ECLI:NL:RBOVE:2026:5889

ECLI:NL:RBOVE:2026:5889

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 03-10-2026
Zaaknummer 12096009 \ CV EXPL 26-488
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Factuur reparatiewerkzaamheden. Opdracht. Kribbebijter. Bevrijdend verweer slaagt niet.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12096009 \ CV EXPL 26-488

Vonnis van 22 september 2026

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [bedrijf],

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [gedaagde],

te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1. Samenvatting

In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] voor zichzelf of namens [naam] heeft gesloten. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de contractspartij is van [eiser]. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld om de factuur plus rente te betalen. De kantonrechter legt hierna uit waarom.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 februari 2026,- de conclusie van antwoord,

- het aanvullend antwoord van [gedaagde],- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gemachtigde] is namens [eiser] verschenen. [gedaagde] is niet verschenen, hoewel hij daartoe behoorlijk is opgeroepen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

In of omstreeks december 2024 heeft [gedaagde] een Mini Cooper met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) naar [eiser] gebracht ter reparatie. [eiser] heeft diverse, reparatiewerkzaamheden verricht.

Voor de werkzaamheden heeft [eiser] [gedaagde] op 27 december 2024 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 1.140,53.

Over deze factuur hebben partijen, onder meer per e-mail, met elkaar gecorrespondeerd.

4. Het geschil

[eiser] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.446,29, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.140,53, met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten. De grondslag van zijn vordering is nakoming van de overeenkomst.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat hij de overeenkomst heeft gesloten in naam van [naam] (hierna: [naam]). De auto staat ook op haar naam. [gedaagde] vindt daarom dat hij de factuur niet hoeft te betalen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de auto naar [eiser] heeft gebracht, dat [gedaagde] hem feitelijk de opdracht heeft gegeven om de auto te repareren en dat [eiser] vervolgens reparatiewerkzaamheden heeft verricht. [eiser] en [gedaagde] zijn het alleen niet eens over de vraag of [gedaagde] hierbij voor zichzelf handelde of in naam van [naam].

De Hoge Raad heeft bepaald dat het antwoord op de vraag of een persoon in eigen naam of in naam van een ander handelt afhangt van wat partijen daarover richting elkaar hebben verklaard en van wat zij over en weer uit elkaar verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Alle omstandigheden kunnen bij de beoordeling van belang zijn.

Vast staat dat de opdracht aan [eiser] mondeling is gegeven en dat partijen op dat moment niets op papier hebben gezet. In dit geval heeft [gedaagde] ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet namens zichzelf, maar namens [naam] handelde, daarom e-mailcorrespondentie van na het sluiten van de overeenkomst (27 december 2024) tussen hemzelf en [eiser] in het geding gebracht. Daarin staat het volgende:

[eiser]: “Goedendag, uit onze administratie is gebleken dat u nog een factuur open heeft staan. (…)”

[gedaagde]: “Goedemorgen Is niet van mij. (…)”

[eiser]: “Goedemorgen, Deze herinnering had niet naar u gemoeten, We zullen het adres gelijk aanpassen. Onze excuses”

Volgens [gedaagde] geeft [eiser] hiermee duidelijk aan dat de herinnering (en dus de factuur) niet voor [gedaagde] bestemd was en dat deze zou worden aangepast. Ter zitting heeft [eiser] echter toegelicht dat hij de e-mail, waarin hij aangeeft dat de herinnering niet naar [gedaagde] had gemoeten en instemt om het adres aan te passen, uitsluitend op verzoek van [gedaagde] heeft verzonden, om boekhoudtechnische redenen en dat dit niets te maken had met dat de overeenkomst namens iemand anders was aangegaan. Daarmee heeft hij de conclusie die [gedaagde] aan deze e-mailcorrespondentie verbindt, voldoende weersproken. Dat [gedaagde] heeft gehandeld namens [naam] blijkt nergens anders uit. Hij heeft zijn stelling dus onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt dus uit wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden dat [gedaagde] heeft te gelden als contractspartij van [eiser] – en niet [naam]. Dat betekent dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van de factuur.

De wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten

Ter zitting is de vraag opgekomen of [gedaagde] als consument heeft gehandeld en of aan het consumentenrecht moet worden getoetst. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat zij vaker zaken doet met de handelsonderneming van [gedaagde] en dat de overeenkomst moet worden aangemerkt als een handelsovereenkomst. De kantonrechter volgt [eiser] in deze stelling, ook omdat de factuur is gericht aan het adres van de handelsonderneming, wat de stelling van [eiser] onderschrijft.

Nu sprake is van een handelsovereenkomst, is ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde.

De kantonrechter begrijpt dat [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten vordert op grond van artikel 10 lid 8 van haar algemene voorwaarden. De kantonrechter overweegt dat partijen een vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zijn overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. De vordering zal dan ook worden getoetst aan het rapport Voor-werk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.

De kantonrechter hanteert als uitgangspunt dat buitengerechtelijke incassokosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eiser] heeft niet gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [gedaagde] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 op grond van artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.

[eiser] vordert daarnaast de wettelijke handelsrente van € 134,68, berekend vanaf 3 januari 2026 tot 10 februari 2026, plus de wettelijke handelsrente vanaf 11 februari 2026 tot de dag der algehele voldoening. De kantonrechter oordeelt dat de gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen, omdat sprake is van een handelsovereenkomst. Uit artikel 6:119a lid 1 BW volgt dat wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf de overeengekomen uiterste dag van betaling. De kantonrechter volgt [eiser] in zijn stelling dat op basis van haar algemene voorwaarden de wettelijke handelsrente in ieder geval verschuldigd was zeven dagen na het verstrijken van de factuurdatum, zijnde 27 december 2024, dus vanaf 3 januari 2025. Zij zal de wettelijke handelsrente dus toewijzen, zoals gevorderd.

De proceskosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

125,57

- griffierecht

€

233,00

- salaris gemachtigde

€

434,00

(2 punten × € 217,00)

- nakosten

€

108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

901,07

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.315,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.140,53, met ingang van 11 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 901,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026. (jjm)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand