RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2143
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
hierna: [eiser]
en
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Immigratie- en Naturalisatiedienst),
hierna: de staatssecretaris.
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris het naturalisatieverzoek van [eiser] heeft mogen afwijzen gelet op de twijfel over zijn identiteit en nationaliteit naar aanleiding van een taalanalyse. Beoordeeld wordt of de staatssecretaris voldoende heeft onderzocht of de gerezen twijfel met de door [eiser] overgelegde documenten wordt weggenomen. Er is in deze zaak al een eerdere procedure bij deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gevoerd. Die hebben ertoe geleid dat het besluit van de staatssecretaris is vernietigd en de staatssecretaris is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [eiser]. De staatssecretaris heeft op 18 juni 2025 dit nieuwe besluit genomen en het naturalisatieverzoek opnieuw afgewezen. [eiser] is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe onder meer aan dat de gerezen twijfel over zijn identiteit en nationaliteit wordt weggenomen met de door hem overgelegde documenten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het naturalisatieverzoek van [eiser] in redelijkheid heeft kunnen afwijzen omdat niet buiten twijfel staat dat uit de overgelegde documenten blijkt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
[eiser] is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en heeft een verzoek om naturalisatie ingediend. Ter onderbouwing heeft hij de volgende documenten overgelegd:
Sierra Leoons paspoort afgegeven op 19 september 2018 te Freetown, Sierra Leone, en geldig tot 9 september 2023;
verklaring van de ambassade van Sierra Leone van 19 februari 2012 waarin wordt verklaard dat op basis van een interview is vastgesteld dat [eiser] de Sierra Leoonse nationaliteit heeft;
verklaring van de ambassade van Sierra Leone van 15 november 2019 waarin wordt verklaard dat het paspoort valide is en authentiek;
een geboorteakte nummer [nummer 1] afgegeven op 20 september 2018 te Freetown, Sierra Leone;
een overzicht uit de Basisregistratie Personen waaruit blijkt dat [eiser] met de Sierra Leoonse nationaliteit staat geregistreerd.
Met het besluit van 30 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris het verzoek om naturalisatie van [eiser] afgewezen.
[eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 8 maart 2021 heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard omdat hij twijfelt over de identiteit en nationaliteit van [eiser] vanwege de uitkomst van een taalanalyse. Uit deze analyse, het rapport van 10 oktober 2006 van het Bureau Land en Taal (hierna: het BLT,tegenwoordig TOELT: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal) (hierna: de taalanalyse), blijkt dat [eiser] eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Sierra Leone. Op 9 juni 2009 heeft een contra-expertise door [naam] plaatsgevonden. Op 3 juli 2009 heeft het BLT een reactie gegeven waarin is vastgesteld dat wat de contra-expert aanvoert geen reden vormt om het standpunt te herzien dat [eiser] eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone.
Bij uitspraak van 6 mei 2022 (ECLI:NL:RBOVE:2022:1258) heeft de rechtbank het door [eiser] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 maart 2021 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:923) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van 6 mei 2022 bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze berust. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Met het besluit van 18 juni 2025 (het bestreden besluit) is de staatssecretaris bij afwijzing van het naturalisatieverzoek gebleven.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Es. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken toe te zenden, desgewenst met een beroep op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij brief van 19 juni 2026 heeft de staatssecretaris deze aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden en medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen (hierna: de geheime stukken).
Bij beslissing van 9 juli 2026 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb bepaalt dat beperking van de kennisneming van de weggelakte passages in de geheime stukken gerechtvaardigd is.
Bij brief van 9 juli 2026 heeft de rechtbank [eiser] op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verzocht om kenbaar te maken of hij schriftelijk toestemming verleent aan de rechtbank om mede op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen. Bij e-mail van 23 juli 2026 heeft [eiser] deze toestemming verleend. De rechtbank heeft van de geheime stukken kennisgenomen.
De beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dit aan de hand van het kader dat in het hoger beroep is geschetst en aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
5. In het de uitspraak van 6 maart 2024 herhaalt de Afdeling het beoordelingskader voor verzoeken om naturalisatie. Het is aan een verzoeker om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van die verzoeker met de door hem overgelegde stukken zijn komen vast te staan. De identiteit en de nationaliteit van een verzoeker moeten buiten twijfel zijn. De staatssecretaris moet eerst vaststellen of de verzoeker de juiste documenten heeft overgelegd. Als dat het geval is, moet de staatssecretaris nagaan of er aanleiding bestaat te twijfelen aan de door een verzoeker gestelde identiteit en nationaliteit. Deze twijfel kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door TOELT. Als er twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van een verzoeker, zal de staatssecretaris moeten beoordelen of de verzoeker de gerezen twijfel met de overgelegde documenten heeft weggenomen. In dat kader zal de staatssecretaris moeten beoordelen of buiten twijfel uit de door de verzoeker overgelegde documenten volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. De staatssecretaris mag daarbij niet zonder deugdelijke motivering voorbijgaan aan de documenten die de verzoeker heeft overgelegd. De bewijswaarde van de overgelegde documenten is hierbij doorslaggevend.
Mocht de staatssecretaris twijfelen aan de identiteit en nationaliteit?
6. [eiser] is van mening dat er op grond van de taalanalyse geen reden is om te twijfelen aan zijn identiteit en nationaliteit. Hieruit en uit de door [eiser] overlegde contra-expertise komt naar voren dat de eerste taal van [eiser] het Fula is. Bovendien hebben de Nederlandse autoriteiten [eiser] zelf gepresenteerd bij de Sierra Leoonse ambassade, hij is daar geïnterviewd en de ambassade heeft geconcludeerd dat hij afkomstig is uit Sierra Leone.
7. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit de uitspraak van 6 maart 2024 volgt dat de staatssecretaris de taalanalyse volgens de Afdeling bij de beoordeling mocht betrekken. [eiser] heeft tijdens het asielgehoor, op zitting bij de rechtbank en de Afdeling, wisselend verklaard over zijn moedertaal. De staatssecretaris heeft dan ook terecht gesteld dat niet duidelijk is wat de moedertaal van [eiser] is. De staatssecretaris heeft zich volgens de Afdeling op basis van de taalanalyse terecht op het standpunt gesteld dat er twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van [eiser].
De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit standpunt van de Afdeling af te wijken en is van oordeel dat de staatssecretaris op grond van de taalanalyse mocht twijfelen aan de identiteit en nationaliteit van [eiser].
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de gerezen twijfel met de overgelegde documenten weggenomen?
8. [eiser] voert aan dat de echtheid van het paspoort en de verklaring van de ambassade positief is beoordeeld en dat de geboorteakte niet vervalst is. Dit laatste blijkt uit de legalisatie van het ministerie van buitenlandse zaken van Sierra Leone. Ook is niet duidelijk waarom de verklaring van onderzoek van 4 maart 2019 over de geboorteakte vervallen is verklaard. Daarnaast wordt in het bestreden besluit enkel het paspoort, de verklaring van de ambassade en de geboorteakte besproken terwijl [eiser] ook andere documenten heeft overgelegd. De staatssecretaris had deze stukken in samenhang met de andere documenten moeten beoordelen.
9. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De vraag is of [eiser] de gerezen twijfel met de door hem overgelegde documenten voldoende heeft weggenomen en of buiten twijfel uit deze documenten volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. In de uitspraak van 6 maart 2024 neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat [eiser] sinds 2001 steeds consistent heeft verklaard over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De Afdeling heeft vastgesteld dat [eiser] op de zitting een begin van bewijs heeft geleverd dat het paspoort is afgegeven op basis van de geboorteakte. Het had in dit geval op de weg van de staatssecretaris gelegen om het paspoort ter onderzoek aan Bureau Documenten aan te bieden en om nader onderzoek te doen naar de bewijswaarde van de geboorteakte en het paspoort en de wijze waarop [eiser] stelt deze documenten te hebben verkregen. In dit geval moet de staatssecretaris daarbij onder meer onderzoeken of de ‘date of issue’ op een in Sierra Leone verstrekt nationaal paspoort correspondeert met de datum van de aanvraag, de datum van productie van het paspoort of de datum van afgifte, alsook welke betekenis moest worden toegekend aan deze ‘date of issue’ in relatie tot de datum van opmaak op de ook door [eiser] overgelegde geboorteakte.
Uit het bestreden besluit blijkt dat de staatssecretaris [eiser] heeft verzocht om alle originele documenten gelijktijdig voor onderzoek aan te bieden bij Bureau Documenten. Uit dit onderzoek is volgens de staatssecretaris gebleken dat de opmaak en afgifte van het afschrift van de geboorteakte met nummer [nummer 1] afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Het document is voorzien van een legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Sierra Leone, welke wel overeenkomt met het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal. Gelet op de bevindingen met betrekking tot de echtheid, opmaak en afgifte van het document is het document waarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven volgens de staatssecretaris. Gelet op de bevindingen omtrent de legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Sierra Leone is deze waarschijnlijk frauduleus verkregen. Voor wat betreft het paspoort is een positief advies afgegeven. Echter, stelt de staatssecretaris, is wel aangegeven dat het onduidelijk is welk(e) document(en) ten grondslag heeft/hebben gelegen aan de verkrijging van dit paspoort. Gelet op de afgiftedatum van het afschrift geboorteakte met volgnummer [nummer 2], en nummer [nummer 1], kan worden geconcludeerd dat deze niet ten grondslag heeft gelegen aan de verkrijging van dit paspoort.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024 volgt dat de staatssecretaris de bewijswaarde van het paspoort en de geboorteakte verder moet onderzoeken opdat deze documenten de gerezen twijfel zouden kunnen wegnemen. De Afdeling heeft niet overwogen dat ook de andere stukken moesten worden onderzocht, zodat de staatssecretaris niet gehouden was om dit te doen. De andere documenten (buiten het paspoort en de geboorteafgifte) zijn niet geschikt om de gerezen twijfel weg te nemen. Dit blijkt ook uit het toetsingskader in naturalisatieverzoeken op grond waarvan een iemand die wil naturaliseren in beginsel een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) moet overleggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris het paspoort en de geboorteakte terecht - apart van de andere documenten - nader heeft onderzocht.
Wat betreft de geboorteakte (met nummer [nummer 1]) overweegt de rechtbank dat uit de door de staatssecretaris aangehaalde verklaring van onderzoek van 7 augustus 2024 van Bureau Documenten staat dat deze geboorteakte afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en waarschijnlijk frauduleus is verkregen. Dit nieuwe onderzoek, waarmee de verklaring van onderzoek van 4 maart 2019 komt te vervallen, is uitgevoerd in opdracht van de Afdeling in het hoger beroep. In het verweerschrift licht de staatssecretaris toe dat Bureau Documenten in 2024 uitgebreider onderzoek heeft gedaan dan in 2019. Het onderzoek in 2024 heeft zich namelijk gericht op de technische echtheid, de opmaak en afgifte én inhoudelijke juistheid van het document. Verder is volgens de staatssecretaris van belang dat sinds het in 2019 verrichte onderzoek, Bureau Documenten nader empirisch onderzoek heeft verricht (het uitbreiden van het referentie- en/of vergelijkingsmateriaal) en dat Bureau Documenten in het kader van een zogeheten Factfinding-missie is afgereisd naar Sierra Leone. Met deze toelichting en met de overgelegde geheime stukken heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt waarom de eerdere verklaring van onderzoek van 4 maart 2019 van Bureau Documenten vervallen is verklaard.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris heeft kunnen vaststellen dat de gerezen twijfel over de identiteit en nationaliteit van [eiser] door het afschrift van de geboorteakte (met nummer [nummer 1]) niet is weggenomen. Nadere aanwijzingen voor de uitkomst van de verklaring van onderzoek van 7 augustus 2024 heeft de rechtbank namelijk kunnen vinden in de door de staatssecretaris overgelegde geheime stukken. Daar komt nog bij, dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is waarvan de staatssecretaris in beginsel mag uitgaan. Al met al heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook op het standpunt kunnen stellen dat niet buiten twijfel staat dat uit de door [eiser] overgelegde documenten volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris het naturalisatieverzoek van [eiser] in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.