ECLI:NL:RBOVE:2026:5835

ECLI:NL:RBOVE:2026:5835

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer ZWO 25/3275 en 25/3277
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van Stadstheater om subsidie. Zij heeft bij het college verzocht om een overbruggings- en afbouwsubsidie en een investeringssubsidie. Het college heeft afwijzend beslist op deze aanvragen. Stadstheater is het niet eens met deze afwijzingen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

Stadstheater Almelo B.V., uit Almelo,

het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 25/3275 en 25/3277

hierna: Stadstheater

(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer),

en

hierna: het college

(gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van Stadstheater om subsidie. Zij heeft bij het college verzocht om een overbruggings- en afbouwsubsidie en een investeringssubsidie. Het college heeft afwijzend beslist op deze aanvragen. Stadstheater is het niet eens met deze afwijzingen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzingen van de subsidieaanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college bij de weigering van de overbruggings- en afbouwsubsidie ten onrechte geen redelijke termijn in acht heeft genomen. Deze weigering kan daarom niet in stand blijven. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat het college de aanvraag om een investeringssubsidie heeft kunnen weigeren. Stadstheater krijgt dus deels gelijk. Het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de overbruggings- en afbouwsubsidie is gegrond. Het beroep voor zover gericht tegen de investeringssubsidie is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Stadstheater heeft aanvragen ingediend voor een overbruggings- en investeringssubsidie. Naar aanleiding van het voornemen om deze aanvragen af te wijzen, heeft Stadstheater het college in de zienswijze verzocht om (tevens) een afbouwsubsidie te verlenen.

Het college heeft deze subsidieaanvragen met de besluiten van 4 maart 2025 afgewezen. Het college heeft er blijkens het afwijzingsbesluit rekening mee gehouden dat Stadstheater met haar zienswijze heeft beoogd naast een overbruggingssubsidie tevens een afbouwsubsidie aan te vragen. Met de bestreden besluiten van 10 oktober 2025 op de bezwaren van Stadstheater is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.

Stadstheater heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het bestreden besluit in zaak ZWO 25/3275 zal in de rest van deze uitspraak worden aangeduid met bestreden besluit 1, het bestreden besluit in zaak ZWO 25/3277 zal in de rest van deze uitspraak worden aangeduid met bestreden besluit 2.

Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens Stadstheater, de gemachtigde van Stadstheater, de gemachtigde van het college, vergezeld door haar kantoorgenoot mr. J.J.D. van Dolenweerd, en [naam 3] en [naam 4] namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. Stadstheater en haar rechtsvoorgangers hebben sinds 1987 een theater in Almelo geëxploiteerd en daarvoor van het college verschillende subsidies ontvangen. In 2022 heeft Stadstheater het college laten weten dat zij zonder nadere ondersteuning niet langer in staat is het theater in stand te houden. Stadstheater heeft het college daarom verzocht om extra gelden beschikbaar te stellen voor de continuering van de programmering, de verbetering van de exploitatie en de daarvoor benodigde verbouwing. Naar aanleiding daarvan zijn gesprekken gevoerd over verschillende oplossingsrichtingen. Stadstheater heeft vervolgens bij het college verschillende aanvragen om subsidie ingediend. Die hadden onder meer betrekking op de verhoging, met terugwerkende kracht, van de budgetsubsidies over 2022 en 2023, bijdragen voor de doorlopende kosten tijdens de verbouwing in 2024 en 2025 (de overbruggingssubsidie), een investeringssubsidie voor de verbouwing (de investeringssubsidie) en een hogere budgetsubsidie vanaf de hervatting van de programmering.

Bij voorstel van 30 januari 2024 heeft het college, vanwege de kaderstellende rol en het budgetrecht van de raad, drie scenario’s (A, B en C) aan de raad voorgelegd en voorgesteld om door middel van het kiezen van een scenario een beslissing te nemen over de toekomstige subsidierelatie met Stadstheater. In het voorstel is vermeld dat de beslissing de basis zal vormen voor het finale gesprek met Stadstheater. De raad heeft de drie voorgelegde scenario’s bij beslissing van 27 februari 2024 (hierna: raadsbesluit) afgewezen en gekozen voor een ander scenario (dat de raad aanduidt als scenario D). Dit raadsbesluit luidt als volgt:

“De Raad van de Gemeente Almelo:

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 januari 2024;

Besluit:

De gemeenteraad kiest voor Scenario D: het volledig afwijzen van de verzoeken van het stadstheater, inhoudende:

a. afwijzing van het verzoek om een verhoogde budgetsubsidie, met terugwerkende kracht over het jaar 2022, ter hoogte van totaal € 838.000,-;

b. afwijzing van het verzoek om een verhoogde budgetsubsidie, met terugwerkende kracht over het jaar 2023, ter hoogte van totaal € 879.000,-;

c. afwijzing van een incidentele subsidie van € 1.283.000,- ter overbrugging van het jaar 2024 waarin geen programmering is vanwege een mogelijke verbouwing, maar een deel van de kosten doorlopen;

d. afwijzing van een incidentele subsidie van € 899.000,- ter overbrugging van het jaar 2025 waarin geen programmering is vanwege een mogelijke verbouwing, maar een deel van de kosten doorlopen;

e. afwijzing van om het even welke investeringssubsidie dan ook, ten behoeve van de verbouwing van het gebouw van het Stadstheater;

f. het voor een theaterfunctie in de begroting opgenomen bedrag (zijnde € 1.050.000,-) wordt vanaf 2024 opgenomen in een cultuurfonds. Dit fonds kan worden aangewend voor een nieuwe, toekomstige en nader te bepalen theaterfunctie in de gemeente Almelo.

Om ten aanzien van de (toekomstige) subsidierelatie met het Stadstheater, te kiezen voor:

1. scenario A; of

2. scenario B; of

3. scenario C. ”

Stadstheater heeft bezwaar gemaakt tegen het raadsbesluit. De raad heeft dit bezwaar bij besluit van 18 december 2024 nietontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van 10 december 2025 gegrond verklaard, omdat de rechtbank oordeelde dat het raadsbesluit kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de subsidieaanvragen. De rechtbank heeft het besluit van 18 december 2024 vernietigd, het raadsbesluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 12 augustus 2026 het hoger beroep gegrond verklaard omdat de Afdeling oordeelde dat het raadsbesluit geen besluit in de zin van de Awb op de subsidieaanvragen betreft. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het college heeft vervolgens, zoals eerder onder het procesverloop beschreven, afwijzend beslist op de subsidieaanvragen van Stadstheater om enerzijds een overbruggings- en afbouwsubsidie en anderzijds een investeringssubsidie. De rechtbank zal deze besluiten hierna afzonderlijk bespreken.

ZWO 25/3275: de overbruggings- en afbouwsubsidie

4. Het college heeft de aanvraag om een overbruggingssubsidie over 2024 en 2025 afgewezen. Hieraan heeft het college allereerst de weigeringsgrond van artikel 4:35, eerste lid, onder a, van de Awb ten grondslag gelegd. Volgens het college bestaat een gegronde reden om aan te nemen dat de activiteiten niet (geheel) zullen plaatsvinden. Na het raadsbesluit van 27 februari 2024 heeft Stadstheater immers zelf aangegeven dat daarmee geen basis meer bestaat voor een renovatie of heropening. Ook heeft het college de weigeringsrond van artikel 4:35, derde lid, van de Awb aan de afwijzing ten grondslag gelegd. Er zijn namelijk aspecten van ontoelaatbaarheid van staatssteun die maken dat een eventuele subsidieverstrekking niet verenigbaar is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU.

Het college heeft verder gesteld dat voor zover Stadstheater op grond van artikel 4:51 van de Awb vraagt om een afbouwsubsidie, hier geen aanleiding toe bestaat. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 4:51 van de Awb niet bedoeld is voor een situatie als deze, waarin de subsidieverkrijger zelf besluit om de activiteiten waarvoor subsidie is verzocht te staken. Voor zover de aanvraag moet worden gezien om een zelfstandige aanvraag om afbouwsubsidie, heeft het college deze afgewezen. Hieraan heeft het college de weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013 (Algemene subsidieverordening) ten grondslag gelegd, omdat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verzocht – in dit geval het afbouwen van Stadstheater – niet zijn gericht op de gemeente of aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente.

5. De rechtbank zal allereerst de toepasselijkheid van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb beoordelen. Partijen verschillen hierover van mening. De rechtbank zal daarbij de (aanvankelijk) aangevraagde overbruggingssubsidie en de (bij zienswijze) aangevraagde afbouwsubsidie in samenhang met elkaar bezien.

Op grond van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb mag een bestuursorgaan slechts met inachtneming van een redelijke termijn een subsidie, die voor drie of meer achtereenvolgende jaren is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geheel of gedeeltelijk weigeren op de grond dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten. Deze redelijke termijn dient ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen.

Stadstheater stelt dat dit artikel van toepassing is en dat het college alleen de aanvraag om subsidie kon afwijzen met inachtneming van een redelijke termijn, omdat sprake is van een langdurige subsidierelatie. Het college kon deze relatie niet per direct volledig beëindigen.

Het college stelt zich op het standpunt dat dit artikel niet van toepassing is omdat Stadstheater er zelf, vóórdat het college inhoudelijk op de aanvragen had beslist, voor heeft gekozen om te stoppen met de exploitatie van het theater. Namens het college is op de zitting gesteld dat het college na het raadsbesluit materieel gezien geen beslisruimte meer had ten aanzien van de voorliggende aanvragen van Stadstheater. Het raadsbesluit stond volgens het college echter niet per definitie in de weg aan toewijzing van een nieuwe aanvraag van Stadstheater om een reguliere budgetsubsidie.

6. De rechtbank stelt voorop dat het college van 1987 tot en met 2023 jaarlijks aan Stadstheater een budgetsubsidie heeft verleend. De aanvankelijk aangevraagde overbruggingssubsidie diende ter dekking van (een deel van) de vaste exploitatiekosten die gedurende de tijdelijke sluiting vanwege de geplande verbouwing zouden doorlopen. Dit betreffen feitelijk (grotendeels) dezelfde kosten als de kosten waarvoor jarenlang een budgetsubsidie was aangevraagd en verleend. Daarmee kan de aanvankelijk aangevraagde overbruggingssubsidie over 2024 en 2025 naar het oordeel van de rechtbank op één lijn worden gesteld met de reguliere budgetsubsidie die in de jaren ervoor werd aangevraagd en verleend. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tot en met 2023 sprake was van subsidieverstrekking voor drie of meer achtereenvolgende jaren van een voortdurende activiteit, namelijk het exploiteren van een theater, en dat diezelfde subsidie over de volgende jaren (2024-2025) was aangevraagd en geweigerd, één en ander als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank stelt verder vast dat het aan het college is om, binnen de door de raad gestelde kaders in het raadsbesluit, besluiten te nemen over de ingediende aanvragen om subsidie. Weliswaar was het raadsbesluit niet gericht op rechtsgevolg, omdat de raad niet heeft beoogd de aanspraken van Stadstheater op subsidie bindend vast te stellen, maar het raadsbesluit is wel materieel van invloed op de financiële ruimte van het college, zodanig dat het college materieel niet anders kon dan de voorliggende aanvragen afwijzen. Stadstheater heeft de situatie waarin zij verkeerde in de dossierstukken en ter zitting uitgebreid toegelicht. In het Meerjarenplan 2022-2034 van Stadstheater, dat zij mede in overleg met de gemeente had opgesteld, is vastgelegd dat voor 2024 geen programmering zou worden geboekt en dat dus geen inkomsten zouden worden gegenereerd in deze periode, opdat de noodzakelijke renovatie kon plaatsvinden, waarvoor geld nodig was van de gemeente. De gemeente, daaronder mede begrepen het college, was dus op de hoogte van het feit dat de investerings- en overbruggingssubsidies voor Stadstheater nodig waren om de plannen zoals geschetst in het Meerjarenplan te kunnen uitvoeren en dat Stadstheater zonder financiële ondersteuning niet langer in staat was om het theater in stand te houden.

De rechtbank kan Stadstheater, gelet op het voorgaande, volgen in haar conclusie dat het raadsbesluit betekende dat de subsidierelatie beëindigd zou worden en dat zij gelet daarop (bedrijfseconomisch) geen andere keuze had dan de exploitatie van het theater te beëindigen. Uit het raadsbesluit, onder f, volgt dat de raad heeft beslist dat het voor een theaterfunctie in de begroting opgenomen bedrag vanaf 2024 wordt opgenomen in een cultuurfonds en dat dit fonds kan worden aangewend voor een ‘nieuwe, toekomstige en nader te bepalen theaterfunctie’ in de gemeente Almelo. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niets anders worden afgeleid dan dat uit het cultuurfonds géén middelen meer konden worden verstrekt aan Stadstheater. Stadstheater is immers geen nieuwe, toekomstige en nader te bepalen theaterfunctie in de gemeente Almelo, maar was ten tijde van het raadsbesluit juist de (decennialang) bestaande theaterfunctie in Almelo. Dat een wethouder tijdens de raadsvergadering van 27 februari 2024 zou hebben meegedeeld dat met de keuze voor scenario D nog steeds ruimte zou bestaan voor een reguliere budgetsubsidie, zoals ook namens het college op de zitting is gesteld, maakt dit niet anders. Een dergelijke mededeling van een wethouder vormt geen formeel onderdeel van het raadsbesluit en de rechtbank kan deze stelling ook niet volgen gelet op de hiervoor genoemde bewoordingen van het raadsbesluit, onder f.

Het raadsbesluit moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gezien als een gewijzigd inzicht dat zich verzet tegen voortzetting van de subsidie aan Stadstheater voor een aansluitend tijdvak. Anders dan het college stelt, kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat Stadstheater als subsidieverkrijger zelfstandig heeft besloten de exploitatie van het theater definitief te staken.

Het weigeren van een subsidie voor een aansluitend tijdvak is op grond van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb alleen mogelijk met inachtneming van een redelijke termijn. Hiervan is in bestreden besluit 1 geen sprake. Uit de tekst van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb kan worden afgeleid dat het in beginsel op de weg ligt van het bestuursorgaan om – in geval en zodra duidelijk wordt dat de subsidierelatie beëindigd zal worden – een redelijke termijn in acht te nemen alvorens de relatie daadwerkelijk beëindigd wordt. Het raadsbesluit van 27 februari 2024 markeert het moment waarop duidelijk werd dat beëindigd zou worden. Het lag op de weg van het college om Stadstheater hierover te informeren en een redelijke termijn voor afbouw te gunnen, hetgeen het college heeft nagelaten. Het kan Stadstheater dan ook bezwaarlijk kwalijk worden genomen dat zij zelf het voortouw heeft genomen te gaan afbouwen.

De rechtbank is concluderend van oordeel dat het college bij de afwijzing van de aanvraag om de overbruggingssubsidie ten onrechte geen redelijke termijn (al dan niet in de vorm van een afbouwsubsidie) in acht heeft genomen, zoals bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb.

Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de weigeringsgronden uit de Awb en de Algemene subsidieverordening hieraan in de weg staat, volgt de rechtbank het college hierin niet. De verplichting tot inachtneming van een redelijke termijn bij de weigering van een subsidieaanvraag voor een aansluitend tijdvak staat immers los van de gronden waarop een subsidieaanvraag geweigerd kan worden. Het college kon in dit geval de aanvraag slechts weigeren met inachtneming van een redelijke termijn, ongeacht de weigeringsgrond die is toegepast voor deze weigering. Nu dat niet is gebeurd en bestreden besluit 1 al daarom niet in stand kan blijven, zal de rechtbank daarom de (overige) weigeringsgronden onbesproken laten.

ZWO 25/3277: de investeringssubsidie

7. Het college heeft ook de aanvraag om een investeringssubsidie afgewezen. Hieraan heeft het college allereerst de weigeringsgrond van artikel 4:35, eerste lid, onder a, van de Awb ten grondslag gelegd. Volgens het college bestaat een gegronde reden om aan te nemen dat de activiteiten – in dit geval de renovatie – niet meer zullen plaatsvinden. Na het raadsbesluit van 27 februari 2024 heeft Stadstheater immers zelf aangegeven dat daarmee geen basis meer bestaat voor een renovatie. Ook heeft het college de weigeringsrond van artikel 4:35, derde lid, van de Awb aan de afwijzing ten grondslag gelegd; de subsidieverstrekking zou (mogelijk) onverenigbaar zijn met het staatssteunverbod van artikel 107 van het VWEU.

8. De rechtbank stelt volledigheidshalve voorop dat de aangevraagde investeringssubsidie – anders dan de overbruggingssubsidie die de rechtbank hiervoor heeft besproken –niet kan worden aangemerkt als een subsidie die al drie of meer achtereenvolgende jaren is verstrekt voor dezelfde voortdurende activiteiten. De investeringssubsidie was immers bedoeld voor een (eenmalige) renovatie. Dat betekent dat, anders dan bij de overbruggingssubsidie, artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in deze zaak niet van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat het college terecht de afwijzingsgrond van artikel 4:35, eerste lid, onder a, aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd. Omdat Stadstheater na het raadsbesluit had aangegeven geen basis meer te zien voor een renovatie of heropening, had het college ten tijde van het nemen van het (primaire) besluit tot afwijzing op 4 maart 2025 en ten tijde van het nemen van bestreden besluit 2 wel een gegronde reden om aan te nemen dat de activiteiten waarvoor subsidie was verzocht, namelijk de investering in het theater ten behoeve van een renovatie, niet meer zouden plaatsvinden.

Omdat het college de aanvraag om een investeringssubsidie al hierom terecht heeft geweigerd, behoeft de beroepsgrond met betrekking tot staatssteun geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/3275 is gegrond, omdat het college in bestreden besluit 1 ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:51, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom bestreden besluit 1. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten of, zoals Stadstheater heeft verzocht, zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het college zich nog niet heeft uitgelaten over de duur van de redelijke termijn en de (daarmee samenhangende) hoogte van de (afbouw)subsidie.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Het beroep met zaaknummer ZWO 25/3277 is ongegrond.

Omdat het beroep tegen de afwijzing van de overbruggings- en afbouwsubsidie gegrond is, moet het college voor dit beroep het griffierecht aan Stadstheater vergoeden en krijgt Stadstheater ook een vergoeding van haar proceskosten.

Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van Stadstheater een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep zoals geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3275 gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 1 van 10 oktober 2025 dat ziet op de afwijzing van de overbruggings- en afbouwsubsidie;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep zoals geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3277 ongegrond;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan Stadstheater moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan Stadstheater.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:35

1 De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

2 De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:

a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of

b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

3 De subsidieverlening wordt voorts geweigerd indien de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 4:51

1 Indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.

2 Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in afwijking van artikel 4:25, tweede lid.

Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013

Artikel 13. Weigeringsgronden

1. De subsidieverstrekking kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Awb genoemde gevallen geweigerd worden, indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat:

a) de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente;b) de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld; c) de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;d) de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente;e) de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand