RECHTBANK ROTTERDAM
26 26/6265
[verzoeker 1] , uit [plaats] , [verzoeker 1]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6265 en ROT 26/6585
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
26/6585
[verzoeker 2] en [verzoeker 3], verzoekers
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] )
tezamen aangeduid als: beide verzoekers,
en
(gemachtigde: mr. A. Zonneveld).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam bedrijf] . ( [naam bedrijf] ) namens Stichting Woonstad Rotterdam (Woonstad) uit Rotterdam (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. D.J. Blok).
Procesverloop
1. Met het besluit van 17 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft het college aan vergunnighoudster een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van 12 bomen nabij de [adres] in Rotterdam. Beide verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [verzoeker 1] , de gemachtigde van verzoekers, vergezeld door [verzoeker 2] , de gemachtigde van het college, de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [persoon A] ( [naam bedrijf] ) en [persoon B] (Woonstad).
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank op 18 september 2026 uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van beide verzoekers.
Totstandkoming van het besluit
4. Namens Woonstad is door [naam bedrijf] een aanvraag ingediend voor het vellen van 27 bomen aan de Marinus van der Stoepstraat en de Van de Leckestraat in Rotterdam. Aanleiding van de aanvraag is de herontwikkeling van het gebied waarbij de bestaande woningen worden gesloopt en daarvoor 207 nieuwbouwwoningen voor in de plaats komen (het project De Kralen). Voor de herontwikkeling is op 3 maart 2026 een omgevingsvergunning verleend.
5. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor 12 bomen met de nummers 9 t/m 16 en 19 t/m 21 en 27 op grond van artikel 22.8 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) en artikel 4:11b van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV). Voor de bomen met de nummers 23 t/m 26 is géén omgevingsvergunning benodigd, omdat de stamomtrek van deze bomen kleiner is dan 50 centimeter. De bomen met de nummers 1 t/m 8 en 22 zijn reeds geveld. Deze bomen zijn bij de verlening van de omgevingsvergunning om die reden buiten beschouwing gelaten. Deze vallen dan ook buiten de omvang van deze procedure. Voor de bomen met de nummers 17 en 18 is de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het college heeft met het bestreden besluit het voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat er minimaal 22 bomen moeten worden herplant tussen Marinus van der Stoepstraat en de Leckestraat zoals aangegeven in het aangeleverde document 08 (De Kralen planboek).
6. In geschil zijn de bomen 11 t/m 16 en 27.
Toetsingskader
7. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Weigeringsgronden uit artikel 4:11b, vierde lid, van de APV
8. Beide verzoekers betogen dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de in artikel 4:11b, vierde lid, van de APV genoemde waarden, dan wel dat het college gelet op die waarden onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er een zwaarder gewicht wordt toegekend aan de nieuwbouwproject De Kralen dan aan behoud van de bomen. Concreet gaat het daarbij volgens [verzoeker 1] om de bomen met de nummers 13 t/m 16 en voor verzoekers om 11 t/m 16 en 27. Deze bomen staan volgens beide verzoekers niet in de weg aan de nieuwbouw van het project De Kralen. De bomen verkeren volgens de bij de omgevingsvergunning gevoegde bomenlijst in goede conditie en zorgen voor schaduw, verkoeling en een groene ruimtelijke kwaliteit. Ook zijn ze beeldbepalend door deel uit te maken van de bestaande groenstructuur van de Weteringstraat en het aanliggende park de Nieuwe Plantage, aldus beide verzoekers. Verzoekers hebben direct zicht op deze bomen en met het vellen van de bomen zullen zij enkel nog zicht hebben op stenen. Beide verzoekers voeren verder aan dat de verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met gemeentelijk beleid, zoals de Bomenstructuurvisie, en de Nota van Uitgangspunten De Kralen, waaruit volgt dat de bestaande bomen en groen behouden moeten blijven. Het nieuwe groen dat deel uitmaakt van het project De Kralen zal decennia weinig tot geen bijdrage kunnen leveren aan vergroening, bestrijding van hittestress en andere ecosysteemdiensten, zodat dit ook op gespannen voet staat met het Rotterdams Weerwoord. Verzoekers kunnen het college ten aanzien van boom met nummer 14 niet volgen in zijn motivering dat er risico bestaat op windworp of instabiliteit, omdat niet afgewogen is dat als de bomen met de nummers 15 en 16 kunnen blijven staan er geen sprake zal zijn van windworp of instabiliteit. Ook is er volgens verzoekers een mogelijkheid om bomen te behouden door knikblok A3 van het bouwplan De Kralen achterwege te laten. Beide verzoekers voeren aan dat het college in zijn belangenafweging geen rekening heeft gehouden met de reeds negen gekapte bomen. [verzoeker 1] betoogt in dat verband dat het gelet op het illegaal vellen van negen bomen in rede ligt om een extra compensatie op te leggen. Beide verzoekers betogen dat de herplant van 22 bomen geen gelijkwaardige vervanging is van de grote bomen. [verzoeker 1] stelt dat niet duidelijk is waar de 22 bomen herplant moeten worden.
9. De voorzieningenrechter stelt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorop dat de beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand te verlenen een discretionaire bevoegdheid van het college betreft, waarbij het college de kapvergunning kan weigeren op grond van de in artikel 4.11b, vierde lid, van de APV genoemde weigeringsgronden. Er bestaat geen verplichting om een vergunning te weigeren zodra één van de in die bepaling genoemde waarden aan de orde is. Het college kan bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand zoals bedoeld in artikel 4.11b, vierde lid, van de APV alle relevante belangen meewegen. Dit betekent dat het college bij de beslissing om een kapvergunning te verlenen beleidsruimte heeft.
10. De voorzieningenrechter begrijpt het bestreden besluit aldus dat volgens het college in dit geval de weigeringsgrond bomen met natuurwaarde van toepassing is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college met het verweerschrift en de toelichting ter zitting voldoende uitgelegd waarom het de kap van de bomen noodzakelijk vindt, ondanks het feit dat sommige bomen in goede conditie zijn en ze een zekere natuurwaarde hebben. Het college heeft, mede gelet op de door vergunninghoudster bij de aanvraag gevoegde onderzoeken, ook voldoende gemotiveerd dat en waarom het meer gewicht heeft toegekend aan het belang van het nieuwbouwproject De Kralen, waarmee in deze wijk 207 nieuwe woningen worden gerealiseerd, dan aan het belang van behoud van de bomen. Hoewel de voorzieningenrechter de motivering van het bestreden besluit op dit punt op zichzelf nog onvoldoende vindt, kan het college dit in het besluit op bezwaar nader onderbouwen. Het verweerschrift en wat het college op zitting naar voren heeft gebracht bieden daarvoor voldoende basis. Onder verwijzing naar de Bomen Effect Analyse stelt het college dat de bomen binnen de projectie van de voorziene woningen, danwel binnen de drie meter noodzakelijke werkruimte van de woningen vallen, waardoor tijdens de bouwwerkzaamheden ernstige kroon- en/of wortelschade kan ontstaan. De voorzieningenrechter kan volgen dat om deze reden de in geding zijnde bomen niet behouden kunnen blijven. Het college is in dit verband terecht niet uitgegaan van de grenzen van het huidige bouwblok maar van de locatie waarop de nieuwe woningen zijn voorzien. Daarbij geldt het bouwplan De Kralen, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die in bezwaar is gehandhaafd, als uitgangspunt. Voor een aanpassing van dit bouwplan, zoals verzoekers voorstellen, is in het kader van deze procedure geen ruimte. De enkele stelling van [verzoeker 1] dat tijdens de werkzaamheden rekening kan worden gehouden met die bomen is in het licht van het deskundigenrapport dat het college aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd onvoldoende om aan te nemen dat de bomen behouden kunnen blijven. Verder volgt uit de Bomenstructuurvisie en de Nota van Uitgangspunten De Kralen, los van de juridische status van deze documenten, niet dat elke boom behouden moet blijven. Wel dient toereikend gemotiveerd te worden waarom in een concreet geval een boom gekapt moet worden. Die motivering is hier gegeven. In zijn belangenafweging mocht het college daarbij meewegen dat, door het verbinden van een rechtens afdwingbaar voorschrift aan de omgevingsvergunning, een verplichting tot herplant bestaat. Daarbij is aansluiting gezocht bij het bij de aanvraag behorende document [documentnummer] De Kralen planboek DO aanvulling. In dat document is een beplantingsplan opgenomen voor bomen, heesters en klimplanten en vaste planten. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop niet in dat de locatie van de in het bestreden besluit opgenomen verplichte herplant van 22 bomen onvoldoende duidelijk is. In het beplantingsplan staat duidelijk waar welke boom moet komen met welke omtrek. Minstens 22 van deze bomen moeten worden geplaatst. Gelet op dit beplantingsplan twijfelt de voorzieningenrechter er niet aan dat de binnenterreinen groen terugkeren. Dat het nieuwe groen volgens beide verzoekers bij aanvang nog niet gelijkwaardig is ten opzichte van het bestaande groen, maakt dit niet anders. De illegale kap van negen bomen is een kwestie van handhaving en daarom laat de voorzieningenrechter dat in deze procedure, waarin moet worden beoordeeld of het college toestemming mocht geven voor het kappen van bomen, buiten beschouwing. Het gaat immers niet om bomen waarvan de kap in de omgevingsvergunning is voorzien.
Participatie
11. [verzoeker 1] betoogt dat onvoldoende is voldaan aan participatie. Daartoe voert zij aan dat een initiatiefnemer verplicht is om in een vroeg stadium van de planontwikkeling contact te leggen met maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor een betere en groenere samenleving.
12. Het uitgangspunt onder de Ow is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin verplicht aan participatie moet worden gedaan. Participatie is in dit geval niet verplicht gesteld door de gemeenteraad. Uit de stukken volgt dat [verzoeker 1] wel is betrokken bij de aanvraag. Voorgaande betekent echter niet dat er een verplichting bestaat voor vergunninghoudster om aan participatie te voldoen. Nu participatie voor dit project niet verplicht is, kan de gestelde omstandigheid dat de participatie gebrekkig was, niet tot het oordeel leiden dat de omgevingsvergunning om die reden niet verleend had mogen worden.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat vergunninghoudster in afwachting van het besluit op bezwaar uitvoering mag geven aan de omgevingsvergunning door de bomen te kappen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[…],
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
[…].
Artikel 22.8. (omgevingsvergunning gemeentelijke verordening)
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012
Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
1° geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, of
2° bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor:
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor knotten of kandelaberen, indien:
Artikel 4:11a Aanvraag omgevingsvergunning
De vergunning wordt aangevraagd door degene, die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken, of diens gevolmachtigde.
Artikel 4:11b Weigering/verlening vergunning
1. Het bevoegd gezag verleent de vergunning, indien deze wordt gevraagd teneinde te voldoen:
2. Het bevoegd gezag betrekt bij zijn besluit de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.
3. Het bevoegd gezag kan bij zijn besluit tevens de overeenkomstig artikel 4:11i vastgestelde waarde van de betrokken boom of bomen betrekken.
4. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van:
5. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. De voorschriften kunnen inhouden dat binnen een daarbij aangegeven termijn en overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen vervangende beplanting moet worden aangebracht.
6. Indien de aanvraag voor een kapvergunning betrekking heeft op een gemeentelijke boom die voldoet aan de criteria genoemd in de bijlage van de vigerende Bomenstructuurvisie (BSV), en daardoor als monumentale boom is geïdentificeerd, wordt de vergunning niet verleend, behoudens:
7. Het college gaat niet eerder tot de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, onderdeel d, over dan vier weken nadat het de raad heeft geïnformeerd over de voorgenomen aanwijzing.