RECHTBANK OVERIJSSEL
beslissing
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: 351654 KG RK 26-411
Beslissing van 1 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking.
1. De procedure
Op 21 september 2026 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van
mr. A.T. de Kwaasteniet (hierna: de rechter), rechter in deze rechtbank, en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaken die zijn geregistreerd onder nummers ZWO 26/1557, ZWO 26/1822 en ZWO 26/1884.
De rechter heeft niet berust in de wraking.
2. Het wrakingsverzoek
Op 14 september 2026 heeft de rechtbank verzoeker bericht dat de zaken met de bovengenoemde registratienummers gezamenlijk zullen worden behandeld op de zitting van 6 oktober 2026 om 09:30 uur.
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de beslissing tot het gezamenlijk behandelen van de drie zaken blijk geeft van vooringenomenheid van de rechter. De zaken behelzen drie verschillende onderwerpen en de rechter heeft met zijn beslissing het recht op een individuele beoordeling en het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geschonden. De rechter heeft daarmee de schijn van partijdigheid gewekt.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift, naast het verzoek tot wraking, ook andere verzoeken ingediend. Omdat de wrakingskamer daar niet over gaat, wordt over die verzoeken hierna niets gezegd.
3. De beoordeling
Artikel 5, lid 2 sub a van het Wrakingsprotocol rechtbank Overijssel bepaalt dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting direct ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren als het verzoek kennelijk ongegrond is. De wrakingskamer oordeelt dat deze situatie zich hier voordoet. Dat wordt hierna uitgelegd.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat hij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker het niet eens is met de beslissing om drie zaken op één zitting te behandelen. Deze beslissing is een procedurele beslissing.
Een procedurele beslissing is geen grond voor wraking. Dit is alleen anders als de motivering van de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De wrakingskamer oordeelt dat niet is gebleken dat hiervan in dit geval sprake is. Ook valt niet in te zien hoe de procedurele beslissing van de rechter het recht van verzoeker op een eerlijk proces zou kunnen schaden. Uit het enkele feit dat is besloten de drie verschillende zaken op één zitting te zullen behandelen kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat de rechter partijdig is. Ook als zaken op één zitting worden behandeld, moeten ze individueel beoordeeld worden.
Het wrakingsverzoek is, gelet op het bovenstaande, kennelijk ongegrond.
4. De beslissing
De wrakingskamer
verklaart het verzoek ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mr. U. van Houten, mr. F. Koster en mr. R.F. van Aalst in tegenwoordigheid van de griffier, mr. G.J. Leyendijk, en in openbaar uitgesproken op
1 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.