[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. I. Metaal).
Inleiding
Met het besluit van 12 december 2024 is aan eiser een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) opgelegd. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft eiser om nadere inlichtingen gevraagd op 24 april 2026. De rechtbank heeft hierop geen reactie ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het CBR deelgenomen. Eiser is zonder kennisgeving vooraf niet verschenen, terwijl hij deugdelijk is opgeroepen. Eiser is per aangetekende brief uitgenodigd. Uit de track-and-tracecode blijkt dat hij de brief op 3 september 2026 heeft ontvangen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering
1. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser een herhaling zijn van zijn bezwaargronden. Het CBR is gemotiveerd op de bezwaargronden van eiser ingegaan. De rechtbank kan zich in de motivering van het CBR vinden en sluit zich daarbij aan.
2. Verder voert eiser aan dat het CBR had moeten wachten met het opleggen van de EMG totdat de rechter uitspraak zou hebben gedaan in de strafzaak die tegen hem loopt voor hetzelfde feitencomplex. Daarin volgt de rechtbank eiser niet. Het opleggen van een EMG heeft een eigen, bestuursrechtelijk toetsingskader. Er is geen rechtsregel die het CBR verplicht om te wachten tot de uitspraak in de strafzaak. Overigens heeft eiser, ook desgevraagd (namelijk bij brief), de rechtbank niet geïnformeerd over de status van de strafzaak.
3. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
4. Partijen zijn op de mogelijkheid gewezen om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026 door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.