RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1689 FB
Uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van Regionale Belastingsamenwerking van de gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 mei 2026.
De heffingsambtenaar heeft op 25 februari 2026 aan belanghebbende een aanslag in de forensenbelasting opgelegd voor het jaar 2025.
Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft op 20 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 ter zitting behandeld.
Belanghebbende is ter zitting verschenen en heeft een pleitnota overgelegd. Namens de heffingsambtenaar is verschenen: [naam 1].
Feiten
1. Belanghebbende en [naam 2] zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van een gemeubileerde recreatiewoning aan de [adres] (hierna: de woning). Zij verhuurden de woning niet in 2025. Zij hebben beiden een eigen hoofdverblijf op verschillende woonadressen in [woonplaats] en zij voer(d)en geen gezamenlijke huishouding.
2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag in de forensenbelasting terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunten partijen
3. Belanghebbende voert aan dat het bedrag van de aanslag (€ 500,-) moet worden gehalveerd en dat hij en [naam 2] ieder voor de helft moeten worden aangeslagen aangezien zij beiden ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn. Hij en [naam 2] zijn echter beiden aangeslagen voor het volledige bedrag (€ 500,-), in plaats van ieder voor de helft. Feitelijk betalen zij het dubbele van wat anderen betalen die een gezamenlijke huishouding voeren.
4. Volgens de heffingsambtenaar zijn belanghebbende en [naam 2] ieder voor zich belastingplichtig. Belanghebbende vormt geen gezin met [naam 2]. Beiden hebben de woning in 2025 op meer dan 90 dagen van het belastingjaar ieder voor zich beschikbaar gehad.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Forensenbelasting kan op grond van artikel 223 van de Gemeentewet worden geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning voor zichzelf beschikbaar hadden, los van de vraag of zij ieder daadwerkelijk die 90 dagen per jaar volmaken.
6. De heffingsambtenaar kan de forensenbelasting heffen op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting Olst-Wijhe 2025 (de Verordening).
Op grond van artikel 2, eerste lid van de Verordening kan een aanslag forensenbelasting worden opgelegd als wordt voldaan aan de volgende criteria:
betrokkene heeft zijn hoofdverblijf buiten de gemeente Olst-Wijhe;
betrokkene heeft een gemeubileerde woning in de gemeente Olst-Wijhe; en
de woning is meer dan 90 dagen beschikbaar voor betrokkene en/of voor zijn/haar gezin.
7. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij en [naam 2] al 20 jaar een lat-relatie hebben, dat zij geen gezamenlijke huishouding voeren en geen (notarieel vastgelegde) samenlevingsovereenkomst hebben. De heffingsambtenaar daarentegen heeft ter zitting verwezen naar de schriftelijke verklaring van belanghebbende op het inlichtingenformulier die haaks staat op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard.
Echter, zelfs indien wordt uitgegaan van de juistheid van de verklaring van belanghebbende ter zitting leidt die verklaring niet tot een andere beslissing.
8. Volgens vaste rechtspraak moet de belastingplicht inzake forensenbelasting worden vastgesteld per persoon, en niet per woning. Indien een gemeubileerde woning gemeenschappelijk eigendom is van meerdere eigenaren, kunnen zij allen belastingplichtig zijn voor de forensenbelasting, mits zij buiten de gemeente hun hoofdverblijf houden en ieder de woning meer dan 90 dagen voor zich of zijn gezin beschikbaar houden.
9. Het criterium ‘meer dan 90 dagen per jaar’ strekt ertoe de band tussen de natuurlijke persoon en het grondgebied van de desbetreffende gemeente tot uitdrukking te brengen als minimumdrempel voor de heffing van forensenbelasting.
10. Belanghebbende heeft in het aangifteformulier forensenbelasting over 2025 opgegeven dat de woning in 2025 niet was verhuurd. Hij heeft de woning in 2025 aldus op meer dan 90 dagen voor zich beschikbaar gehouden, los van de vraag of hij er daadwerkelijk verbleef. Hij kon op grond van zijn aandeel in de eigendom daar meer dan 90 dagen in 2025 verblijven vanwege de leegstand van de woning.
11. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag aldus in overeenstemming met de Verordening aan belanghebbende is opgelegd. Het belastbare feit heeft zich door genoemde leegstand voorgedaan. Belanghebbende voldoet daarmee aan de in de Verordening gestelde criteria voor het opleggen van deze belasting.
12. Op grond van de Verordening maakt het niet uit of een woning een of meerdere eigenaren heeft; iedere belastingplichtige eigenaar van een woning kan voor de gehele aanslag worden aangesproken.
13. Ook in de Gemeentewet en de parlementaire geschiedenis over de forensenbelasting zijn geen aanwijzingen te vinden dat de wetgever in geval van gezamenlijk/mede-eigendom de gemeenten heeft willen beperken tot een heffing van forensenbelasting naar rato van het eigenaarsdeel.
14. Als aan het criterium van 90 dagen voor zich beschikbaar houden is voldaan, zoals in het onderhavige geval, staat het de gemeente vrij forensenbelasting te heffen naar de door haar bepaalde grondslagen en tarieven, met dien verstande dat gemeenten algemene rechtsbeginselen en het bepaalde in artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet moeten respecteren.
15. De maatstaf van heffing is conform Verordening Forensenbelasting 2025 Olst- Wijhe (de Verordening) gelijk aan de heffingsmaatstaf voor de onroerende- zaakbelastingen. De vastgestelde WOZ waarde van deze (recreatie) woning voor belastingjaar 2025 is € 214.000,-. Het tarief van de heffing voor woningen met een waarde tussen € 100.000 en minder dan € 250.000 is, blijkens artikel 5: € 500,-.
16. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de aanslag in de forensenbelasting is opgelegd in strijd met de Verordening en/of hogere wetgeving en/of de algemene rechtsbeginselen. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, treft evenmin doel.
17. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de aanslag in de forensenbelasting in stand blijft.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Westerlaak, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.