RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/724316 / JE RK 26-1539, C/10/724453 / JE RK 26-1558 en
C/10/725307 / JE RK 26-1665
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in België,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. D. Abotay, kantoorhoudende in Schiedam.
De kinderrechter merkt de GI aan als belanghebbende in de verzoeken van de Raad.
In het verzoek van de GI is de Raad gekend in het kader van zijn adviserende en/of toetsende taak.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 14 augustus 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken (geregistreerd onder zaaknummers C/10/724316 / JE RK 26-1539 en C/10/724453 / JE RK 26-1558);
het verzoekschrift van de GI van 24 augustus 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum (geregistreerd onder zaaknummer C/10/725307 / JE RK 26-1665);
het e-mailbericht met bijlagen van de advocaat van de vader van 26 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder (via een Teams-verbinding);
namens de vader zijn advocaat;
een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon B] en [persoon C] .
De vader kon als gevolg van problemen met de Teams-verbinding niet aan de zitting deelnemen. De advocaat van de vader heeft namens hem het woord gevoerd.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover (via een telefonische verbinding) een gesprek gevoerd met de kinderrechter, op hun verzoek in aanwezigheid van de bij het gezin betrokken jeugdconsulent. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] .
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] verblijven bij hun zus [naam zus] in [plaats 2] (België). 2.3. De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, heeft op 18 juli 2025 voor recht gezegd dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] toevertrouwd worden aan het milieu van de vader en bij de vader hun hoofdverblijfplaats hebben.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 augustus 2026 [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 3 november 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 31 augustus 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 2026 de al verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gewijzigd naar een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij zus [naam zus] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 augustus 2026 de beslissing op het resterende deel van de onderhavige verzoeken aangehouden tot deze zitting.
3. De (aangehouden) verzoeken
Ten aanzien van zaaknummer C/10/724316 / JE RK 26-1539
De Raad heeft verzocht [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hierop is al beslist. Ook heeft de Raad verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/724453 / JE RK 26-1558
De Raad heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te wijzigen in een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij zus [naam zus] .
Over de periode tot 31 augustus 2026 is al beslist. Er moet nog worden beslist over de periode tot 3 november 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/725307 / JE RK 26-1665 3.4. De GI verzoekt primair een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. Subsidiair verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis te verlenen en meer subsidiair een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, eveneens voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad brengt op de zitting naar voren dat een voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is. Er is gedegen onderzoek nodig voordat kan worden bepaald waar [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] duurzaam kunnen opgroeien. Een terugkeer naar de moeder in België is op dit moment nog niet aan de orde. Hoewel de moeder inmiddels over een woning beschikt, moet nog worden onderzocht of zij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] voldoende stabiliteit en structuur kan bieden. Ook een plaatsing bij de vader is op dit moment niet aangewezen. Er zijn zorgen over de eerdere opvoedsituatie bij de vader en die zorgen moeten nader worden onderzocht. Het is positief dat voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] een gezamenlijke plek bij [naam zorginstelling] beschikbaar is. Deze plek biedt de mogelijkheid om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] samen te laten verblijven, terwijl het onderzoek wordt voortgezet.4.2. De GI handhaaft op de zitting haar verzoek. De GI weet dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] het liefst bij de moeder in België willen wonen. De GI begrijpt die wens, maar vindt een terugplaatsing bij de moeder op dit moment nog niet verantwoord. De huidige situatie van de moeder moet eerst verder worden onderzocht. Er zijn in het verleden zorgen geweest over haar stabiliteit en voorspelbaarheid. Een terugkeer naar de vader is evenmin verantwoord. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] hebben ernstige zorgen geuit over hun eerdere verblijf bij de vader en hebben beiden duidelijk aangegeven niet bij hem te willen wonen. De verklaringen van de kinderen moeten nader worden onderzocht. De GI heeft daarnaast onderzocht of plaatsing binnen het netwerk mogelijk is. De grootouders vaderszijde hebben aangegeven dat zij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] niet opnieuw willen opvangen. Zij vinden dat zij eerder goed voor de kinderen hebben gezorgd, maar desondanks in de huidige situatie terecht zijn gekomen en dit niet nogmaals willen meemaken. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] hebben zij zich uiteindelijk nog enigszins bereid getoond, maar [voornaam minderjarige 1] kan niet bij hen verblijven. Ook is geen andere geschikte netwerkplek beschikbaar gebleken. De grootouders moederszijde zijn niet onderzocht als concrete plaatsingsmogelijkheid en verblijven bovendien voorlopig in het buitenland. In België is op dit moment evenmin een passende crisis- of netwerkplek beschikbaar. Daar bestaat ook het risico dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] van de ene tijdelijke plek naar de andere moeten verhuizen. Voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] is inmiddels een gezamenlijke plek beschikbaar bij [naam zorginstelling] in [plaats 3] , niet ver van België vandaan. Daar kunnen zij tot rust komen en stabiliseren. Vanuit die plek kan verder worden onderzocht waar hun toekomstperspectief ligt, waaronder de mogelijkheden bij de moeder en in België. Het is van groot belang dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] samen geplaatst blijven.
De moeder brengt op de zitting naar voren dat zij het niet eens is met een verdere plaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in Nederland. Zij wil dat de kinderen bij haar in België wonen. Haar situatie is inmiddels stabieler. Zij beschikt over een woning en vanuit de Belgische hulpverlening staat een huisbezoek ten aanzien van haar andere, jongere kind gepland. Zij wil dat ook wordt onderzocht of [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] bij haar kunnen wonen. De moeder erkent dat er zorgen zijn over het gedrag van [voornaam minderjarige 1] . [voornaam minderjarige 1] heeft veel meegemaakt. Beide kinderen hebben behoefte aan rust, stabiliteit en een vertrouwde omgeving. Als plaatsing bij de moeder nog niet mogelijk is, is het van groot belang dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] samen blijven en dat [voornaam minderjarige 1] niet afzonderlijk bij de vader of diens familie wordt geplaatst.
Namens de vader wordt op de zitting - nader - verweer gevoerd en verzocht (het resterende deel van) de verzoeken van de Raad en de GI af te wijzen. De vader wil het liefst dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] bij hem verblijven. De vader maakt zich in het bijzonder zorgen over het gedrag van [voornaam minderjarige 1] en over haar invloed op [voornaam minderjarige 1] . Ter onderbouwing daarvan heeft de vader enkele filmpjes ingebracht. [voornaam minderjarige 1] vertoont gedrag dat niet passend is bij haar leeftijd en zij is moeilijk aan te sturen. Subsidiair verzoekt de vader om [voornaam minderjarige 1] bij de vader te laten verblijven en [voornaam minderjarige 1] bij [naam zorginstelling] te plaatsen. Er moet worden voorkomen dat [voornaam minderjarige 1] negatief wordt beïnvloed door [voornaam minderjarige 1] . De vader is bereid mee te werken aan hulpverlening en aan het verdere onderzoek.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Bij beschikking van 14 augustus 2026 heeft de kinderrechter de beslissing op het resterende deel van de verzoeken van de Raad aangehouden tot deze zitting. De huidige machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] , die op verzoek van de Raad is verleend, loopt nog enkele dagen, tot en met 30 augustus 2026. Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] niet langer bij hun zus [naam zus] kunnen verblijven. Door haar jonge leeftijd en haar eigen woon- en leefsituatie kan [naam zus] de dagelijkse zorg voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] niet langer dragen. Inmiddels is bij [naam zorginstelling] in [plaats 3] , een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, een plek beschikbaar waar [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] samen kunnen verblijven. Zij kunnen daar vanaf 31 augustus 2026 worden geplaatst.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] hebben duidelijk aangegeven dat zij het liefst bij de moeder in België willen wonen. Op dit moment is echter niet duidelijk of de moeder hun op langere termijn een stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden. De Belgische rechter heeft een jaar geleden besloten dat de kinderen niet bij haar konden wonen. Zij heeft geruime tijd geen woning gehad en periodes in het buitenland verbleven. Haar jongste kind is uit huis geplaatst en nog niet terug gekeerd. Pas sinds kort heeft de moeder weer een woning.
Ook een plaatsing bij de vader is op dit moment niet passend. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] hebben ernstige zorgen geuit over hun eerdere verblijf bij de vader, terwijl de vader deze zorgen betwist. Daarbij weegt mee dat de kinderen consistent aangeven niet bij de vader (en zijn ouders) te willen wonen. Ook een afzonderlijke plaatsing bij de grootouders vaderszijde biedt op dit moment geen passend alternatief, gezien de onduidelijkheid over de opvoedsituatie van de kinderen in het afgelopen jaar. Binnen het overige netwerk is evenmin een concrete en veilige plek beschikbaar. Ook is er in België op dit moment geen passende plek beschikbaar buiten het netwerk waar [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] samen en voor langere tijd kunnen verblijven. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat de kinderen, gezien wat zij allemaal hebben meegemaakt, bij elkaar blijven. [voornaam minderjarige 1] heeft deze wens tijdens het gesprek met de kinderrechter nogmaals nadrukkelijk geuit.
Gelet op het voorgaande vindt de kinderrechter dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] . De plaatsing bij [naam zorginstelling] biedt hun de mogelijkheid om samen te blijven en meer rust en stabiliteit te verkrijgen, zonder dat zij op korte termijn opnieuw van verblijfplaats moeten wisselen. De ligging van [naam zorginstelling] , relatief dichtbij België en Rotterdam, maakt het bovendien mogelijk het contact met de moeder zoveel mogelijk te behouden en het contact met de vader waar mogelijk stapsgewijs te herstellen.
De komende periode moet worden gebruikt om verder onderzoek te doen naar het toekomstperspectief van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] . Daarbij moet worden gekeken naar de mogelijkheden van een toekomstig verblijf bij de moeder of de vader, de overige mogelijkheden in België en Nederland, het contact met beide ouders en wat nodig is om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] een veilige een stabiele opvoedsituatie te bieden. Ook moet aandacht worden besteed aan de onderlinge interactie tussen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] en aan hun individuele ontwikkeling en gedrag.
De Raad heeft verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg te verlengen voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 3 november 2026. De kinderrechter verlengt deze machtiging tot 1 september 2026 en wijst het verzoek voor het overige af. Omdat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] met ingang van 31 augustus 2026 bij [naam zorginstelling] kunnen worden geplaatst, wijst de kinderrechter het verzoek van de GI toe, voor zover dit ziet op een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging wordt verleend met ingang van 31 augustus 2026 tot 3 november 2026. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van zaaknummers C/10/724316 / JE RK 26-1539 en C/10/724453 / JE RK 26-1558: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij zus [naam zus] , tot 1 september 2026;
wijst af het meer of anders door de Raad verzochte;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/725307 / JE RK 26-1665:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 31 augustus 2026 tot 3 november 2026;
wijst af het meer of anders door de GI verzochte;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.