RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9113
(gemachtigde: mr. F. Özer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigden: mr. Z. Abachi en mr. C.W. de Jong).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning op zijn woonadres. De aanvraag is afgewezen omdat het maximum aantal van twee parkeervergunningen per woonadres al is verleend en de toepassing van de hardheidsclausule leidt tot strijdigheid met het parkeerbeleid. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een gebrek bevat omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de situatie van eiser geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat het college in het verweerschrift en ter zitting alsnog een toereikende toelichting heeft gegeven waarom eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een parkeervergunning aangevraagd voor zijn woonadres. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft een parkeervergunning aangevraagd op zijn woonadres. Op het woonadres zijn al twee parkeervergunningen verleend: een reguliere parkeervergunning op naam van de zus van eiser en een stadsbrede gehandicaptenparkeervergunning ten behoeve van de broer van eiser, die lijdt aan het zeldzame Wolcott-Rallison-syndroom. Eiser heeft de parkeervergunning aangevraagd voor zijn bedrijfsauto die hij gebruikt voor zijn werk.
In het besluit van 28 juli 2025 is de aanvraag afgewezen omdat op het woonadres al twee parkeervergunningen zijn verleend en daarmee het maximum aantal parkeervergunningen per woonadres is verleend. In het bestreden besluit heeft het college in aanvulling hierop aangegeven dat eiser niet in aanmerking komt voor een beroep op de hardheidsclausule, omdat toepassing van de hardheidsclausule in strijd is met het doel van het parkeerbeleid om de parkeerdruk in verschillende delen van Rotterdam te verminderen. Daarbij is aangegeven dat ook andere aanvragers van een derde parkeervergunning in een soortgelijke situatie voor vergunningverlening niet in aanmerking komen.
Toetsingskader
4. Op grond van het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025 worden per woonadres maximaal twee parkeervergunningen verleend. Een stadsbrede vergunning voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart valt onder dit maximum. Voor zover toepassing van voornoemde regels gelet op het belang van de regulering van de parkeerdruk zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan het college met toepassing van de hardheidsclausule deze regels buiten toepassing laten of daarvan afwijken.
Heeft het college het beroep op de hardheidsclausule kunnen afwijzen?
5. Eiser betoogt dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheid om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het maximum aantal parkeervergunningen per woonadres en aan eiser alsnog een parkeervergunning te verstrekken. Eiser voert daarbij aan dat het college in het bestreden besluit heeft volstaan met een algemene verwijzing naar het belang van de parkeerdruk waarmee de hardheidsclausule feitelijk buiten werking wordt gesteld. Het college heeft volgens eiser ten onrechte niet getoetst aan de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder de omstandigheid dat één van de twee al verleende parkeervergunningen bijna dagelijks wordt gebruikt voor het vervoer van de rolstoelafhankelijke broer van eiser die zich niet zelfstandig kan verplaatsen en daardoor altijd is aangewezen op vervoer per auto. Met betrekking tot zijn eigen situatie heeft eiser aangegeven dat hij zijn auto nodig heeft voor zijn werk, waarvoor hij bijna dagelijks op verschillende projecten en locaties moet zijn en daarbij zijn werkspullen nodig heeft. Het openbaar vervoer is volgens eiser geen alternatief. De andere vergunning staat op naam van de zus van eiser en wordt ook gebruikt voor woon-werkverkeer. Eiser heeft nadrukkelijk gewezen op het feit dat de toewijzing van de aanvraag geen gevolgen heeft voor de parkeerdruk omdat eiser zijn auto (tegen betaling van eerst de tarieven voor bezoekersparkeren en na het vollopen van de beschikbare uren tegen reguliere parkeertarieven) al bij het woonadres parkeert. Ter zitting is daarover namens eiser opgemerkt dat zijn halve maandsalaris opgaat aan parkeerkosten. Op grond van voorgaande betoogt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en een zorgvuldige belangenafweging. Verder betoogt eiser dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in (onder meer) artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het besluit niet geschikt, niet noodzakelijk en niet evenwichtig is om het doel van het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025 te bereiken. In dat verband verwijst eiser naar de discretionaire bevoegdheid van het college om met toepassing van de hardheidsclausule een derde parkeervergunning te verlenen.
Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule kennis is genomen van alle door eiser overgelegde stukken en de daarin beschreven omstandigheden. Het college overweegt dat het merendeel van de overgelegde bewijsstukken ziet op de medische situatie van de broer van eiser en niet op eiser zelf. De gegevens die betrekking hebben op eiser zelf (de arbeidsovereenkomst en een salarisspecificatie) maken volgens het college niet dat zijn persoonlijke omstandigheden zodanig uitzonderlijk zijn dat afwijking van het geldende parkeerbeleid gerechtvaardigd is. Het college heeft om die reden geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule. Ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel heeft het college in het verweerschrift opgemerkt dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat uitsluitend vergunningverlening een passende oplossing biedt of dat de noodzakelijke zorg zonder parkeervergunning niet kan worden verleend. Op grond hiervan is het college van mening dat de nadelige gevolgen voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen algemeen belang.
De rechtbank overweegt allereerst dat eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel – anders dan ter zitting is betoogd – samenvalt met zijn beroep op de toepassing van de hardheidsclausule. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel wordt verwezen naar de medische situatie van de broer van eiser, welke situatie volgens eiser de toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen. Bovendien is ter zitting bevestigd dat de rechtmatigheid van het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025 niet ter discussie staat. Het beroep richt zich daarmee alleen tegen het niet toepassen van de hardheidsclausule. Zoals het college ter zitting heeft opgemerkt, is de beoordeling of de gevolgen van het besluit evenwichtig zijn, vergelijkbaar aan de beoordeling of toepassing gegeven kan worden aan de hardheidsclausule. Eiser heeft daarvoor ook dezelfde argumenten aangevoerd. De rechtbank zal dus uitsluitend de vraag beantwoorden of het college het beroep op (toepassing van) de hardheidsclausule heeft kunnen toepassen. Daarbij staat de ernst van de medische situatie van de broer van eiser tussen partijen niet ter discussie.
De rechtbank overweegt dat aan het college een zekere vrijheid toekomt bij een besluit om de hardheidsclausule toe te passen. Dat leidt ertoe dat de bestuursrechter dat besluit enigszins terughoudend toetst en uitsluitend beoordeelt of het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten al dan niet toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval in het bestreden besluit zoals weergegeven onder 3.1 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule. In het bestreden besluit wordt enkel gesteld dat de toepassing van de hardheidsclausule in strijd zou zijn met het doel van het parkeerbeleid, namelijk het verminderen van de parkeerdruk. De rechtbank overweegt dat het college hiermee voorbij gaat aan het uitgangspunt van de hardheidsclausule die er juist op is gericht om af te wijken van het parkeerbeleid en het daarmee beoogde doel. Iedere toepassing van de hardheidsclausule zal dus per definitie in strijd zijn met de regels en het daarmee beoogde doel van het parkeerbeleid. Om deze reden speelt de werkelijke parkeerdruk – anders dan eiser betoogt – bij de beoordeling van de toepassing van de hardheidsclausule geen rol. Deze uitleg betekent ook dat dit argument geen voldoende motivering is voor het besluit van het college om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Omdat het college in het bestreden besluit geen andere argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule, is er sprake van een motiveringsgebrek.
Met de nadere toelichting van het college in het verweerschrift en op zitting, zoals weergegeven onder 5.1, is het motiveringsgebrek echter hersteld. De rechtbank oordeelt dat het college op grond van deze nadere toelichting heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank betrekt daarbij dat de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke situaties wordt toegepast namelijk als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Omdat een parkeervergunning – ook met toepassing van de hardheidsclausule – wordt toegekend op naam en kenteken van de aanvrager, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat daarvoor gekeken moet worden naar de persoonlijke omstandigheden die (primair) betrekking hebben op de situatie van eiser. Ten aanzien van eisers eigen omstandigheden – zoals het gebruik van zijn auto voor werk en de financiële gevolgen van het alternatief – heeft het college kunnen overwegen dat deze omstandigheden niet uitzonderlijk zijn. Hoewel de omstandigheden van de broer van eiser ingrijpend zijn en onmiskenbaar invloed hebben op eiser, neemt het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025 als uitgangspunt dat de stadsbrede vergunning voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart onder het maximum aantal parkeervergunning valt. De enkele aanwezigheid van een dergelijke parkeervergunning (vanwege de aandoening van de broer van eiser) is om die reden op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. In het verweerschrift heeft het college kunnen overwegen dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat uitsluitend vergunningverlening aan eiser een passende oplossing biedt voor de situatie of anderszins noodzakelijk is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Eiser heeft – ook ter zitting – niet aangegeven waarom de omstandigheden van zijn broer maken dat het niet verlenen van een parkeervergunning aan eiser zelf leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dat het college ter zitting heeft aangegeven dat mogelijk een andere afweging zou worden gemaakt in de situatie dat eiser en zijn zus al in het bezit waren van een parkeervergunning en daarna voor zijn broer een stadsbrede vergunning zou zijn aangevraagd, maakt voorgaande niet anders. De suggestie van eiser dat dit ertoe leidt dat de parkeervergunning van de broer van eiser dan moet worden ingeleverd om vervolgens opnieuw aan te vragen als eiser beschikt over een parkeervergunning is voor de beoordeling van het bestreden besluit niet relevant. Die situatie is hier – zoals het college heeft aangegeven – niet aan de orde omdat de broer van eiser al beschikt over een parkeervergunning vanwege zijn stadsbrede gehandicaptenparkeerkaart. Uit voorgaande volgt dat het eerdergenoemde motiveringsgebrek is hersteld en eiser in zoverre geen nadeel ondervindt van het gebrek zodat de rechtbank dat gebrek kan passeren.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college aan eiser geen parkeervergunning hoeft te verlenen.
Omdat wel sprake is van een motiveringsgebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt gepasseerd, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde van € 934,- per punt, wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van R.S. Loeff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.