RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714937 / JE RK 26-294, C/10/724600 / JE RK 26-1581 en C/10/725439 / JE RK 26-1686
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Beschikking
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. G.H. Kroon uit Gorinchem.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J-M.F. Honders uit Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[persoon A] , werkzaam bij [zorg instelling 1] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken (zaaknummer C/10/714937 / JE RK 26-294);
een briefrapportage van de Raad van 23 juli 2026 (zaaknummer C/10/714937 / JE RK 26-294);
het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 7 augustus 2026 (zaaknummer C/10/724600 / JE RK 26-1581)
het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2026 (zaaknummer C/10/725439 / JE RK 26-1686);
een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper van 24 augustus 2026 zaaknummer C/10/725439 / JE RK 26-1686).
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon B] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon C] .
De vader is, met afmelding, niet verschenen.
De kinderrechter heeft, met instemming van procespartijen, bijzondere toegang verleend aan [partner moeder] , de partner van de moeder.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, een apart gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [zorg instelling 2] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 3 maart 2026
onder toezicht gesteld tot 3 maart 2027. Daarnaast is bij deze beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 17 juli 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 juli 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 17 juli 2026 tot 1 september 2026. De beslissing is voor het overig verzochte aangehouden.
3. De verzoeken
Zaaknummer C/10/714937 / JE RK 26-294
De Raad heeft oorspronkelijk verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Blijkens de briefrapportage van 23 juli 2026 heeft de Raad het resterende deel van het verzoek ingetrokken.
Zaaknummer C/10/724600 / JE RK 26-1581
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Zaaknummer C/10/725439 / JE RK 26-1686
De GI verzoekt een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, waarbij het uitgangspunt is dat [minderjarige] bij [zorg instelling 2] verblijft en de gesloten voorziening bij [zorg instelling 1] uitsluitend kan worden ingezet als kortdurende time-out van maximaal 2 x 24 uur, overeenkomstig de voorwaarden uit het hulpverleningsplan.
4. De standpunten
De GI handhaaft ter zitting de verzoeken. Voor verblijf bij [zorg instelling 2] is een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp vereist. Deze instelling stelt dat als voorwaarde zodat een time-out bij [zorg instelling 1] kan worden ingezet indien dit nodig is. Dat is in het belang van ieders veiligheid. Voorlopig zal [minderjarige] bij [zorg instelling 2] kunnen verblijven. Zij zal misschien worden overgeplaatst naar een andere locatie, maar dat is niet zeker. Daarnaast is de GI voornemens om paardentherapie voor [minderjarige] in te zetten en om haar aan te melden bij de reguliere GGZ.
Door en namens de moeder is ter zitting ingestemd met de verzoeken. De moeder acht het wel van belang dat zij overal goed bij betrokken wordt. Er dient spoedig passende behandeling voor [minderjarige] te worden ingezet omdat zij tegen dingen aan blijft lopen en zij inmiddels al zestien jaar is; de tijd begint te dringen. Als het goed is zal er op 3 of 8 september 2026 een hulpverleningsplan worden opgesteld. De moeder stemt ermee in dat de zaak betreffende de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wordt aangehouden en schriftelijk wordt afgedaan op het moment dat aan alle eisen wordt voldaan.
Namens [minderjarige] is ter zitting ingestemd met de verzoeken. [minderjarige] heeft in feite geen keuze. Indien [zorg instelling 2] de eis van de voorwaardelijke machtiging stelt, kan [minderjarige] zich hier niet tegen verzetten. Namens [minderjarige] is ook ingestemd met het schriftelijk afdoen van het verzoek betreffende de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp op het moment dat aan alle eisen wordt voldaan.
[persoon A] heeft ter zitting naar voren gebracht dat er voor is gekozen om de aanmelding bij [zorg instelling 2] in combinatie met een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te doen omdat dit de snelste en meest zekere route was. Op die manier was er direct een passende plek beschikbaar voor [minderjarige] .
De stiefvader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij blij is met de huidige ontwikkelingen. Het is belangrijk dat er nu een stip aan de horizon komt zodat [minderjarige] weet waar zij naartoe kan werken. Het is daarom goed als er een plan zal worden opgesteld en dat er geregeld wordt geëvalueerd.
5. De beoordeling
Zaaknummer C/10/714937 / JE RK 26-294
Nu de Raad blijkens de briefrapportage van 23 juli 2026 het resterende deel van het verzoek niet langer handhaaft, kunnen de gronden daarvan niet meer worden onderzocht. Het onderhavige verzoek zal daarom worden afgewezen, voor zover hierop niet eerder is beslist.
Zaaknummer C/10/724600 / JE RK 26-1581
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] tot 9 augustus 2026 bij [zorg instelling 1] heeft verbleven. Haar verblijf bij [zorg instelling 1] heeft veel van haar gevraagd en is door haar ervaren als zeer belastend. Een thuisplaatsing is niet verantwoord. [minderjarige] is afhankelijk van intensieve begeleiding en behandeling. Sinds 9 augustus 2026 is zij vanuit [zorg instelling 1] doorgestroomd naar [zorg instelling 2] . Het is van belang dat spoedig passende behandeling voor haar zal worden ingezet zodat zij binnen de open setting van [zorg instelling 2] verder kan werken aan haar ontwikkeling, emotieregulatie en traumagerelateerde problematiek. Daarnaast is het belangrijk dat de (stief)ouders voldoende worden betrokken bij de beslissingen rondom van [minderjarige] , met name met betrekking tot haar behandeling.
Ter zitting is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Gezien het voorgaande is haar verblijf bij [zorg instelling 2] ook noodzakelijk. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlenen tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 3 maart 2027.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Zaaknummer C/10/725439 / JE RK 26-1686
Dit verzoek van de GI strekt tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Voor het verlenen van een dergelijke machtiging is onder meer vereist dat een hulpverleningsplan wordt overgelegd en dat de minderjarige zich bereid heeft verklaard om zich aan de in dat hulpverleningsplan opgenomen voorwaarden te houden. Een hulpverleningsplan ontbreekt echter bij de stukken. De gedragswetenschapper die [minderjarige] heeft onderzocht, heeft daardoor geen kennis kunnen nemen van het hulpverleningsplan, heeft het niet met [minderjarige] kunnen bespreken en heeft het dus ook niet kunnen betrekken in haar oordeel.
Gezien vorenstaande kan het verzoek op dit moment niet worden toegewezen. Met instemming van de belanghebbenden en de Raad zal de kinderrechter het verzoek aanhouden om de GI de gelegenheid te geven alsnog aan de wettelijke eisen te voldoen. Na ontvangst van de noodzakelijke stukken kan het verzoek, indien de belanghebbenden instemmen, schriftelijk worden afgedaan.
6. De beslissing
De kinderrechter:
Zaaknummer C/10/714937 / JE RK 26-294
wijst het verzoek af;
Zaaknummer C/10/724600 / JE RK 26-1581
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 augustus 2026 tot 3 maart 2027;
Zaaknummer C/10/725439 / JE RK 26-1686
houdt het verzoek aan tot de pro forma zitting van 1 oktober 2026;
op deze pro forma zitting behoeven de verzoeker en de belanghebbenden niet te verschijnen;
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld op 17 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.