RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/337653 / HA ZA 25-279
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden te [woonplaats],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: ‘[eisers]’,
advocaat: mr. M.W. Verhoeven,
tegen
1. GEMEENTE RAALTE,
te Raalte,
advocaat: mr. J.J. Jacobse,2. [gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
advocaat: mr. S.A. van Dijk,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: ‘de Gemeente’ en ‘[gedaagde]’.
Samenvatting
[eisers] hebben op een perceel in de Gemeente Raalte een woning laten bouwen door [gedaagde]. Zij stellen dat zij in hun woning te kampen hebben met structurele wateroverlast en betogen dat de Gemeente en [gedaagde] hiervoor aansprakelijk zijn omdat het bouwpeil van de woning te laag is uitgezet. Zij vorderen een verklaring voor recht en schadevergoeding. Ter onderbouwing van hun stellingen verwijzen zij naar het rapport van de door de rechtbank in het kader van een voorlopig deskundigenbericht benoemde deskundige [naam 1]. De Gemeente en [gedaagde] betwisten aansprakelijk te zijn en weerspreken de conclusies van [naam 1], onder verwijzing naar de rapporten van door henzelf geraadpleegde deskundigen.
De rechtbank wijst een tussenvonnis. Zij is van oordeel dat vast staat dat sprake is van structurele wateroverlast in de woning van [eisers] De conclusie uit het rapport van [naam 1] dat deze wateroverlast wordt veroorzaakt door een te laag uitgezet bouwpeil, kan de rechtbank echter niet zonder meer volgen. De Gemeente en [gedaagde] hebben namelijk voldoende gemotiveerde bezwaren aangevoerd tegen deze conclusie. Er is nog onvoldoende uitsluitsel over de oorzaak van de wateroverlast. De rechtbank is voornemens een nieuwe deskundige te benoemen ter beantwoording van aanvullende vragen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaardingen van 17 juli 2025;
de akte overlegging producties tevens akte rectificatie van [eisers] van
27 augustus 2025;
de conclusie van antwoord van de Gemeente van 22 oktober 2025 met producties;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 22 oktober 2025 met producties;
de nadere producties van [eisers] van 20 maart 2026;
de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarbij de advocaten spreekaantekeningen hebben voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken;
de akte overlegging productie van de Gemeente van 13 mei 2026;
de akte overlegging productie van [gedaagde] van 13 mei 2026.
Na de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol, zodat partijen de mogelijkheden voor een schikking konden onderzoeken. Op de rol van 13 mei 2026 hebben partijen de rechtbank gevraagd om vonnis te wijzen.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 20 april 2021 hebben [eisers] en [gedaagde] een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een vrijstaande woning met paardenstal aan de [adres] in het buitengebied van [plaats].
In mei 2021 heeft [bedrijf 1] B.V. (hierna te noemen: [bedrijf 1]) in opdracht van [gedaagde] een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. [bedrijf 1] heeft op 8 juni 2021 een rapport uitgebracht.
Op 29 juni 2021 heeft de Gemeente aan [eisers] een omgevingsvergunning verleend voor dit bouwproject. Aan de omgevingsvergunning zijn verschillende voorwaarden verbonden. Eén van die voorwaarden luidt als volgt:
“7. De plaats en het hoogtepeil van het bouwwerk dient door het domein Ruimte, cluster VTH te worden aangegeven. U kunt hiervoor ten minste 7 werkdagen voor de dag van uitzetten contact opnemen met de heer [naam 2], landmeter van de gemeente Raalte.”
Op 31 augustus 2021 heeft de Gemeente, in aanwezigheid van [gedaagde], in een proces-verbaal van aanwijs het referentiepeil voor het bouwproject vastgesteld op 7,66 meter boven NAP. Het referentiepeil is een in de omgeving vastgesteld niveau (hoogtepunt) dat als uitgangspunt dient voor hoogtemetingen binnen het bouwproject. In dit geval heeft de Gemeente voor het bepalen van het referentiepeil aansluiting gezocht bij een nabijgelegen meetpunt, namelijk de rand van het wegdek van de [adres] (gemarkeerd met een ‘nagel’). In hetzelfde proces-verbaal van aanwijs is het bouwpeil van de woning – de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer – bepaald op: “in overleg”. Het proces-verbaal van aanwijs is ondertekend voor akkoord namens de Gemeente en namens [gedaagde].
Diezelfde dag heeft de Gemeente aan [gedaagde] gevraagd om het bouwpeil van de woning door te geven. In de loop van de middag heeft [gedaagde] aan de Gemeente geantwoord dat zij 7,66 meter boven NAP als bouwpeil wil hanteren. De Gemeente heeft daarop akkoord gegeven.
In de week van 11 oktober 2021 is [gedaagde] begonnen met het uitgraven van de bouwput en met de bouwwerkzaamheden. Op 31 mei 2022 heeft zij de woning opgeleverd aan [eisers]
Buiten het bestek van de aannemingsovereenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] vielen – voor zover nu van belang – het ontwerp en de aanleg van een IBA-systeem (Individuele Behandeling van Afvalwater) met infiltratiekratten en het straatwerk. Een IBA-systeem is een individueel waterzuiveringssysteem dat huishoudelijk afvalwater ondergronds opvangt en zuivert door middel van bezinking in putten, waarna het gezuiverde water via infiltratiekratten geleidelijk wordt afgegeven aan de bodem. Dit systeem is een alternatief voor aansluiting op het gemeentelijk drukriool en wordt veelal gebruikt in buitengebieden, waar een aansluiting op het gemeentelijk drukriool kostbaar of niet mogelijk is. Een derde partij – [bedrijf 2] – heeft in opdracht van [eisers] dit IBA-systeem ontworpen, aangelegd en aangesloten op het bestaande niveau van de woning en het perceel bestraat.
In juni 2022 hebben [eisers] de woning betrokken.
Begin 2023 hebben [eisers] aan de Gemeente en [gedaagde] gemeld dat zij te kampen hebben met grondwateroverlast. In april 2023 hebben [eisers] de Gemeente en [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geconstateerde wateroverlast en de door [eisers] geleden en te lijden schade.
[eisers] hebben de rechtbank vervolgens verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen. Bij beschikking van 13 december 2023 heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen. Daarbij is de heer ing. [naam 1], werkzaam bij DEKRA Claims en Expertise B.V., (hierna: [naam 1]) als deskundige benoemd.
[naam 1] heeft op 24 december 2024 zijn definitieve rapport afgerond en toegestuurd aan de rechtbank en partijen. Bij zijn onderzoek heeft hij onder meer gebruik gemaakt van meetgegevens van [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]). In het rapport wordt, kort gezegd, geconcludeerd dat het bouwpeil van de woning te laag is vastgesteld, gelet op de “geotechnische omstandigheden” op het perceel van [eisers], en dat dit de oorzaak is van de wateroverlast die [eisers] ervaren.
Partijen hebben gecorrespondeerd over de bevindingen en conclusies in het rapport, maar dit heeft niet geleid tot een minnelijke oplossing.
De Gemeente en [gedaagde] hebben zelf deskundigen ingeschakeld om onderzoek te doen. EMN heeft op 6 oktober 2025 en Tauw B.V. heeft op 2 oktober 2025 gerapporteerd.
3 Het geschil
[eisers] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat de Gemeente en [gedaagde] aansprakelijk zijn voor de door hen geleden en nog te lijden schade;
de Gemeente en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van
€ 1.097.334,80 + p.m. aan schadevergoeding, te vermeerderen met rente en kosten.
De vorderingen van [eisers] berusten op de stelling dat zij met structurele wateroverlast te kampen hebben doordat het bouwpeil van de woning in 2021 te laag is vastgesteld. [eisers] verwijten de Gemeente dat zij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en/of haar grondwaterzorgplicht uit artikel 3.6 van de Waterwet (inmiddels artikel 2.16 van de Omgevingswet) heeft geschonden door een te laag bouwpeil uit te zetten dan wel te accorderen. [eisers] verwijten [gedaagde] dat zij haar waarschuwingsplicht uit artikel 7:754 BW heeft geschonden door niet te waarschuwen dat het uitgezette bouwpeil te laag was dan wel dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door de woning op een te laag peil te bouwen, met structurele wateroverlast tot gevolg. Het bedrag dat [eisers] aan schadevergoeding vorderen bestaat uit de totale kosten die zij stellen te moeten maken om hun woning – inclusief alle overige opstallen op het perceel, de bestrating en de tuin – op te hogen en de vochtschade binnenshuis te herstellen.
De Gemeente en [gedaagde] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. De Gemeente en [gedaagde] betwisten aansprakelijk zijn op de daartoe door [eisers] aangevoerde gronden. [gedaagde] beroept zich daarnaast op het exoneratiebeding uit haar Algemene Voorwaarden. Ook voeren de Gemeente en [gedaagde] diverse verweren met betrekking tot de schade.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In het kader van de beoordeling van de vorderingen van [eisers] en de verweren van de Gemeente en [gedaagde] moet allereerst worden vastgesteld 1) of sprake is van wateroverlast in de woning van [eisers] en zo ja, in welke mate en 2) wat daarvan de oorzaak is.
[eisers] verwijzen ter onderbouwing van hun stelling dat sprake is van structurele wateroverlast als gevolg van een te laag uitgezet bouwpeil naar het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige [naam 1]. De Gemeente en [gedaagde] betwisten dat in de woning van [eisers] sprake is van structurele wateroverlast. Zij betwisten ook dat het bouwpeil van de woning in 2021 te laag is vastgesteld en weerspreken de conclusies van [naam 1], onder verwijzing naar de rapporten van de door henzelf geraadpleegde deskundigen van EMN en Tauw.
De rechtbank stelt voorop dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen en conclusies van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Indien sprake is van een door de rechter benoemde deskundige, zoals [naam 1], en een partij – door zich te beroepen op de zienswijze van een door haarzelf geraadpleegde deskundige – voldoende gemotiveerde standpunten heeft ingenomen en voldoende duidelijk heeft aangegeven waarom zij het oordeel van de door de rechter benoemde deskundige niet aanvaardbaar acht, geldt het volgende. Indien de rechter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige volgt, zal hij zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. Volgt de rechter echter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet, dan gelden in beginsel de gewone motiveringseisen en dient hij zijn oordeel van een zodanige motivering te voorzien dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de door [eisers] gestelde structurele wateroverlast in de woning.
Is sprake van wateroverlast in de woning en is deze wateroverlast structureel?
[naam 1] komt in zijn rapport, samengevat en voor zover nu van belang, tot de conclusie dat sprake is van wateroverlast in woning van [eisers] [naam 1] baseert zich op foto’s van [eisers] van 5 januari 2024 en 10 februari 2024, waarop te zien is dat het water in de kruipruimte tot 19 centimeter onder het vloerpeil staat en tegen de onderkant van de begane grondvloer drukt respectievelijk dat er water uit de kruipruimte wordt gepompt. Daarnaast baseert [naam 1] zich op zijn eigen waarnemingen van
7 maart 2024. Toen stond het water in de kruipruimte tot 72,5 cm onder de cementdekvloer en voelde de cementdekvloer in de hal bij de meterkast nat aan. Verder verwijst [naam 1] naar de vochtmetingen die hij op 7 maart 2024 in de woning heeft verricht. De vochtstatus van de keramische tegelvloerbedekking in de hal nabij de meterkast was 54,4 (nat). De vochtstatus nam af naar 35,2 (risico) naarmate verder van de meterkast en de kruipruimte werd gemeten. In de woonkamer werd geen verhoogde vochtstatus meer gemeten. Tot slot baseert [naam 1] zich op twee foto’s van 27 januari 2023 en 24 april 2023, waarop te zien is dat er water boven de (uitgegraven) infiltratiekratten van het IBA-systeem (stil)staat en de verklaringen van [eisers] dat zij te kampen hebben met terugstromingen vanuit dit systeem naar de woning.
In de door de Gemeente en [gedaagde] ingebrachte rapporten van EMN en Tauw wordt geen concrete andersluidende conclusie getrokken over de aanwezigheid van wateroverlast. In het rapport van EMN wordt alleen overwogen dat een laag water in de kruipruimte zoals aangetroffen op 7 maart 2024 niet per definitie een probleem is en dat de aard en omvang van de wateroverlast op basis van de bevindingen van [naam 1] niet zijn vast te stellen. Op aard van de wateroverlast zal hierna worden ingegaan. Met betrekking tot de omvang van de wateroverlast is de rechtbank is van oordeel dat op basis van het geheel van bevindingen van [naam 1], in combinatie met hetgeen [eisers] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken hebben aangevoerd, voldoende komt vast te staan dat sprake is van een structureel probleem. Tijdens de mondelinge behandeling is door [eisers] toegelicht dat zij in oktober 2022 – drie maanden nadat zij de woning hadden betrokken – voor het eerst het toilet in de woning niet goed konden doortrekken. Vervolgens kwam in januari 2023 afvalwater omhoog uit alle afvoeren; niet alleen in het toilet, maar ook in de douche en bij de wasmachine. Onderzoek van het gehele afvoersysteem wees uit dat water vanuit de infiltratiekratten terugstroomde naar de opvangputten van het IBA-systeem, die daardoor zo vol zaten dat het afvalwater uit de woning er niet meer bij kon en terugstroomde. [eisers] hebben uitgelegd dat zij het afvalwater uit hun woning sindsdien noodgedwongen met een pomp in de sloot voor hun huis lozen om verdere problemen met de afvoer van afvalwater te voorkomen. Zij hebben verder toegelicht dat zij regelmatig water uit de kruipruimte moeten pompen, omdat het water tot aan de onderzijde van de begane grondvloer staat en het vocht optrekt in de vloer, met als gevolg dat de muren in huis vochtig zijn en dat sprake is van schimmelvorming op de vloer in de hal. De Gemeente en [gedaagde] hebben dit alles niet (gemotiveerd) weersproken. [gedaagde] heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling toegegeven dat zij de door [eisers] omschreven wateroverlast zelf ook heeft geconstateerd tijdens een bezoek aan de woning.
Wat is de oorzaak van de structurele wateroverlast?
Vast staat dus dat sprake is van structurele wateroverlast in de woning. De vervolgvraag is wat de oorzaak is van deze wateroverlast. Hieronder worden eerst de conclusies van [naam 1] besproken, waarop [eisers] zich beroepen. Daarna wordt ingegaan op de bezwaren van de Gemeente en [gedaagde] tegen deze conclusies, onder verwijzing naar de rapporten van EMN en Tauw.
De oorzaak van de wateroverlast volgens [naam 1]
De oorzaak van de wateroverlast is volgens [naam 1] dat het gehanteerde bouwpeil van 7,66 meter boven NAP te laag is voor de geotechnische omstandigheden op het perceel van [eisers] In natte perioden bereikt het grondwater een hoogte tot halverwege de kruipruimte of nabij de onderkant van de cementdekvloer van de woning en dringt het door in de begane grondvloer. Ook bereikt het grondwater dan de bovenkant van het IBA-systeem, waardoor het grondwater in het systeem stroomt en de afvoer van afvalwater niet meer functioneert. Er is dus sprake van grondwateroverlast, aldus [naam 1].
Het bouwpeil van de woning had volgens [naam 1] 8,27 meter boven NAP moeten zijn. Dit legt hij als volgt uit. Van november 2023 tot en met augustus 2024 hebben er drie peilbuizen van het bedrijf [bedrijf 3] op het terrein van [eisers] gestaan. Uit metingen van de peilbuis die het dichtst bij de woning en het IBA-systeem is geplaatst (peilbuis 2) volgt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand daar in deze periode circa 7,0 meter boven NAP bedroeg. Uit het Programma van Eisen inrichting openbare ruimte van 1 maart 2021 van de gemeente Raalte volgt volgens [naam 1] dat bij bebouwing met kruipruimte de ontwateringsdiepte ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand minimaal 0,8 meter vanaf de onderkant van de begane grondvloer moet zijn. Daarbij moeten volgens [naam 1] worden opgeteld de dikte van de begane grondvloer (0,29 meter) en de dikte van de cementvloer (0,08 meter). Verder schrijft het bestemmingsplan voor dat het bouwpeil minimaal 0,1 meter hoger moet liggen dan het aansluitende afgewerkte terrein bij de hoofdingang van de woning. Dit leidt volgens [naam 1] tot de volgende rekensom:
gemiddelde hoogste grondwaterstand 7,00 meter +NAP
ontwateringsdiepte tot onderkant begane grondvloer 0,80 meter
dikte begane grondvloer 0,29 meter
dikte cementvloer 0,08 meter
minimale afstand tot afgewerkte terrein bij hoofdingang 0,10 meter + t
totaal benodigd bouwpeil 8,27 meter +NAP
De peilbuismetingen van [bedrijf 3] waren niet beschikbaar ten tijde van het uitzetten van het bouwpeil op 31 augustus 2021. Er waren wel meetgegevens van andere peilbuizen in de omgeving beschikbaar, maar daaraan kunnen vanwege de grote afstand tot het perceel van [eisers] en vanwege onvoldoende duidelijkheid over de specifieke geotechnische omstandigheden ter plaatse volgens [naam 1] geen conclusies worden verbonden over de grondwaterstand op het perceel van [eisers] Ook aan de resultaten van de boringen die op 18 mei 2021 op het perceel zijn gedaan, opgenomen in het rapport van [bedrijf 1], kunnen volgens [naam 1] geen conclusies worden verbonden over de hoogte van de grondwaterstand op het perceel. In het rapport van [bedrijf 1] wordt namelijk alleen een grondwaterstand van 1,4 onder maaiveld genoemd. Het is volgens [naam 1] echter niet duidelijk waar precies is geboord op het perceel en hoe hoog het maaiveld daar lag ten opzichte van NAP. Bovendien vonden de boringen van [bedrijf 1] plaats in een relatief droge periode, waardoor ze wat betreft de grondwaterstanden niet representatief zijn. [naam 1] meent daarom dat moet worden uitgegaan van bovengenoemde metingen van [bedrijf 3] en van een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 7,00 meter boven NAP op het perceel.
Volgens [naam 1] is het IBA-systeem juist ontworpen, op de juiste wijze aangelegd en functioneert het bij lage grondwaterstanden goed. Bij een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 7,0 meter boven NAP is echter ook het IBA-systeem te laag aangelegd. De bovenkant van de infiltratiekratten ligt namelijk op 6,88 meter (bovenkant) boven NAP, waardoor er in natte perioden regelmatig grondwater in de infiltratiekratten stroomt. Dan functioneert het IBA-systeem niet meer en stroomt het afvalwater uit de woning terug.
[naam 1] noemt een drietal oplossingen voor de grondwateroverlast. Ten eerste noemt hij het omhoog brengen van de gehele woning, inclusief de leidingen, het IBA-systeem en een deel van de terreinverharding met tuin. Dit is volgens hem de beste structurele oplossing. Zeer globaal en zeer voorlopig schat hij de kosten van deze oplossing op € 125.000,00. Ten tweede noemt hij drainage met bemaling. Drainage is echter niet bedoeld om een structurele grondwaterstandverlaging te realiseren, wat op het perceel van [eisers] wel nodig is, aldus [naam 1]. Daarnaast vraagt een structureel in stand te houden bemaling onderhoud en stroom. [naam 1] werpt ook de vraag op of de geotechnische omstandigheden geschikt zijn voor een dergelijke oplossing. Een derde oplossing zou volgens [naam 1] kunnen zijn de aanleg van een drukriool ter vervanging van het IBA-systeem. Dit biedt volgens hem echter geen oplossing voor de hoge waterstanden in de kruipruimte. Daarnaast zullen de aanlegkosten aanzienlijk zijn en is onduidelijk of daarvoor een vergunning wordt verleend.
De bezwaren van de Gemeente en [gedaagde] tegen de conclusies van [naam 1]
De Gemeente en [gedaagde] betwisten bovengenoemde conclusies uit het rapport van [naam 1]. Onder verwijzing naar de opmerkingen van de door henzelf geraadpleegde deskundigen van EMN en Tauw voeren zij de volgende bezwaren aan tegen de conclusies uit het rapport van [naam 1].
[naam 1] is ten onrechte voorbij gegaan aan de vóór de bouw bekende grondwaterstanden
De Gemeente en [gedaagde] betogen ten eerste dat het bouwpeil juist is vastgesteld en voldoende ruimte geeft om te voldoen aan de onder artikel 1.93 (bestemmingsplan Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020) genoemde 10 centimeter, het verschil tussen de bouwhoogte en de hoogte van het aangrenzend afgewerkte terrein ter hoogte van de hoofdingang van de woning. Verder voeren zij aan dat [naam 1] ten onrechte [bedrijf 3] grondwatermetingen van ná de bouw tot uitgangspunt heeft genomen en is voorbijgegaan aan de vóór de bouw bekende meetgegevens, namelijk de resultaten van de grondboringen van 18 mei 2021 op het perceel die worden beschreven in het rapport van [bedrijf 1]. Onder verwijzing naar de rapporten van EMN en Tauw voeren zij aan dat deze metingen van [bedrijf 1], anders dan [naam 1] meent, wél representatief en bruikbaar zijn. Volgens de deskundigen van EMN en Tauw was de maand mei 2021 nat en koud. [naam 1] spreekt dus ten onrechte van een relatief droge periode kort voor de boringen. Daarnaast kan de op het perceel gemeten grondwaterstand van 1,4 meter onder maaiveld aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland worden ‘omgerekend’ naar een grondwaterstand ten opzichte van NAP. Dat leidt tot de conclusie dat de grondwaterstand op het perceel in 2021 tussen 5,7 en 6,1 meter boven NAP (volgens de deskundige van EMN, uitgaande van een maaiveldhoogte van 7,1 tot 7,5 meter boven NAP) of circa 5,9 meter boven NAP (volgens de deskundige van Tauw, uitgaande van een maaiveldhoogte van 7,3 meter boven NAP) was. Deze grondwaterstanden zijn volgens beide deskundigen ook in lijn met de resultaten van metingen die in 2010 op het perceel zijn gedaan door LTO, Grondslag B.V. Met deze grondwaterstanden op het perceel was er in 2021 geen enkele aanleiding om het bouwpeil op een hoger niveau vast te stellen. De Gemeente en [gedaagde] hebben er ook nog op gewezen dat uit het rapport van Tauw volgt dat [gedaagde] ook tijdens het uitgraven van de bouwput (oktober 2021) en het zwembad (mei 2022) geen grondwater is tegengekomen. Beide deskundigen concluderen daarnaast dat een bouwpeil van 7,66 meter boven NAP ook gelet op alle in 2021 bekende meetgegevens uit de omgeving – meetgegevens van grondwatermonitoringsputten en peilbuizen met langdurige meetreeksen in de omgeving en de oppervlaktewaterpeilen – volledig verklaarbaar en niet te laag is. Bij dit bouwpeil is op grond van de vóór de bouw bekende meetgegevens geen wateroverlast te verwachten, aldus beide deskundigen.
[naam 1] geeft geen verklaring voor de opmerkelijke meetgegevens van ná de bouw
De Gemeente en [gedaagde] voeren aan dat de ná de bouw gemeten waterstanden in de peilbuizen van [bedrijf 3] en in de kruipruimte om verschillende redenen onwaarschijnlijk en/of opmerkelijk zijn en vragen om een verklaring, die in het rapport van [naam 1] niet wordt gegeven. Ten eerste wijken de door [bedrijf 3] gemeten grondwaterstanden sterk af van de vóór de bouw bekende grondwaterstanden. Ten tweede zijn er door [bedrijf 3] grondwaterstanden gemeten die hoger zijn dan het oorspronkelijke maaiveld van het perceel in 2021 én hoger zijn dan het maaiveld van de naastgelegen percelen. Het grondwater zou dan moeten zijn afgestroomd naar deze lager gelegen percelen, maar daarvan is niets gebleken, niet uit luchtfoto’s en ook niet uit meldingen. Ten derde plaatsen de Gemeente en [gedaagde] kanttekeningen bij de conclusie van [naam 1] dat op 5 januari 2024 in de kruipruimte een grondwaterstand tot 19 centimeter onder het vloerpeil is gemeten. Dat zou namelijk betekenen dat de grondwaterstand op die datum 7,66 - 0,19 = 7,47 meter boven NAP is geweest. Bij een dergelijke grondwaterstand zouden de naastgelegen percelen volledig onder water moeten hebben gestaan. Daarvan is niets gebleken. Bovendien verhoudt de gemeten waterstand zich dan niet met de gemeten grondwaterstand in peilbuis 2 op die dag (7,17 meter boven NAP). Dit maakt de conclusie van [naam 1] dat sprake is van grondwater in de kruipruimte onwaarschijnlijk, aldus de deskundigen van EMN en Tauw.
Kortom, de meetgegevens van [bedrijf 3] en het gemeten waterpeil in de kruipruimte c.s. wijken aanzienlijk af van de historische gegevens en in de omgeving is geen sprake van grondwateroverlast. Deze opmerkelijke omstandigheden vragen volgens de Gemeente en [gedaagde] om nader onderzoek en nadere duiding.
Andere aannemelijke oorzaken voor de wateroverlast zijn ten onrechte niet onderzocht
De Gemeente en [gedaagde] voeren aan dat er andere aannemelijke verklaringen voor de wateroverlast zijn, waar [naam 1] ten onrechte geen onderzoek naar heeft gedaan. Zij verwijzen daarbij naar de rapporten van EMN en Tauw en hebben elk beide rapporten ingediend.
- De Gemeente: de wateroverlast is het gevolg van een perceeleigen probleem
Volgens de Gemeente wijst alles op een perceeleigen probleem. Zij wijst erop dat het volgens de deskundige van EMN aannemelijk is dat [eisers] in de kruipruimte niet te kampen hebben met grondwateroverlast, maar met hemelwateroverlast. [eisers] maken melding van wateroverlast in perioden waarin veel neerslag is gevallen. Tijdens de bouw is het perceel opgehoogd. De bestrating rondom de woning ligt sinds de bouw op 7,6 meter boven NAP. Het is de vraag of het beperkte niveauverschil met het bouwpeil (0,06 meter) voldoende is voor de afwatering bij veel neerslag. Het hemelwater kan zich dan gemakkelijk verzamelen in de kruipruimte. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Gemeente in aanvulling hierop aangevoerd dat het perceel is bestraat met een afschot richting de woning, waardoor hemelwater niet van de woning af loopt, maar juist naar de woning toe.
Met betrekking tot de wateroverlast in het IBA-systeem, voert de Gemeente aan dat het goed mogelijk is dat dit systeem niet juist is aangelegd. Voordat het bouwpeil van de woning kan worden uitgezet, moet de ligging – het niveau – van het IBA-systeem worden bepaald. Daarbij geldt dat de infiltratiekratten moeten worden ingegraven boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (of de hoogst gemeten grondwaterstand). Vervolgens moet, met inachtneming van de afstand tot de woning, de noodzaak om het riool vorstvrij aan te leggen, het afschot en de ruimte die er onder de begane grondvloer moet zijn om de afvoeren op de riolering aan te sluiten, het bouwpeil van de woning worden bepaald. Een correct ontwerp en een correcte aanleg van het IBA-systeem voorkomen verstoppingen en terugstromingen vanuit dit systeem naar de woning. Volgens de Gemeente heeft [naam 1] ten onrechte niet onderzocht hoe het IBA-systeem van [eisers] is ontworpen en aangelegd ten opzichte van de woning, welke gegevens over de grondwaterstanden daarvoor zijn gebruikt en of de terugstromingen waarmee [eisers] te maken hebben gehad, door het ontwerp en de aanleg van het IBA-systeem kunnen worden verklaard.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Gemeente in aanvulling op het voorgaande nog naar voren gebracht dat de peilbuizen van [bedrijf 3] geen representatief beeld geven van de grondwaterstanden op het perceel. Alle drie de buizen stonden namelijk op een rechte lijn langs de oprit en het perceel loopt af richting de buizen, waardoor het hemelwater op het perceel zich daar kan verzamelen. De conclusie dat op het perceel sprake is van een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 7,0 meter boven NAP kan dus niet zonder meer worden gevolgd, aldus de Gemeente. Mocht deze conclusie wel kloppen, dan is sprake van sterk gestegen grondwaterstanden op het perceel tussen 2021 (vóór de bouw) en 2023-2024 (ná de bouw). Volgens de Gemeente is het goed mogelijk dat er in dat geval een verband is tussen het bouwrijp maken en bebouwen van het perceel en het stijgen van de grondwaterstanden. Ook daarnaar heeft [naam 1] ten onrechte geen onderzoek gedaan, aldus de Gemeente.
- Beide partijen: de wateroverlast is het gevolg van de bodemsamenstelling
Onder verwijzing naar het rapport van Tauw voeren de Gemeente en [gedaagde] aan dat de oorzaak van de wateroverlast is gelegen in de samenstelling van de bodem van het perceel in combinatie met de infiltratiekratten van het IBA-systeem en (bovengemiddeld veel) neerslag. [eisers] maken melding van wateroverlast in perioden waarin veel neerslag is gevallen. Sowieso viel er volgens de deskundige van Tauw eind 2023 en in heel 2024 bovengemiddeld veel neerslag in Nederland. Neerslag – hemelwater – infiltreert in de bodem. De deskundigen van Tauw beschrijven dat de bodem van het perceel van [eisers] is opgebouwd uit een dunne zandlaag met daaronder veenlaag. Water dat in de bodem terecht komt, stagneert langdurig op deze veenlaag als gevolg van de slecht doorlatende eigenschappen van deze bodemsoort. Dat geldt niet alleen voor hemelwater, maar ook voor het afvalwater uit de woning van [eisers], dat via de infiltratiekratten moet infiltreren in de bodem. De infiltratiekratten bevinden zich namelijk in deze veenlaag, wat volgens de deskundigen van Tauw zeer onverstandig is. Het gevolg van deze stagnatie van hemel- en afvalwater op de veenlaag is dat de daarboven gelegen zandlaag snel verzadigt. Het water kan dan niet verder de bodem in infiltreren en zoekt in plaats daarvan ‘de weg van de minste weerstand’, wat leidt tot terugstromingen in het IBA-systeem en water dat via de verzadigde zandlaag naar de kruipruimte stroomt.
Beide partijen: er is onvoldoende onderzoek gedaan naar mogelijke oplossingen voor de wateroverlast
De Gemeente en [gedaagde] voeren aan dat er, afhankelijk van de oorzaak van de wateroverlast, verschillende eenvoudigere en goedkopere oplossingen zijn dan het ophogen van het gehele perceel. In het rapport van EMN wordt opgemerkt dat de sloot aan de achterzijde van het perceel en de duiker met sloot aan de voorzijde van het perceel het wellicht mogelijk maken om met drainages een beheersbare situatie te creëren. Het ventileren van de kruipruimte kan verder een oplossing bieden voor het naar de hal optrekkende vocht vanuit de kruipruimte. Voor zover het ophogen van de woning toch nodig blijkt te zijn, wordt opgemerkt dat hoogteverschillen tussen de omhoog gebrachte woning en de overige delen van het perceel zijn op te vangen met bijvoorbeeld een stoep, vlonders en/of plaatselijke verhogingen in de bestrating. Het is dan dus niet noodzakelijk om het gehele perceel inclusief alle overige opstallen op te hogen, aldus de deskundige van EMN. In het rapport van Tauw worden als oplossingen genoemd: de aanleg van een drainagesysteem, het aanbrengen van een klokpomp onder de fundering, de aanleg van een noodoverstortvoorziening, grondverbetering tot onder de veenlaag en aanpassing van het aangesloten verhard oppervlak en van de wijze van aanbrengen van het IBA-systeem.
De Gemeente: [naam 1] berekening van het juiste bouwpeil klopt niet
Tot slot voert de Gemeente nog aan dat, ook als de door [bedrijf 3] gemeten grondwaterstanden wel tot uitgangspunt moeten worden genomen, een lager bouwpeil dan 8,27 meter boven NAP volstaat. Ter onderbouwing verwijst zij naar het rapport van EMN, waarin wordt opgemerkt dat de rekensom die [naam 1] heeft gemaakt om het juiste bouwpeil bij de meetgegevens van [bedrijf 3] vast te stellen, niet klopt. Ten eerste zit de dikte van de cementdekvloer (0,08 centimeter) al inbegrepen in de dikte van de begane grondvloer (0,29 centimeter) en ten tweede is voor deze som de minimale afstand tot het afgewerkte terrein bij de hoofdingang niet relevant, aldus de deskundige van EMN. De rekensom moet volgens deze deskundige zijn: 7,00 meter boven NAP gemiddelde hoogste grondwaterstand + 0,80 meter ontwateringsdiepte + 0,29 meter begane grondvloer = 8,08 meter boven NAP. In aanvulling hierop heeft de Gemeente nog aangevoerd dat de norm van 0,8 meter ontwateringsdiepte uit het Programma van Eisen inrichting openbare ruimte alleen voor de openbare ruimte geldt en niet voor privépercelen.
De beoordeling: onvoldoende duidelijkheid over de oorzaak van de wateroverlast
De rechtbank overweegt dat [eisers], aan de hand van de conclusies van [naam 1], gemotiveerd hebben gesteld dat zij hebben te kampen met grondwateroverlast als gevolg van een te laag bouwpeil van hun woning, maar is van oordeel dat de Gemeente en [gedaagde] voldoende gemotiveerde bezwaren hebben aangevoerd tegen de conclusies van [naam 1]. Gelet op hetgeen de door hen geraadpleegde deskundigen van EMN en Tauw naar voren hebben gebracht, kan de conclusie van [naam 1] dat de wateroverlast in de woning van [eisers] wordt veroorzaakt doordat het bouwpeil van de woning in 2021 te laag is vastgesteld, niet zonder meer worden gevolgd.
Het rapport van [naam 1] roept verschillende vragen op, die vooralsnog onbeantwoord zijn gebleven. [naam 1] neemt de meetgegevens van ná de bouw tot uitgangspunt. Het is de rechtbank echter vooralsnog niet duidelijk hoe deze meetgegevens zich verhouden tot de meetgegevens van vóór de bouw en, in het verlengde daarvan, of er destijds, bij het bepalen van het bouwpeil in 2021, ook aanleiding was om een hoger bouwpeil vast te stellen. De heer Lamers, die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was om een toelichting te geven op het rapport van [naam 1], heeft daarover opgemerkt dat de grondwaterstand op een perceel vóór de bouw nooit als vertrekpunt kan worden gebruikt voor het te hanteren bouwpeil vanwege de constructie die vervolgens op het perceel wordt gebouwd en vanwege de gevolgen van klimaatverandering. Op welke wijze en aan de hand van welk vertrekpunt en welke parameters het bouwpeil in 2021 dan had moeten worden bepaald, is de rechtbank echter niet duidelijk geworden. Verder wordt door zowel de deskundige van EMN als de deskundige van Tauw opgemerkt dat de door [bedrijf 3] gemeten grondwaterstanden niet goed te rijmen zijn met de – onweersproken – omstandigheid dat op naastgelegen percelen met een lager maaiveld geen sprake is van wateroverlast. Daarnaast lijkt het gemeten waterpeil in de kruipruimte op 5 januari 2024 aanzienlijk hoger te zijn dan de op die datum in peilbuis 2 gemeten grondwaterstand. Indien sprake is van grondwateroverlast in de kruipruimte, zoals [naam 1] concludeert, rijst de vraag hoe dit verschil in waterstanden moet worden verklaard. Dit alles vraagt naar het oordeel van de rechtbank om een nadere uitleg, welke uitleg [naam 1] niet heeft gegeven, ook niet naar aanleiding van de opmerkingen van de Gemeente en [gedaagde] op het conceptrapport. Het onderzoek van [naam 1] is daarnaast beperkt van opzet geweest. Er is namelijk alleen onderzoek gedaan naar het bouwpeil van de woning als mogelijke oorzaak van de wateroverlast waarmee [eisers] te kampen hebben. Andere mogelijke oorzaken, te weten het niveau en het afschot van de bestrating, meteorologische omstandigheden, het ontwerp en de aanleg van het IBA-systeem, de bodemsamenstelling en een mogelijk verband tussen de wateroverlast en het bouwrijp maken en bebouwen van het perceel, heeft [naam 1] niet (kenbaar) onderzocht.
Kortom, er is nog onvoldoende duidelijkheid over de oorzaak van de wateroverlast in de woning van [eisers] en de vraag of het bouwpeil van de woning in 2021 te laag is vastgesteld, kan daardoor op dit moment niet afdoende worden beantwoord. De rechtbank heeft naar aanleiding van de rapporten van [naam 1], EMN en Tauw en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht nog verschillende aanvullende vragen. Deze vragen hebben deels betrekking op een aantal feitelijke omstandigheden op het perceel, die door de deskundigen van EMN en Tauw naar voren zijn gebracht, maar door [eisers] tijdens de mondelinge behandeling zijn weersproken, namelijk: 1) dat het perceel rondom de woning zou zijn opgehoogd ten opzichte van vóór de bouw, 2) dat de perceelbestrating op afschot zou liggen naar de woning en/of naar de locatie waarop de peilbuizen van [bedrijf 3] stonden toe en 3) dat er vóór de bouw geen sprake zou zijn geweest van water op het perceel van [eisers] Voor het overige wordt gevraagd om een nadere duiding van de beschikbare grondwatermetingen, van de door partijen naar voren gebrachte factoren die de grondwaterstand kunnen hebben beïnvloed, van de wateroverlast in de kruipruimte en de terugstromingen vanuit het IBA-systeem en – in het verlengde daarvan – van de mogelijke oplossingen voor de wateroverlast.
De rechtbank overweegt om een nieuwe deskundige te benoemen voor het beantwoorden van deze aanvullende vragen. De rechtbank constateert dat de Gemeente en [gedaagde] bij het concept-rapport van [naam 1] al verscheidene opmerkingen hebben gemaakt en [naam 1] hebben gevraagd om een nadere toelichting op de door hem getrokken conclusies. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [naam 1] gelegen om daar in zijn definitieve rapportage op in te gaan. Dat heeft [naam 1] echter niet, althans onvoldoende gedaan. De rechtbank acht het daarom niet zinvol om [naam 1] (opnieuw) om een nadere toelichting op zijn conclusies te vragen. Daar komt bij dat zich inmiddels drie deskundigen hebben uitgesproken over deze zaak, allen met een eigen invalshoek. De rechtbank acht het in het belang van de zaak dat de vragen die zijn gerezen naar aanleiding van de rapporten van deze drie deskundigen, worden beantwoord door een deskundige die zich nog niet eerder in deze zaak heeft verdiept en die met een open blik de drie bestaande rapporten kan beoordelen.
Voordat tot de benoeming van een nieuwe deskundige wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
de wenselijkheid van een nieuw deskundigenbericht;
het aantal en het/de specialisme(n) van de te benoemen deskundige(n);
de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
De grondwaterstanden op het perceel
Is het bouwpeil vastgesteld conform de geldende eisen/standaard? In hoeverre is het grondwaterpeil relevant bij de vaststelling van het bouwpeil?
Zijn geotechnische omstandigheden op een perceel van belang bij het bepalen van het bouwpeil van een daarop te bouwen woning? Zo ja, om welke geotechnische omstandigheden gaat het dan en is daar in dit geval voldoende rekening mee gehouden?
a. Moet bij het bepalen van het bouwpeil rekening worden gehouden met het seizoen waarin de grondwaterstand wordt gemeten en met (de gevolgen van) klimaatverandering? Zo ja, op welke wijze? Is dat hier voldoende gedaan?
b. Is er een verband tussen het bouwrijp maken, het bestraten en het bebouwen van een perceel en het stijgen van de grondwaterstanden op dat perceel? Moet daarmee bij het bepalen van het bouwpeil rekening worden gehouden? Zo ja, op welke wijze? Is dat hier voldoende gedaan?
3. In 2021 heeft [bedrijf 1] op het perceel een grondwaterstand van 1,4 meter onder maaiveld gemeten. EMN en Tauw hebben deze grondwaterstand aan de hand van het AHN ‘omgerekend’ naar een grondwaterstand van 5,7 tot 6,1 meter boven NAP. Kunt u zich daarin vinden en zo nee, waarom niet?
4. Zijn de metingen van [bedrijf 1] bruikbaar bij de beoordeling van het bepaalde bouwpeil?
5. Hoe kan het dat de peilbuismetingen van [bedrijf 3] uit 2023-2024 – met een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 7,0 meter boven NAP – zo sterk afwijken van deze meting van [bedrijf 1]?
6. Zijn de peilbuismetingen van [bedrijf 3] bruikbaar bij of nodig voor de beoordeling van het bepaalde bouwpeil of zijn er nieuwe metingen nodig? Zou u bij uw antwoord in elk geval kunnen ingaan op de locatie van de peilbuizen op het perceel? Zou u ook kunnen beoordelen of het perceel afloopt richting de locatie waar de peilbuizen hebben gestaan? Zo ja, welke gevolgen heeft dat voor de representativiteit van de peilbuismetingen?
7. Hoe kan het, gelet op de metingen van [bedrijf 3], dat geen sprake is van wateroverlast op de naastgelegen percelen met een lager maaiveld? Is sprake van perceeleigen probleem?
8. Heeft extreme regenval invloed op de grondwaterstand? Zo ja, wat is de invloed van meteorologische omstandigheden in dit geval geweest op de grondwaterstand op het perceel? In hoeverre had daarmee rekening moeten worden gehouden bij het vaststellen van het bouwpeil?
9. Wat is de invloed van het hebben van een IBA-systeem, met infiltratiekratten in de grond, op hoogte van de grondwaterstand op een perceel zoals dat van [eisers]?
10. Uitgaande van een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 7,0 meter boven NAP op het perceel komt [naam 1] tot de conclusie dat het bouwpeil op 8,27 meter boven NAP had moeten worden vastgesteld. Klopt de rekensom die [naam 1] in dat verband op pagina 13 van zijn rapport maakt?
De wateroverlast in de kruipruimte
11. Waar komt het water in de kruipruimte vandaan?
11. Is sprake van infiltrerend hemelwater of grondwater in de kruipruimte?
11. Indien sprake is van infiltrerend grondwater in de kruipruimte, hoe kan dan de situatie op 5 januari 2024 – water tot circa 19 centimeter onder het vloerpeil – worden verklaard in het licht van 1) de in peilbuis 2 van [bedrijf 3] gemeten grondwaterstand op die dag en 2) de omstandigheid dat naastgelegen percelen met een lager maaiveld op die dag niet waren ondergelopen?
11. Is de oppervlaktebestrating van invloed op het waterpeil in de kruipruimte? Is het niveauverschil tussen de oppervlaktebestrating en het bouwpeil voldoende voor de afwatering?
11. Is sprake van een afschot van de bestrating naar de woning toe?
11. Is het bouwpeil de oorzaak van de wateroverlast in de kruipruimte?
De terugstromingen vanuit het IBA-systeem
17. Op grond van welke uitgangspunten (de eisen van verval en de overige ontwerpeisen) moet een IBA-systeem worden ontworpen en aangelegd en is daar in dit geval aan voldaan?
17. Wat is de exacte positionering van de onderdelen IBA-systeem ten opzichte van de grondwaterstanden, de woning en de peilbuizen van [bedrijf 3]?
17. In wat voor bodemlaag of bodemsoort liggen de infiltratiekratten en wat betekent dat voor het functioneren van deze kratten?
17. Wat is de oorzaak van de terugstromingen vanuit het IBA-systeem naar de woning van [eisers]?
Oplossingsrichtingen
21. Welke oplossingen zijn er denkbaar voor de wateroverlast in de kruipruimte en welke oplossingen zijn er denkbaar voor de terugstromingen vanuit het IBA-systeem naar de woning?
21. Partijen hebben gewezen op: ventilering in de kruipruimte, de aanleg van een drainagesysteem, het aanbrengen van een klokpomp onder de fundering, de aanleg van een noodoverstortvoorziening, grondverbetering tot onder de veenlaag en aanpassing van het aangesloten verhard oppervlak, van het afschot naar de woning toe en/of van de wijze van aanbrengen van het IBA-systeem. Kunt u zich daarover uitlaten?
21. Wat zijn de voor- en nadelen van deze oplossingen?
21. Wat zijn de kosten die met deze oplossingen zijn gemoeid, zou u deze kosten kunnen specificeren en onderbouwen?
Overig
25. Wilt u bij uw antwoorden zo mogelijk de stellingen van [naam 1], EMN en Tauw betrekken?
25. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
De rechtbank realiseert zich dat haar voornemen om een nieuwe deskundige te benoemen voor de beantwoording van aanvullende vragen tot nog meer kosten zal leiden en bovendien betekent dat partijen langer moeten wachten op duidelijkheid over hun juridische positie. Dit zal in het bijzonder voor [eisers] een teleurstelling zijn, nu zij – zo hebben zij tijdens de mondelinge behandeling ook naar voren gebracht – nog steeds worden geconfronteerd met wateroverlast en vochtproblemen en daarvoor begrijpelijkerwijs zo snel mogelijk een oplossing willen. De rechtbank acht de beantwoording van bovengenoemde aanvullende vragen echter wel noodzakelijk om te kunnen beoordelen of en zo ja, in hoeverre de Gemeente en/of [gedaagde] aansprakelijk zijn voor de (gevolgen van) de wateroverlast in de woning van [eisers]
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om het voorschot op de kosten van de nieuw te benoemen deskundige(n) gelijkelijk over partijen te verdelen. Daarbij is van belang dat [eisers] hun stellingen baseren op het rapport van een deskundige die in de verzoekschriftprocedure voorlopig deskundigenbericht is voorgesteld door [gedaagde], nadat [gedaagde] zich had verzet tegen de door [eisers] voorgestelde deskundige. Alle partijen hebben vervolgens met de benoeming van deze deskundige, [naam 1], ingestemd. Naar aanleiding van het rapport van [naam 1] hebben de Gemeente en [gedaagde] vervolgens verweer gevoerd met twee nieuwe rapporten. Daarin worden zoveel niet eerder genoemde potentiële oorzaken van de wateroverlast opgeworpen dat de reikwijdte van het onderzoek aanzienlijk wordt uitgebreid. Partijen moeten daarom ieder een derde van dit voorschot betalen. In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom een door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de wenselijkheid van een nieuw deskundigenbericht, het aantal en het/de specialisme(n) van de te benoemen deskundige(n) en de in rechtsoverweging 4.29. opgenomen aanvullende vragen. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij(en) kunnen reageren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 21 oktober 2026 om alle partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over:
de wenselijkheid van een nieuw deskundigenbericht,
het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n),
de in rechtsoverweging 4.29. opgenomen aanvullende vragen,
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij(en),
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels, mr. R.F. van Aalst en mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.