RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12154891 \ CV EXPL 26-921
Vonnis van 22 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. Inleiding en samenvatting
[gedaagde] is al enkele jaren vaste klant bij [eiser] en heeft een tankpas waarmee op naam van de onderneming brandstof en goederen kunnen worden afgenomen bij [eiser]. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of [gedaagde] gehouden is vier door [eiser] verzonden facturen te betalen en in het verlengde daarvan of [gedaagde] degene is geweest die de brandstof en goederen heeft afgenomen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] duidelijk genoeg heeft uitgelegd dat [gedaagde] de goederen en brandstof heeft afgenomen en dat [gedaagde] daar onvoldoende tegenover heeft gesteld. [gedaagde] moet de facturen betalen plus de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aanvullende producties van de zijde van [eiser]- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026, waarbij de gemachtigde van [eiser] spreekaantekeningen heeft overgelegd en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken.
Hoewel [gedaagde] aanvankelijk bij conclusie van antwoord heeft gereageerd op de dagvaarding is zij, hoewel zij deugdelijk is opgeroepen, zonder bericht niet op de mondelinge behandeling verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[eiser] exploiteert een aantal benzinestations in [plaats 1] en [plaats 2].
[gedaagde] is al enkele jaren vaste klant bij [eiser] en beschikt over een tankpas waarmee op naam van de onderneming brandstof en goederen kunnen worden afgenomen bij [eiser].
[eiser] factureert de afgenomen brandstof en goederen achteraf.
In de periode van 23 augustus 2024 tot en met 30 september 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] vier facturen gestuurd (504241, 505024, 506228 en 508438) voor de levering van brandstof en consumptiegoederen (hierna: de facturen) en daarbij een totaalbedrag van € 2.018,24 in rekening gebracht.
4. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.018,24, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Zij betwist dat zij de brandstof en goederen vermeld in de vier facturen heeft afgenomen en voert aan dat er mogelijk sprake is van misbruik en dat zij dat ook bij [eiser] gemeld heeft.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
[gedaagde] moet de facturen betalen
[gedaagde] is van mening dat zij de facturen niet hoeft te betalen. Zij zegt dat zij de goederen en brandstof niet heeft gekocht en voert aan dat het aannemelijk is dat een derde misbruik heeft gemaakt van de tankpas. [gedaagde] onderbouwt dat zo: het is niet aannemelijk dat [gedaagde] de tankpas heeft gebruikt, omdat zij haar werkzaamheden in de periode waar de facturen op zien (augustus tot september 2024) nagenoeg had stilgelegd, er nagenoeg geen brandstofverbruik plaatsvond in die periode en zij op dat moment ook geen personeel in dienst had. Verder voert zij aan dat zij er bij [eiser] melding van heeft gemaakt dat de tankpas mogelijk werd gebruikt door derden.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht hoe de facturen tot stand zijn gekomen. Zij stelt het volgende. Een aantal transacties is met de tankpas van [gedaagde] verricht. Deze transacties krijgen een automatisch bonnummer op de factuur. Bij gebruik van de tankpas is vereist dat een pincode wordt ingetoetst, die alleen bekend is bij [gedaagde]. Ook is een aantal transacties handmatig verricht. Deze staan op de factuur met bonnummer 0. Bij handmatige transacties wordt op de bonnetjes het kenteken en de handtekening van de afnemer geregistreerd. [eiser] heeft de bonnetjes die horen bij de facturen 506228 en 508438 in het geding gebracht. Zij stelt dat het kenteken en de handtekening op deze bonnetjes bij [gedaagde] horen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] niet gemeld dat een derde misbruik maakte van de tankpas. Wel stelt zij dat zij diverse keren een nieuwe tankpas heeft afgegeven aan [gedaagde], omdat deze kwijt of beschadigd was. Ter onderbouwing daarvan heeft zij verwezen naar één van de overgelegde bonnetjes waarop staat dat de pas onleesbaar was. Om gebruik te maken van de tankpas, is bovendien het intoetsen van de pincode vereist, zodat een derde daarmee niet zomaar transacties kan verrichten, aldus [eiser].
Dit alles heeft [gedaagde] niet weersproken, zodat dit vast komt te staan. Bij deze stand van zaken had het op de weg van [gedaagde] gelegen om nadere feiten en omstandigheden te nomen die onderbouwen dat zij de transacties niet heeft verricht en dat sprake is geweest van misbruik van de tankpas door een derde. Dat heeft zij niet gedaan en daarom heeft zij de stelling van [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat betekent dat [gedaagde] de facturen moet betalen, tenzij het verweer van [gedaagde] slaagt.
[gedaagde] stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij tot betaling van de facturen wordt aangesproken, omdat [eiser] meer onderzoek moest doen naar misbruik van tankpassen of daar meer tegen moet optreden. Maar dat verweer kan niet slagen, want dat een derde misbruik heeft gemaakt van een tankpas van [gedaagde] of dat daar melding van is gemaakt, is niet vast komen te staan.
Dat betekent dat [gedaagde] de facturen moet betalen.
De wettelijke handelsrente
Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald en sprake is van een overeenkomst tussen rechtspersonen, moet zij ook de gevorderde wettelijke handelsrente betalen. Artikel 6:119a lid 2 BW bepaalt dat indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, wettelijke handelsrente van rechtswege verschuldigd is vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen. Gesteld, noch gebleken is dat een uiterste termijn van betaling is overeengekomen. Resteert de vraag wanneer [eiser] de facturen heeft ontvangen. De kantonrechter begrijpt de stelling van [eiser] zo dat volgens haar de facturen op factuurdatum zijn ontvangen. [gedaagde] heeft dit weersproken en aangevoerd dat zij de facturen nooit heeft ontvangen omdat deze naar een ander adres, namelijk dat van zijn broer, zijn toegestuurd. Daar gaat de kantonrechter echter niet in mee. Ter zitting heeft [eiser] namelijk aangevoerd dat zij de facturen op verzoek van de bestuurder van [gedaagde] heeft verzonden naar het adres van diens broer, en dat bovendien eerdere facturen die naar datzelfde adres waren verzonden, wel zijn betaald. Dit heeft [gedaagde] niet weersproken, zodat de kantonrechter dit aanneemt als vaststaande feiten. [eiser] heeft hiermee naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat de facturen door [gedaagde] zijn ontvangen. Dit betekent dat de kantonrechter de wettelijke handelsrente zal toewijzen vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de [gedaagde] de betreffende factuur heeft ontvangen, namelijk de datum die op de factuur staat vermeld.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In geschil is allereerst of [gedaagde] in verzuim verkeert. [gedaagde] voert namelijk aan dat zij de aanmaningen nooit heeft ontvangen, omdat ze naar een verkeerd adres zijn gestuurd. Ter zitting heeft [eiser] echter gesteld dat de aanmaningen zijn verzonden naar het bezoekadres van [gedaagde], zoals dat ten tijde van de aanmaningen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was geregistreerd. Dit heeft [gedaagde] niet weersproken, zodat de kantonrechter dit aanneemt als een vaststaand feit. [eiser] heeft daarmee voldoende onderbouwd dat de aanmaningen zijn ontvangen. [gedaagde] verkeerde dus in verzuim vanaf het moment dat de termijn van vijf werkdagen uit de aanmaning van 9 oktober 2025 was verstreken, namelijk vanaf 17 oktober 2025. De kantonrechter is verder van oordeel dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dat betekent dat [eiser] recht heeft op een vergoeding voor de kosten van de buitengerechtelijke werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 302,74 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. Ook de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
169,92
- griffierecht
€
529,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.331,42
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.018,24, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op de datum die op de respectievelijke facturen staat vermeld, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 302,74 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 17 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.331,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.