RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats],
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3615
hierna: [eiseres] ,
en
hierna: de minister.
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat [eiseres] heeft ingesteld omdat de minister en de Nationale ombudsman volgens haar hebben besloten om haar dossiers te sluiten nadat zij uit haar woning is gezet en haar uitkering is ingetrokken.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. [eiseres] heeft op 12 december 2025 beroep ingesteld en aangegeven dat haar beroep zich richt tegen de besluiten van de minister en de Nationale ombudsman om haar dossiers te sluiten.
De rechtbank heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld om een kopie van het door haar bestreden besluit toe te sturen. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.
Op 16 december 2025 heeft [eiseres] de rechtbank verzocht om bij voorlopige voorziening een tijdelijke maatregel te treffen en haar een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) te verstrekken totdat op de hoofdzaak is beslist.
Met de brief van 22 december 2025 heeft de griffier aan [eiseres] laten weten dat de voorzieningenrechter haar verzoek niet in behandeling neemt omdat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister een besluit heeft genomen. De griffier heeft meegedeeld dat, als er toch sprake is van een besluit, zij eerst bezwaar moet maken voordat zij beroep kan indienen. Daarbij kan zij tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening indienen.
Met het bericht van 11 juni 2026 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) de rechtbank laten weten dat deze zaak niet van het Uwv is.
Met de brief van 17 augustus 2026 heeft de rechtbank de minister geïnformeerd dat hij niet verplicht is om bij de zitting aanwezig hoeft te zijn en de rechtbank met [eiseres] op de zitting wil ingaan op de vraag wat het in deze procedure te toetsen besluit is.
De minister heeft met het bericht van 19 augustus 2026 de rechtbank laten weten dat hij niet op de zitting zal verschijnen. [eiseres] heeft op 21 augustus 2026 de rechtbank verzocht de behandeling op de zitting uit te stellen omdat de minister niet zal deelnemen aan de behandeling ter zitting. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en [eiseres] geïnformeerd dat de zitting zal doorgaan.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4. Volgens artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is neergelegd dat alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar moet worden gemaakt.
5. [eiseres] stelt dat zij, na een anonieme melding, in juli 2023 uit haar woning is gezet en de vogels die zij daar hield in beslag zijn genomen. Vervolgens is in augustus 2023 haar WIA-uitkering ingetrokken. [eiseres] heeft vervolgens, en met name vanaf 2025, contact opgenomen met uitvoeringsinstanties, politieke partijen en media om haar situatie onder de aandacht te brengen.
6. Uit wat [eiseres] in deze procedure heeft geschreven, kan de rechtbank geen concreet besluit halen wat de rechtbank in deze procedure kan toetsen. Ondanks dat de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid heeft gesteld om een kopie van het door haar bestreden besluit toe te zenden, heeft zij daarvan geen gebruik gemaakt. Zij heeft geen besluit aan de rechtbank toegestuurd waaruit volgt dat haar WIA-uitkering is ingetrokken of beëindigd. Ook heeft zij geen besluit toegestuurd waarbij is besloten tot haar uithuiszetting of zij is gelast om te stoppen met het houden van vogels. Zij heeft ook geen ander besluit toegezonden.
7. De rechtbank heeft navraag gedaan bij de minister en het Uwv naar eventuele besluitvorming in relatie tot [eiseres] , omdat [eiseres] deze bestuursorganen expliciet heeft benoemd. Beide hebben laten weten dat zij op basis van de informatie waartoe zij inzage konden krijgen, niet bekend zijn met de door [eiseres] omschreven besluiten.
8. Ter volledigheid overweegt de rechtbank dat de Awb bepaalt dat niet tegen alle beslissingen van een bestuursorgaan beroep open staat. Zo staat in artikel 9:3 van de Awb dat tegen een besluit over de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan geen beroep kan worden ingesteld. Voor zover [eiseres] heeft bedoeld om beroep in te stellen tegen de brieven van de minister van 17 september 2025 en 10 oktober 2025 waarin hij heeft gereageerd op klachtbrieven van [eiseres] van 6 en 14 september 2025, is de bestuursrechter gelet op het voornoemde ook onbevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen deze brieven.
9. Volgens artikel 1:1, tweede lid, onder f, van de Awb, wordt de Nationale ombudsman niet als een bestuursorgaan aangemerkt. Omdat de Nationale ombudsman geen besluit in de zin van de Awb ten aanzien van [eiseres] kan nemen, is de bestuursrechter ook niet bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een door de Nationale ombudsman genomen beslissing.
10. De rechtbank heeft in de stukken verder geen besluit(en) in de zin van de Awb aangetroffen. Nu geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb is de bestuursrechter onbevoegd om te oordelen over het ingediende beroep.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat [eiseres] is vrijgesteld van de betaling van het griffierecht, hoeft het griffierecht niet aan haar terugbetaald te worden.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.