RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] ,
de directie van het CBR,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1247
hierna [eiser] ,
en
hierna het CBR,
(gemachtigde: mr. M.M. Kleijbeuker).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan [eiser] de verplichting op te leggen om mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Daarnaast heeft het CBR ook het rijbewijs van [eiser] geschorst. Het CBR twijfelt op basis van informatie van de politie aan die rijgeschiktheid. [eiser] is het niet eens met het opleggen van het onderzoek en de schorsing van het rijbewijs. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. [eiser] vindt vooral dat uit de informatie van de politie om verschillende redenen geen vermoeden van rijongeschiktheid volgt. Bovendien is de schorsing van het rijbewijs onevenredig vanwege de gevolgen die de schorsing voor [eiser] heeft.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR heeft mogen vermoeden dat er bij [eiser] sprake is van rijongeschiktheid. Het CBR heeft daarom terecht de verplichting opgelegd om mee te werken aan een rijgeschiktheidsonderzoek. Daarnaast moest het CBR ook het rijbewijs schorsen. [eiser] krijg dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop en inleiding
2. Het CBR heeft bij besluit van 8 januari 2026 aan [eiser] de verplichting opgelegd om mee te werken aan een rijgeschiktheidsonderzoek (het onderzoek). Het CBR heeft daarnaast het rijbewijs van [eiser] geschorst. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 januari 2026.
Het CBR heeft bij besluit van 23 februari 2026 het rijbewijs van [eiser] ongeldig verklaard. Daartegen heeft [eiser] geen rechtsmiddelen ingesteld. Het besluit tot ongeldigverklaring is geen onderdeel van deze procedure.
Het CBR heeft bij besluit van 16 maart 2026 de bezwaren van [eiser] tegen het besluit van 8 januari 2026 ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , [naam] en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het besluit
3. Het CBR heeft informatie (een mededeling) ontvangen van de politie. Deze informatie is op 1 december 2025 opgesteld. In deze informatie staat kortgezegd beschreven dat de politie het vermoeden heeft dat [eiser] niet langer beschikt over de vereiste rijgeschiktheid. Onder verwijzing naar de informatie van de politie twijfelt ook het CBR aan de rijgeschiktheid van [eiser] . Het CBR wijst daarbij op het aantal politieregistraties die sinds 2017 over [eiser] zijn opgemaakt. Sinds 2021 gaat het grootste gedeelte van deze registraties over verward gedrag of daarmee samenhangende situaties. Het CBR wijst daarnaast op de bestaande zorgmachtiging van [eiser] en de daarbij behorende depotmedicatie. Verder benoemt het CBR specifieke incidenten die zich in de periode juli 2025 tot en met oktober 2025 hebben voorgedaan en die te maken hebben met verward gedrag van [eiser] . Op basis van al deze informatie heeft het CBR besloten dat [eiser] moet meewerken aan het onderzoek en is het rijbewijs van [eiser] geschorst.
Het toetsingskader
De oplegging van het onderzoek
4. Uit de wet volgt dat het CBR een onderzoek naar de rijgeschiktheid moet opleggen als het informatie ontvangt waarin staat dat er een vermoeden is dat iemand niet langer geschikt is om een voertuig te besturen. Het CBR moet zo’n onderzoek onder andere opleggen als bij de betrokkene sprake is van verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen en abnormale opwindingstoestanden. Dit staat in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (WVW) in samenhang met artikel 23, derde lid, onderdeel b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).
De schorsing van een rijbewijs
Uit de wet volgt ook dat het CBR het rijbewijs in afwachting van het onderzoek moet schorsen als er duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk of lichamelijk niet goed functioneert of ernstige psychiatrische problemen heeft. Dit staat in artikel 6 van de Regeling in samenhang met artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de WVW.
Gebonden bevoegdheden
Het opleggen van een onderzoek en het schorsen van het rijbewijs zijn gebonden bevoegdheden. Dat betekent dat als aan de voorwaarden voor het toepassen van die regels wordt voldaan, het CBR het onderzoek moet opleggen en het rijbewijs moet schorsen. Het CBR heeft dan in beginsel geen ruimte om de belangen af te wegen.
Procesbelang
5. Voordat de rechtbank het beroep inhoudelijk kan beoordelen, moet de rechtbank uit haarzelf beoordelen of [eiser] nog een belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Het rijbewijs van [eiser] is immers op 23 februari 2026 ongeldig verklaard en die ongeldigverklaring staat in rechte vast. De uitkomst van de onderhavige procedure kan aan die ongeldigverklaring niet (direct) iets veranderen.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] nog steeds voldoende belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Het CBR heeft op de zitting namelijk toegelicht dat een eventuele gegrondverklaring in deze procedure van invloed is op de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Daarmee is het procesbelang van [eiser] gegeven.
De beoordeling van het beroep
6. De rechtbank beoordeelt het beroep van [eiser] aan de hand van zijn beroepsgronden.
Het onderzoek
Is er een vermoeden van rijongeschiktheid?
7. [eiser] stelt dat er om verschillende redenen geen vermoeden van rijongeschiktheid is. In de eerste plaats omdat de meldingen en registraties bij de politie niet gaan over verkeersincidenten of ongelukken. Er is daarom geen bewijs dat hij niet geschikt is om auto te rijden en dat bewijs moet er wel zijn. Het frustreert [eiser] dat hij desondanks telkens weer een onderzoek moet ondergaan. [eiser] voert verder aan dat de politie bepaalde incidenten heeft uitvergroot. Zo spreekt de politie van het binnendringen van een woning, maar dat was de woning van [eiser] zelf. Ook spreekt de politie van het weglopen uit een GGZ-instelling, maar [eiser] was naar huis gelopen en is met de taxi weer teruggegaan. Bovendien is [eiser] in februari 2025 voor het laatst nog onderzocht en voor vijf jaar rijgeschikt bevonden. Het CBR heeft het bestreden besluit gebaseerd op incidenten van vóór die tijd. Die incidenten hebben bij het onderzoek van februari 2025 niet geleid tot het oordeel dat hij rijongeschikt zou zijn. Tot slot is [eiser] het tweede half jaar van 2025 weliswaar psychisch ontregeld geweest, maar dat kwam omdat hij verkeerde medicatie had gekregen. Dit ligt buiten zijn macht en valt hem niet te verwijten.
De rechtbank stelt voorop dat voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid er een vermoeden moet zijn van rijongeschiktheid. Het hoeft dus niet vast te staan dat iemand rijongeschikt is. Daarvoor is juist het nader onderzoek nodig.
De rechtbank is van oordeel dat het CBR op basis van de informatie van de politie heeft mogen vermoeden dat [eiser] rijongeschikt is. Uit deze informatie volgt dat er in de periode juli 2025 tot en met oktober 2025, dus na het geschiktheidsonderzoek van februari 2025, verschillende incidenten plaatsvonden. De meldingen en registraties beschrijven escalerend verward gedrag van [eiser] op meerdere momenten in zowel de thuissituatie als in een GGZ-instelling, waarbij de politie en verplegend personeel moesten ingrijpen. Het CBR verwijst ook naar deze incidenten. Deze incidenten rechtvaardigen op zichzelf al het vermoeden van de rijongeschiktheid van [eiser] . Het CBR mocht ook uitgaan van de informatie zoals de politie die over de incidenten heeft opgeschreven. Dat is alleen anders als er objectieve gegevens zijn die die informatie in twijfel trekken. De rechtbank begrijpt [eiser] zo dat volgens hem de incidenten anders geïnterpreteerd moeten worden en daarom geen vermoeden van rijongeschiktheid opleveren. Dat wat [eiser] over de context van de incidenten naar voren heeft gebracht, trekken de incidenten op zichzelf echter niet in twijfel. De door [eiser] gegeven context maakt ook niet dat de incidenten in een zodanig ander daglicht komen te staan dat die geen grondslag (meer) kunnen opleveren voor een vermoeden van rijongeschiktheid.
De rechtbank oordeelt verder dat het op zichzelf juist is dat de beschreven incidenten niet gaan over incidenten in het verkeer. Maar dat hoeft ook niet. Het CBR mag ook naar feiten en omstandigheden kijken die niet op het gedrag in het verkeer zien, maar die wel wijzen op de geestelijke ongeschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig. Dit volgt uit de jurisprudentie. De beschreven incidenten uit juli 2025 tot en met oktober 2025 wijzen op die geestelijke ongeschiktheid voor het besturen van een auto. Verward gedrag in het algemeen heeft immers ook invloed op de verkeersdeelname en kan daarvan niet los worden gezien. Dat [eiser] stelt dat hij geen autorijdt als hij verward is maakt dat ook niet anders. Het is namelijk niet uitgesloten dat [eiser] onder invloed van zijn verwardheid toch besluit om auto te rijden en dat risico moet worden voorkomen.
Het CBR hoeft tot slot ook niet te onderzoeken wat de oorzaak is geweest van het verwarde gedrag en of daarin verkeerde medicatie een rol heeft gespeeld. Daarvoor heeft het CBR niet de juiste kennis. Dit zijn vragen die door een psychiater kunnen worden beantwoord en daarvoor is juist het opgelegde onderzoek het aangewezen middel.
De rechtbank concludeert dat het CBR op basis van de informatie van de politie heeft mogen vermoeden dat sprake is van rijongeschiktheid door verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen en abnormale opwindingstoestanden. Daarom moest het CBR besluiten tot het opleggen van het onderzoek en heeft dat dus terecht gedaan.
De beroepsgrond slaagt niet.
De schorsing van het rijbewijs
Is voldaan aan de voorwaarden voor het schorsen van het rijbewijs?
8. De rechtbank vat het beroep van [eiser] zo op dat hij van mening is dat, omdat er geen vermoedens van zijn rijongeschiktheid zijn, zijn rijbewijs ook niet had mogen worden geschorst.
De rechtbank overweegt dat het criterium voor het schorsen van een rijbewijs verschilt van het criterium voor het opleggen van een onderzoek. Dit volgt ook uit rechtsoverweging 4 en 4.1.
De rechtbank oordeelt dat het CBR op basis van de informatie van de politie ook heeft mogen aannemen dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat [eiser] lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk niet goed functioneert of ernstige psychiatrische problemen ondervindt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [eiser] op zichzelf niet betwist dat sprake is van psychiatrische problematiek en dat er een periode van ontregeling is geweest. Wel stelt [eiser] dat de oorzaak daarvan buiten hemzelf ligt, omdat hij verkeerde medicatie heeft gekregen. Zoals onder rechtsoverweging 7.4. vermeld, is het niet aan het CBR maar aan de psychiater om te onderzoeken wat de oorzaak is geweest van de ontregeling.
De beroepsgrond slaagt niet.
Het beroep op de evenredigheid
9. [eiser] stelt dat de schorsing van het rijbewijs nadelige gevolgen voor hem heeft. De schorsing beperkt hem in zijn vrijheid en zelfstandigheid. [eiser] stelt ook dat hij door een enkeloperatie bovendien extra afhankelijk is van zijn auto.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot het schorsen van het rijbewijs is opgenomen in de Regeling. Zoals onder rechtsoverweging 4.1. en 4.2. vermeld, is het schorsen van het rijbewijs een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat het CBR verplicht is het rijbewijs te schorsen als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Een algemene belangenafweging heeft al plaatsgevonden bij het maken van de regels. Het CBR heeft dan niet alsnog ruimte om naar persoonlijke omstandigheden te kijken en op basis daarvan van de Regeling af te wijken. Alleen in heel uitzonderlijke omstandigheden kunnen het CBR en ook de rechter de regels van de Regeling toch buiten toepassing laten, als de gevolgen van het toepassen van Regeling tot een onevenredige uitkomst leidt.
De rechtbank stelt bij haar oordeel voorop dat het belang van de regels over de schorsing van het rijbewijs ligt in de verkeersveiligheid. De gevolgen die de schorsing van het rijbewijs heeft voor [eiser] , gelden voor iedereen waarvan het rijbewijs wordt geschorst. Deze gevolgen hebben weliswaar invloed op het dagelijks leven van [eiser] maar maken zijn situatie niet extra bijzonder. Dat geldt ook als [eiser] door een enkeloperatie extra afhankelijk zou zijn van zijn auto. Dit zijn geen omstandigheden die maken dat het besluit tot een onevenredige uitkomst leidt en dat daarom van de regels moet worden afgeweken. Het CBR heeft dan ook terecht het rijbewijs geschorst.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot het opleggen van het onderzoek en de schorsing van het rijbewijs in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier en uitgesproken op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.