigd dat de schriftelijke aanwijzing van 5 augustus 2026 verstuurd zou gaan worden. Vervolgens is het verzoek tot vervallenverklaring een week na afloop van de wettelijke termijn ingediend. Door of namens de pleegmoeder zijn hiervoor ter zitting redenen aangedragen, maar de kinderrechter kan niet redelijkerwijs oordelen dat de pleegmoeder vanwege deze redenen niet in verzuim is geweest met het overschrijden van de wettelijke termijn.
De kinderrechter verklaart daarom de pleegmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot (gedeeltelijke) vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 18 maart 2026;
verklaart de pleegmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot (gedeeltelijke) vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.