RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12295238 \ CV FORM 26-2146
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van
[eiser] GBR,
te [vestigingsplaats 1] (Duitsland),
eisende partij,
hierna samen te noemen: [eiser],
gemachtigde: Rechsanwalt M. Keimer te Papenburg (Duitsland),
tegen
[gedaagde] ,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861/2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft [eiser] door middel van het vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV-Verordening, met producties, een vordering ingesteld, ontvangen op 25 juni 2026.
[gedaagde] is bij brief van 17 juli 2026 door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om te reageren op de vordering van [eiser] middels het antwoordformulier C als bedoeld in artikel 5 lid 2 en 3 EPGV-Verordening
Op 19 augustus 2026 heeft [gedaagde] antwoordformulier C toegestuurd, waarin zij aangeeft de vordering te erkennen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil en de beoordeling
[eiser] heeft op 19 december 2025, 7 januari 2026 en 8 januari 2026 aan [gedaagde] bestellingen van ‘Wickelballen’ geleverd voor een totaalbedrag van € 2.730,00. [gedaagde] heeft hiervan een bedrag van € 1.450,00 onbetaald gelaten.
[eiser] heeft de vordering voldoende onderbouwd. Nu [gedaagde] deze stellingen niet heeft weersproken, ligt de vordering voor toewijzing gereed.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
Totaal
€
590,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 590,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026. (jb)