ECLI:NL:RBOVE:2026:5836

ECLI:NL:RBOVE:2026:5836

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer ZWO 25/3384
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Beroep tegen besluiten tot verlenen verlof van de leerplicht. Het beroep is niet-ontvankelijk. Geen procesbelang. De rechtbank overweegt dat eiser met dit beroep niet kan bereiken dat het genoten verlof van zijn dochter wordt teruggedraaid. Ook acht de rechtbank het niet aannemelijk dat zich in de toekomst besluitvorming voordoet waar het inhoudelijke oordeel in deze zaak kan worden betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats 1],

De directeur van Zone.college,

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2],

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3384

hierna: [eiser]

en

hierna: de directeur

(gemachtigde: mr. H. van Essen),

hierna: [derde belanghebbende].

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van [eiser] tegen de door de directeur verleende verloven van de leerplicht op 6, 10 en 13 juni 2025 voor zijn leerplichtige dochter. [eiser] is het niet eens met de door de directeur verleende verloven.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser] geen procesbelang heeft bij het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is de directeur bij de verloven om vrijstelling van schoolbezoek op 6, 10 en 13 juni 2025 gebleven.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De directeur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

[eiser] heeft aanvullende gronden ingediend. De directeur heeft nadere stukken ingediend.

Met de brief van 14 augustus 2026 heeft de rechtbank de directeur verzocht om de rechtbank te informeren of het Zone.college vmbo, locatie Zwolle, kan worden aangemerkt als een 'school' in de zin van artikel 1, onder b, van de Leerplichtwet 1969 (Lpw). De directeur heeft de rechtbank met de brief van 19 augustus 2026 hierover geïnformeerd. [eiser] heeft naar aanleiding van deze reactie op diezelfde dag zijn beroep aangevuld.

De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de directeur bijgestaan door haar gemachtigde. [derde belanghebbende] is zonder vermelding niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiser] is de vader van [naam] (hierna: [naam]). [naam] is met ingang van schooljaar 2024-2025 leerlinge van het Zone.college vmbo locatie Zwolle (hierna: Zone.college). [derde belanghebbende] is de moeder van [naam]. [derde belanghebbende] en [eiser] zijn gescheiden. Zij hebben samen het ouderlijk gezag over [naam].

Op 6, 10 en 13 juni 2025 heeft [derde belanghebbende] [naam] telefonisch afgemeld bij Zone.college vanwege de treinstakingen bij de Nederlandse Spoorwegen (hierna: NS) op die dagen. De directeur heeft daarop op grond van artikel 11 aanhef en onder g juncto artikel 14 lid 1 van de (Lpw) vrijstelling verleend aan, dan wel ten behoeve van, [naam]. De directeur heeft deze besluiten geregistreerd in het digitale schoolsysteem ‘Magister’, onder de omschrijving: "afwezig met reden".

Op 27 juni 2025 (gedateerd op 27 mei 2025) heeft [eiser] bezwaar gemaakt

tegen de verlening van deze verloven. Nadat hij door de directeur werd geïnformeerd over de totstandkoming van de verloven, heeft [eiser] de gronden van het bezwaar aangevuld. [eiser] vindt, kort samengevat, dat er geen dringende reden was om de verlofaanvragen toe te kennen en de besluiten om de verloven te verlenen onvoldoende zijn gemotiveerd omdat niet duidelijk is welke belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Verder meent [eiser] dat een telefonisch ingediend verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Lpw kan worden aangemerkt. Volgens [eiser] kan een vermelding van de verloven in Magister niet als rechtsgeldige bekendmaking worden aangemerkt en kleven aan de verloven ook nog andere (formele) gebreken.

[eiser] heeft aan de directeur laten weten dat hij afziet van zijn recht om op een hoorzitting in bezwaar te worden gehoord en hij heeft de directeur verzocht om op zijn bezwaar te beslissen.

Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 heeft de directeur de verloven in stand gelaten en de bezwaren ongegrond verklaard. De directeur stelt dat zij niet wist, en het haar in redelijkheid ook niet duidelijk hoefde te zijn, dat [eiser] bezwaren zou hebben tegen de verzoeken om vrijstelling. Volgens de directeur kon [derde belanghebbende] daarom zelfstandig verlof aanvragen. Het telefonisch ingediende verzoek kan volgens de directeur ook als een aanvraag in de zin van de Awb worden aangemerkt. Verder vindt de directeur dat de landelijke treinstakingen bij de NS als ‘andere gewichtige omstandigheden’ als bedoeld in artikel 11 aanhef en onder g in combinatie met 14 , eerste lid, van de Lpw, aangemerkt moeten worden, waardoor de besluiten om vrijstellingen te verlenen proportioneel zijn.

Heeft [eiser] nog procesbelang?

4. De rechtbank moet, voordat zij inhoudelijk op het beroep van [eiser] beslist, beoordelen of hij nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling daarvan.

[eiser] stelt dat hij belang heeft bij een uitspraak op zijn beroep, omdat die uitkomst van betekenis kan zijn voor toekomstige verzoeken om vrijstelling van de leerplicht. Volgens hem verschillen partijen van mening over de vraag of de directeur bij gezamenlijk gezag een verlofaanvraag van één ouder mag behandelen. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat de directeur op de hoogte was van de moeilijke situatie en het slechte contact tussen [derde belanghebbende] en hem ten tijde van de aanvragen. Daarom had de directeur volgens [eiser] kunnen weten of vermoeden dat hij bezwaren had tegen de aanvragen. In dat geval was [derde belanghebbende] volgens [eiser] niet alleen bevoegd om [naam] te vertegenwoordigen bij een burgerlijke handeling, zoals bedoeld in artikel 1:253i, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Verder stelt [eiser] dat de directeur hem heeft belemmerd in zijn rol als medegezaghebbende ouder waardoor hij zijn verplichting op grond van artikel 2, eerste lid, van de Lpw niet kon nakomen, namelijk ervoor zorgen dat zijn dochter de school regelmatig bezoekt. Volgens [eiser] is het bovendien waarschijnlijk dat er in de toekomst opnieuw vooraf aangekondigde stakingen in het openbaar vervoer zullen zijn. Daardoor kan zich opnieuw een vergelijkbare situatie voordoen. Om die reden heeft hij volgens zichzelf een actueel en reëel belang bij de uitspraak.

Volgens de directeur kan [eiser] het doel dat hij voor ogen heeft, namelijk dat de verloven ongedaan worden gemaakt en [naam] op 6, 10 en 13 juni 2025 naar school was gegaan, niet met deze procedure bereiken. Het verlof is genoten en de leerplichtambtenaar heeft bevestigd dat het verlof terecht is verleend. Omdat een uitspraak van de rechtbank hieraan niets kan veranderen, heeft de uitspraak dan ook geen feitelijke betekenis voor [eiser], aldus de directeur. Op de zitting heeft de directeur aangegeven dat zij bij toekomstige verlofaanvragen van [derde belanghebbende] wel bij [eiser] zal nagaan of hij daartegen bezwaren heeft. De directeur stelt dat alleen een formeel of principieel belang van [eiser] bij een uitspraak over de door hem aangevoerde argumenten niet voldoende is om procesbelang aan te nemen.

Het oordeel van de rechtbank

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) hoeft de bestuursrechter een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener van het beroep voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden: de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, dan is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de eventuele principiële betekenis daarvan. Het rechtsmiddel is dan niet-ontvankelijk.

De rechtbank overweegt dat [eiser] met dit beroep juridisch niets kan bereiken. [eiser] kan met een eventueel geslaagd beroep namelijk niet bereiken dat het genoten verlof terug wordt gedraaid.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan het belang bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van een besluit verder zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de bestuursrechter kan worden betrokken bij eventuele toekomstige (terugkerende) besluiten. De rechtspraak van de Afdeling heeft met name betrekking op geschillen over besluiten met een ‘repeterend’ karakter waarbij van te voren al vaststaat dat op (korte) termijn opnieuw besluitvorming zal plaatsvinden, zoals jaarlijkse evenementen waarvoor telkens opnieuw een vergunning moet worden aangevraagd.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat partijen in een niet al te verre toekomst opnieuw in een in afdoende mate vergelijkbaar geschil betrokken zullen raken. Wel is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat zich in de toekomst mogelijk opnieuw grootschalige stakingen in het openbaar vervoer kunnen voordoen. Een voorbeeld daarvoor is de tijdens de zitting benoemde landelijke staking van het openbaar vervoer op 9 september 2026. Dat leidt volgens de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de directeur bij een nieuwe verlofaanvraag van [derde belanghebbende] vanwege een dergelijke staking op dezelfde wijze zal handelen en beslissen. Op de zitting heeft de directeur namelijk aangegeven dat zij bij een toekomstige verlofaanvraag van [derde belanghebbende] onder aan deze zaak vergelijkbare omstandigheden zal beoordelen of zij bij [eiser] moet nagaan of hij tegen die aanvraag bezwaren heeft. Ook heeft de directeur op de zitting toegelicht dat zij elke verlofaanvraag afzonderlijk moet beoordelen. Bij een nieuwe aanvraag zal de directeur dus opnieuw, op basis van de dan beschikbare informatie, moeten beoordelen of sprake is van een grond voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek. Als het gaat om een verlofaanvraag wegens een staking in het openbaar vervoer, moet zij beoordelen of sprake is van ‘andere gewichtige omstandigheden’ in de zin van artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet aannemelijk is dat zich in de toekomst besluitvorming voordoet waar het inhoudelijke oordeel in deze zaak kan worden betrokken.

Conclusie en gevolgen

6. [eiser] heeft geen procesbelang. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de verdere beantwoording van de door [eiser] aangevoerde beroepsgronden tegen de verleende verloven.

7. [eiser] krijgt het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.P.K. van Rosmalen

Griffier

  • mr. J.J. van Heijningen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand