RECHTBANK Rotterdam
Team familie
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/724955 / KG ZA 26-878
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing in kort geding van 27 augustus 2026
in de zaak van
[naam man] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. I. van Troost,
tegen
[naam vrouw] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaten: mr. Z.C.E. Houben en mr. I.J.C. Eikelenboom.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van de man, betekend op 18 augustus 2026;- de conclusie van antwoord met producties van de vrouw van 25 augustus 2026;- de akte met producties van de man van 26 augustus 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaten en een tolk;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats 1];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2].
De man heeft de minderjarigen erkend.
De vrouw oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.
Partijen wonen samen met de minderjarigen in de woning in [locatie] en staan op dat adres ingeschreven. Op het moment van de mondelinge behandeling verblijft de vrouw met de minderjarigen in Spanje.
Partijen hebben de Spaanse nationaliteit.
De vrouw heeft op 14 augustus 2026 om 12.35 uur een verzoek ingediend bij de rechtbank in Arenys de Mar te Spanje. De man heeft op 14 augustus 2026 om 15.42 uur een kort geding-procedure aangevraagd bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam. De dagvaarding is betekend op 18 augustus 2026 en bij de rechtbank aangebracht op 21 augustus 2026.
3. Het geschil
De vorderingen
De man vordert – zoals tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt – primair, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad dat het de vrouw wordt verboden om met de minderjarige kinderen te verhuizen. De man vordert subsidiair, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw wordt bevolen om met de minderjarigen terug naar Nederland te verhuizen dan wel naar gemeente Rotterdam en de vrouw te verbieden de minderjarigen wederom buiten de Nederlandse landgrenzen te brengen, binnen twee dagen na de in deze te wijzen uitspraak. Meer subsidiair vordert de man de vrouw te bevelen om met de minderjarigen terug te keren naar Nederland althans de minderjarigen naar Nederland te laten terugkeren, binnen twee dagen na de in deze te wijzen uitspraak. Ook vordert de man voorwaardelijk voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad dat het tijdelijk gebruik van de (huur)woning aan hem toekomt voor de duur van de bodemprocedure.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter en vordert partijen te verwijzen naar de Spaanse rechter dan wel subsidiair niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man. De vrouw vordert in voorwaardelijke reconventie het tijdelijk gebruik van de woning aan de vrouw toe te wijzen, met uitsluiting van de man, voor de duur van de bodemprocedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Deze zaak heeft een internationaal privaatrechtelijk karakter. Partijen hebben de Spaanse nationaliteit en de vrouw heeft op 14 augustus 2026 een procedure tot het treffen van een spoedmaatregel in Spanje aanhangig gemaakt. Om die redenen moet de voorzieningenrechter beoordelen of zij bevoegd is om de vorderingen te behandelen.
Artikel 20 lid 2 van de Verordening (EU) 2019/111 (hierna: Brussel II-ter) bepaalt over onderling samenhangende procedures dat op het moment dat deze zaken dezelfde minderjarigen betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, de rechtbank waar de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhoudt tot de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, tenzij de bevoegdheid van één van de gerechten enkel is gebaseerd op artikel 15.
Artikel 15, lid 1, van genoemde verordening bepaalt dat in spoedeisende gevallen, zelfs wanneer het gerecht van een andere lidstaat ten gronde bevoegd is, de gerechten van een lidstaat de bevoegdheid hebben om voorlopige en bewarende maatregelen te nemen voorzien in het recht van die lidstaat betreffende a) een kind dat zich in die lidstaat bevindt; of b) vermogensbestanddelen van een kind die zich in die lidstaat bevinden. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat de ter uitvoering van lid 1 genomen maatregelen ophouden van toepassing te zijn, zodra het gerecht van de lidstaat dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die het passend acht.
De voorzieningenrechter constateert dat sprake is van twee spoedprocedures in Spanje en Nederland over dezelfde minderjarige kinderen en dat deze procedures berusten op dezelfde oorzaak dan wel vraagstelling, namelijk de verblijfplaats van de minderjarigen in afwachting van definitieve beslissingen. Uitspraken in deze procedures zullen botsen als in beide procedures verschillende, niet in lijn met elkaar zijnde, uitspraken worden gedaan.
De voorzieningenrechter constateert verder dat de procedure in Spanje eerder aanhangig is gemaakt. Door de toelichting van de vrouw die hierover juridisch advies bij een in Spanje gevestigde advocaat heeft ingewonnen, is voldoende komen vast te staan dat de procedure in Spanje aanhangig werd op 14 augustus 2026 om 12:35 uur, het moment waarop de vrouw haar verzoeken heeft ingediend. Weliswaar heeft ook de man op dezelfde dag een aanvraag voor een kort geding-procedure ingediend, maar dat was later, om 15.42 uur en los van het exacte tijdstip acht de voorzieningenrechter dat met de aanvraag voor een datum de procedure nog niet daadwerkelijk is aangevangen. Daarvoor geldt de datum waarop de betekende dagvaarding is aangebracht. De Spaanse procedure is dus eerder aanhangig gemaakt.
De rechtbank in Arenys de Mar te Spanje heeft op 19 augustus 2026 een uitspraak gedaan in de zaak, die de vrouw daar aanhangig heeft gemaakt. De vrouw heeft deze uitspraak laten vertalen en als productie 2 overgelegd. De voorzieningenrechter maakt daaruit op dat de rechtbank in Arenys de Mar zich bevoegd heeft verklaard om de zaak van de vrouw te beoordelen. De rechtbank in Arenys de Mar mocht zich bevoegd verklaren op grond van artikel 15 Brussel II-ter. De minderjarigen bevonden zich in Spanje op het moment dat de vrouw de procedure aanhangig maakte. De rechtbank in Spanje heeft op juiste gronden bevoegdheid aangenomen.
Gelet op artikel 15 en artikel 20 Brussel II-ter is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nu er sprake is van gelijksoortige procedures en omdat de rechtbank in Arenys de Mar zich bevoegd heeft verklaard en mocht verklaren, de Nederlandse voorzieningenrechter zich onbevoegd moet verklaren voor behandeling van de vorderingen van de man. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan de voorwaardelijke vordering van de man en de voorwaardelijke eis in reconventie van de vrouw. De rechtbank gaat daarom inhoudelijk niet in op die vorderingen en de standpunten van partijen daarover.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart zich onbevoegd over de vorderingen van partijen te beslissen,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Berghuis-Knijff, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026 en schriftelijk uitgewerkt op 3 september 2026.