RECHTBANK OVERIJSSEL
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
29 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekers], uit [woonplaats 1], verzoekers,
de burgemeester van Enschede.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2457
en
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] uit [woonplaats 2] (gemachtigde: mr. R. van der Wal) en [derde belanghebbende 2] uit [woonplaats 3].
Procesverloop
Met het besluit van 10 augustus 2026 heeft de burgemeester het verzoek van [verzoekers] tot het opleggen van een aanlijn- en muilkorfgebod voor de hond ‘[naam 1]’ (een Duitse herder van [derde belanghebbende 1]) en tot het opleggen van een contact- en gebiedsverbod aan [derde belanghebbende 1] en Wermer afgewezen.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 september 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: [derde belanghebbende 1] en haar gemachtigde, vergezeld door [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen.
Namens de burgemeester is verschenen [naam 2].
[derde belanghebbende 2] is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Verzoekers zijn eveneens met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verzoekers hebben aangegeven te vrezen voor hun veiligheid, ondanks de namens de rechtbank gedane mededeling dat de parketpolitie middels een beeldverbinding tijdens de zitting meekijkt en zo nodig ingrijpt.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht van verzoekers dient te worden toegewezen, maar daaraan kunnen geen rechten worden ontleend in een (eventueel) bodemgeding.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij een beoordeling van hun verzoek door de voorzieningenrechter. De burgemeester heeft dit ook niet betwist.
Verzoekers hebben in hun verzoekschrift opgenomen dat een contact- en gebiedsverbod ook dient te gelden voor de bewoners aan de James Cookstraat 15 te Enschede, maar vanwege het ontbreken van enige concretisering en aanduiding van de bedoelde personen heeft de rechtbank hen niet als derde-partijen aangemerkt.
De beoordeling door de voorzieningenrechter is beperkt tot de vraag of de burgemeester heeft kunnen weigeren om op straffe van een dwangsom een aanlijn- en muilkorfgebod voor de hond ‘[naam 1]’ op te leggen en op straffe van een dwangsom een contact- en gebiedsverbod op te leggen ten aanzien van de derde-partijen.
De burgemeester komt beoordelingsvrijheid toe en hij laat zich in de regel adviseren door de politie middels een bestuurlijk rapport. Dat is de burgemeester toegestaan en ligt ook voor de hand, omdat het in de eerste plaats aan de politie is om meldingen en aangiftes te onderzoeken en daarover te rapporteren.
Volgens de burgemeester is er geen grondslag voor de gevraagde geboden en verboden, omdat er slechts 1 bijtincident bekend is dat heeft plaatsgevonden op
2 oktober 2024 en dat beoordeeld is door de politie, maar niet heeft geleid tot een bestuurlijk rapport. Er zijn geen incidenten bekend die zouden moeten leiden tot een contact- en gebiedsverbod.
Verzoekers hebben dit betwist.
Verzoekers voeren aan dat zij gevaar lopen door de derde partijen. Ter onderbouwing hebben zij gewezen op diverse stukken (onder meer aangiftes, meldingen en klachten). In de kern betreffen het echter allemaal verklaringen van verzoekers zelf over dezelfde incidenten. Dat de verklaringen bij verschillende instanties zijn afgelegd (de politie, het Openbaar Ministerie, de burgemeester, de gemeenteraad, de Commissaris van de Koning, de GGD en de woningbouwcorporatie en diverse klachtencommissies) maakt dit niet anders. Er zijn geen bestuurlijke rapportages of officiële waarnemingen of beoordelingen van de genoemde incidenten door een van deze instanties. De instanties hebben ook geen aanleiding gezien om – binnen de kaders van hun eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden – nader onderzoek te doen of maatregelen te nemen conform de wensen van verzoekers. Dit betekent dat het bezwaarschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers louter is onderbouwd met verklaringen van henzelf.
Bovendien geven de derde partijen een andere lezing met betrekking tot dezelfde incidenten, ondersteund door getuigenverklaringen van buurtbewoners (zowel schriftelijk ingediend als ter zitting afgelegd), waaruit volgt dat niet de derde partijen, maar verzoekers zelf voor problemen zorgen. Omdat het de lezing van verzoekers tegenover de lezing van de derde partijen is, kan de voorzieningenrechter niet zonder meer de lezing van verzoekers volgen. De door verzoekers verzochte maatregelen zijn bovendien te verstrekkend om deze enkel op basis van de tegenstrijdige lezingen toe te wijzen.
Duidelijk is dat er het nodige aan de hand is. Voor nu is de onderbouwing van het bezwaarschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat het bezwaarschrift een gerede kans van slagen heeft en de betrokken belangen dienen te leiden tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Voorkomen moet worden dat de problemen escaleren, maar dat strekt buiten de mogelijkheden van de voorzieningenrechter. Buurtbemiddeling kan mogelijk uitkomst bieden.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: