RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Locatie Rotterdam
Zaaknummer: C/10/723730 / JE RK 26-1442
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd in Amsterdam,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K. Walburg, kantoorhoudende in Hoorn,
[naam vader] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.J. Coxon, kantoorhoudende in Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 17 juli 2026, ontvangen op 22 juli 2026;
verslag van de video interactie begeleiding van de vader van 23 april 2026, ontvangen op 14 augustus 2026;
de brief van de advocaat van de moeder, ontvangen op 18 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
Bij beschikking van 4 maart 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 7 maart 2027. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 7 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Het perspectief van [voornaam minderjarige] kon niet worden bepaald, doordat er onvoldoende zicht is gekomen op de opvoedsituatie bij de vader. De GI heeft Video Interactie Begeleiding (VIB) ingezet vanuit iHub, maar vanwege het lastig combineren met het werk van de vader is dit niet voldoende van de grond gekomen. Ook is er geprobeerd om beslissingsondersteunend onderzoek in te zetten vanuit het KSCD, maar dit was wederom niet mogelijk vanwege het werk van de vader. Recent is opnieuw de optie voor een gezinsopname bij de vader besproken. De vader had eerder aangegeven dat dit wederom niet mogelijk zou zijn vanwege zijn werk, maar voorafgaand de zitting heeft de vader akkoord gegeven. De GI had al gekeken naar een organisatie in Friesland, omdat de partner van de vader met haar kinderen daar woont. De vader heeft ook de wens daar te gaan wonen. Het is van belang dat zij ook worden meegenomen, zodat er een compleet beeld kan worden verkregen van het gezin waar [voornaam minderjarige] deel uit van zou gaan maken, als zij bij de vader wordt geplaatst. Er is een plek gereserveerd in december 2026 bij Mereo. Mede vanwege de wachtlijsten, de onduidelijkheid over of de vader akkoord ging en het feit dat de partner van de vader in oktober zal bevallen, was het niet mogelijk om de gezinsopname eerder plaats te laten vinden. De GI is op zoek naar wat het hoogste haalbare contact is tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . De moeder staat momenteel op de wachtlijst voor een perspectiefonderzoek. De afgelopen drie maanden is de omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] minimaal geweest. Dit ligt niet altijd in de handen van de moeder, vanwege het feit dat zij afhankelijk is van de begeleiding. Het komt echter ook voor dat de moeder niet uit bed wil komen of dat zij er niet is wanneer de begeleiding klaar staat om haar op te halen. Voor de aanvang van het perspectiefonderzoek dient er enige mate van structuur te zijn in de omgang. De GI heeft een groepsapp geopend zodat de lijntjes kort zijn en zodat er snel kan worden gehandeld om de omgang zo structureel mogelijk plaats te laten vinden. Hier heeft de moeder ook een rol in. De GI begrijpt de wens van de moeder voor een plaatsing in een moeder-kindhuis, maar gezien het feit dat daar een grote mate van zelfstandigheid vereist is, is dit niet mogelijk.
4. De standpunten
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De moeder erkent dat zij een paar keer ziek is geweest en dat daardoor de omgang niet plaats kon vinden. Zij ervaart wel complicaties ten aanzien van de begeleiding waarvan zij afhankelijk is. De begeleiding heeft meermaals op het laatste moment afgezegd of is niet komen opdagen. De moeder heeft nooit gebrek getoond in de betrokkenheid, zij wil [voornaam minderjarige] juist vaker zien en meer kansen krijgen om voor haar te zorgen. Indien de begeleiding niet bereid is om moeder te brengen naar de omgangsmomenten, moet de GI in kader van de ondertoezichtstelling zorgen voor alternatieven. De bezoeklocatie is op 40 minuten afstand van de moeder en als zij zelfstandig via het openbaar vervoer reist, is het een rit van 2,5 uur. Deze reistijd is belastend voor de moeder en heeft invloed op de kwaliteit van de omgang. Daarnaast heeft de GI eenzijdig een van de twee bezoekmomenten met een half uur verkort, omdat zij zorgen hadden over dat de bezoeken te belastend zijn voor de moeder. Zij wordt niet betrokken in deze beslissingen en heeft daardoor het gevoel dat zij niet serieus wordt genomen. De moeder vraagt of de GI rekening kan houden met de bezoeklocatie en dat de omgang wordt uitgebreid. Ook wil de moeder graag een plaatsing in een moeder-kindhuis zodat haar een eerlijke kans wordt geboden om te leren hoe zij de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige] op zich kan nemen. Voor de komende periode is het van belang dat [voornaam minderjarige] kan blijven in haar pleeggezin. De moeder maakt zich er zorgen over dat als de GI een thuisplaatsing bij de vader het meest passend acht, zij buitenspel wordt gezet. Het contact met de vader is niet goed en wanneer [voornaam minderjarige] in Friesland zou wonen, zal dit juist voor meer complicaties zorgen voor de omgang. De vader heeft daarbij wel recht op zijn eigen gezin, maar bij een eventuele thuisplaatsing moet het belang van [voornaam minderjarige] leidend zijn.
Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. [voornaam minderjarige] komt al geruime tijd ieder weekend bij de vader en dit verloopt goed. Ook worden er door de GI geen contra-indicaties gezien in het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Dat er onvoldoende zicht is gekregen in de opvoedsituatie bij de vader wordt onvoldoende geobjectiveerd. Wat betreft de VIB, waren de evaluaties in persoon lastig te combineren met het werk van de vader. De vader stond er wel voor open om dit door te zetten. Ook heeft de vader al eerder akkoord gegeven op een gezinsopname en heeft de partner van de vader geregeld dat zij en haar kinderen ook vrij hebben om hier deel aan te nemen. De vader heeft de wens om in de toekomst naar Friesland te verhuizen en hij en zijn partner zijn bereid om [voornaam minderjarige] op te nemen in hun gezin. Daarbij is het wel van belang dat de moeder de mogelijkheid krijgt om [voornaam minderjarige] te zien. De vader geeft aan bereid te zijn om [voornaam minderjarige] te brengen en te halen. Tot de gezinsopname kan starten is het van belang dat de omgang met de vader wordt uitgebreid dat [voornaam minderjarige] niet enkel in het weekend bij de vader is. [voornaam minderjarige] verblijft al langere tijd bij de pleegouders waaraan zij zich hecht en het is van belang dat rekening wordt gehouden met de aanvaardbare termijn.
5. De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er op zich geen zorgen zijn om [voornaam minderjarige] . Zij ontwikkelt zich als een vrolijke dreumes in het pleeggezin. De afgelopen periode had de GI de taak om helderheid te creëren over de rol van de ouders en het perspectief van [voornaam minderjarige] . Hiervoor heeft de GI een aantal middelen geprobeerd in te zetten, maar dit is onvoldoende van de grond gekomen. Wat er nu moet gebeuren, is dat de gezinsopname van [voornaam minderjarige] , de vader en het gezin van zijn nieuwe partner plaatsvindt. Dat is nu gepland in december. Anders dan de advocaat van de vader heeft betoogd, is de kinderrechter van oordeel dat die opname moeilijk eerder gepland kan worden. De nieuwe partner van de vader is zwanger en uitgerekend in oktober. Een gezinsopname voorafgaand aan de bevalling zou betekenen dat een hoogzwangere vrouw moet deelnemen aan die opname, nog daargelaten of de wachtlijsten in de jeugdzorg een eerdere opname zouden toelaten. Een gezinsopname direct of zeer kort na de bevalling ligt ook niet voor de hand. De vader wil liever dat de zaken sneller gaan, maar de kinderrechter kan er ook de ogen niet voor sluiten dat eerdere pogingen van de GI om meer duidelijkheid te krijgen, als gevolg van het werk van de vader niet van de grond zijn gekomen. Verder staat de moeder op een wachtlijst voor een perspectiefonderzoek. Een (gedeeltelijke) terugplaatsing bij (één van) de ouders is dus op dit moment niet aan de orde. In de tussentijd dient de GI actief regie te voeren over dat de omgangsregeling tussen [voornaam minderjarige] en de moeder daadwerkelijk plaatsvindt. Voordat de bestaande omgangsregeling kan worden uitgebreid, dienen de omgangsmomenten eerst structureel plaats te vinden en aan te sluiten bij de behoeften van [voornaam minderjarige] . Dit vraagt ook de inzet van de moeder. Daarnaast moet de GI de komende periode onderzoeken op welke manier contact tussen de ouders kan worden bewerkstelligd.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] daarom voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 7 maart 2027.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 7 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 2 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.