Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/717945 / FA RK 26-2893
Beschikking van 31 augustus 2026 over de adoptie
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna: verzoekster,
advocaat mr. G. Raap te Almere,
in welke zaak belanghebbende is:
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna: [belanghebbende] .
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2026;
het bericht met bijlage van verzoekster van 6 augustus 2026.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2. Aanvulling op de feiten
Op [geboortedatum] 2026 is te [geboorteplaats] geboren: [minderjarige] (hierna ook: de minderjarige), als zoon van [belanghebbende] .
3. De verdere beoordeling
In de (tussen)beschikking van 26 juni 2026 is de beslissing op het verzoek van verzoekster om de adoptie uit te spreken van het kind waarvan [belanghebbende] op dat moment zwanger was afgewezen, en is de beslissing op het zo opgevatte verzoek om de adoptie uit te spreken nadat het kind geboren zal zijn pro forma aangehouden. Ook de beslissing op het verzoek om te bepalen dat het – toen nog ongeboren – kind de achternaam [achternaam belanghebbende] - [achternaam verzoekster] zal dragen is pro forma aangehouden.
In de (tussen)beschikking is al overwogen dat de rechtbank van oordeel is dat adoptie door verzoekster in het belang is van het toen nog ongeboren kind en dat voldoende is gebleken dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vast staat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het toen nog ongeboren kind niets meer van de donor in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.
De rechtbank ziet geen aanleiding om hierop terug te komen. De rechtbank heeft nog steeds de overtuiging dat de verzochte adoptie in het kennelijk belang is van de minderjarige. Ook aan de overige in artikel 1:227 BW en 1:228 BW genoemde gronden en voorwaarden voor adoptie is voldaan. De rechtbank zal het verzoek tot adoptie dan ook toewijzen.
Omdat de minderjarige is geboren binnen de relatie van verzoekster en [belanghebbende] en de adoptie al vóór zijn geboorte is verzocht, werkt de adoptie op grond van het bepaalde in artikel 1:230 lid 2 eerste volzin BW terug tot het tijdstip van zijn geboorte.
Verder zal worden vermeld dat verzoekster en [persoon A] voor de minderjarige hebben gekozen voor de geslachtsnaam [achternaam belanghebbende] [achternaam verzoekster] , op grond van het bepaalde in artikel 1:5 lid 3 BW. In het verzoek is een koppelteken tussen beide achternamen opgenomen, maar bij een dubbele achternaam blijft het koppelteken achterwege. De rechtbank zal de achternaam op die manier vaststellen.
De rechtbank zal in verband met artikel 2 aanhef en onder k van het Besluit gezagsregisters bepalen dat, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister.
Ten slotte zal de rechtbank de griffier opdragen om, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:20e lid 1 BW, niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de adoptie van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 te [geboorteplaats] als zoon van [verzoekster] en [belanghebbende] ;
stelt vast dat [verzoekster] en [belanghebbende] hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [achternaam belanghebbende] [achternaam verzoekster] zal hebben;
bepaalt dat van deze beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van ‘t Zelfde, griffier, op 31 augustus 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.