RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/725366 / JE RK 26-1676
Datum uitspraak: 24 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. P.R. Hogerbrugge uit Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 24 augustus 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 25 augustus 2026;
de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 25 augustus 2026.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar ouders.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden, met benoeming van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI) tot uitvoerder daarvan. Ook verzoekt de Raad een spoedmachtiging om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft mondeling de volgende informatie ontvangen. Er bestaan al een langere tijd zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] heeft een verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen, die zich uiten in zeer onvoorspelbaar en zeer agressief gedrag. Er is mogelijk sprake van fysiek geweld van de ouders tegen [minderjarige] . Ook worden er signalen van vervuiling in de woning gezien. In het vrijwillig kader hebben de ouders meegewerkt aan verschillende verblijfplekken van [minderjarige] . Telkens blijken deze plekken niet (voldoende) geschikt en ontstaan er onveilige situaties voor de begeleiding van de woongroep(en), voor de groepsgenoten en voor [minderjarige] zelf. De zorgen en de situatie overstijgen het vrijwillig kader. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Sinds begin dit jaar heeft [minderjarige] op verschillende plekken verbleven. Tot februari van dit jaar verbleef [minderjarige] bij Yulius ( [zorglocatie 1] ) met de inzet van twee-op-één begeleiding. Vanwege het gedrag van [minderjarige] richting andere kinderen, door veelvuldig wegloopgedrag en bij gebrek aan een geschikte alternatieve verblijfplek is [minderjarige] daarom thuisgeplaatst. Ook in de thuissituatie ging het opnieuw mis. Er zijn meerdere meldingen gedaan van buurtbewoners bij de politie/crisisteam vanwege agressief gedrag van [minderjarige] richting mensen op straat en gezinsleden. Vervolgens is op 19 augustus een crisisplaatsing bij Pameijer geprobeerd, maar [minderjarige] verzette zich daar zo hevig tegen dat ook deze plaatsing mislukt is. Gisteren is er opnieuw melding gemaakt van een zorgelijke situatie waarin [minderjarige] met een glasscherf in huis en op straat liep en het lukte niet om dit van haar af te pakken. Gelet op het voorgaande overweegt de kinderrechter dat [minderjarige] niet alleen een gevaar voor zichzelf maar ook voor anderen in haar omgeving vormt, waaronder haar ouders en vijfjarige zusje. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De afgelopen periode zijn alternatieve mogelijkheden onderzocht, zonder dat daar op korte termijn een plek voor beschikbaar kwam. [minderjarige] kan vanaf oktober 2026 terecht bij een behandelplek van Youz. Een gesloten setting biedt de mogelijkheid om [minderjarige] tijdelijk te stabiliseren, haar veiligheid te waarborgen, de mogelijkheden voor behandeling en medicatie zorgvuldig te onderzoeken en toe te werken naar die behandelplek.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , gelet op bovenstaande informatie.
Bij het mondelinge verzoek ontbrak een verklaring van een gedragswetenschapper. De Raad heeft mondeling aangegeven dat er buiten kantooruren geen gedragswetenschapper bereikbaar was, ook niet via het daarvoor speciaal ingerichte noodnummer. De kinderrechter vindt het daarom voldoende aannemelijk dat onderzoek door een gedragswetenschapper in deze situatie feitelijk niet mogelijk was. Bij de indiening van de schriftelijke bevestiging van het spoedverzoek is alsnog een instemmende verklaring van de gedragswetenschaper gevoegd.
De Raad, de GI, de ouders, en de advocaat van [minderjarige] worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. [minderjarige] zal, met haar advocaat, in de gelegenheid worden gesteld om een gesprek met de kinderrechter te hebben.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 24 augustus 2026 tot 24 november 2026;
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 augustus 2026 tot 21 september 2026;
bepaalt dat de Raad, de GI, de ouders en mr. P.R. Hogerbrugge zullen worden gehoord ter zitting van 31 augustus 2026 om 11:00 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, aan Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam;
de zaak zal op laatstgenoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden worden behandeld door mr. R. van den Wildenberg;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
vraagt de griffier [minderjarige] en mr. P.R. Hogerbrugge op te roepen voor een kindgesprek op 28 augustus 2026 om 12:00 uur, welk kindgesprek wordt gehouden in de gesloten instelling van iHub, locatie [zorglocatie 2].
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A. Batenburg als griffier, en op schrift gesteld op 26 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.