RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[eiser], uit [woonplaats],
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3571 V
hierna: [eiser],
en
hierna: het college.
1. Deze uitspraak gaat over het verzet van [eiser] tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2026. [eiser] heeft beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit ingediend, omdat het college volgens hem nog niet op zijn bezwaarschrift heeft beslist. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting afgedaan en in de uitspraak van 2 februari 2026 dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het college al een beslissing op bezwaar had genomen voordat [eiser] het beroep instelde. [eiser] had daarom geen procesbelang meer bij een uitspraak op het beroep. [eiser] is het hiermee niet eens. Hij heeft geen beslissing op bezwaar ontvangen. Volgens hem heeft het college bij het verzenden van de beslissing op bezwaar onterecht het adres gebruikt waarop hij staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. [eiser] woont daar feitelijk niet en het college was daarvan op de hoogte. Bovendien heeft de verzending van de beslissing op bezwaar niet op de juiste manier plaatsgevonden.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is, omdat de rechtbank in de uitspraak van 2 februari 2026 buiten twijfel heeft kunnen oordelen dat het beroep niet-ontvankelijk was. Het college mocht voor de verzending het adres uit de Basisregistratie Personen gebruiken en ook heeft het college aannemelijk gemaakt dat het besluit op dat adres is ontvangen. Het besluit waarop [eiser] wachtte was daarom op de juiste wijze bekendgemaakt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
2. [eiser] heeft op 9 december 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit, omdat het college volgens hem nog niet had beslist op zijn bezwaarschrift van 6 april 2025. Dit bezwaarschrift had hij ingediend tegen het besluit van 5 maart 2025, waarin het college het verzoek van [eiser] op grond van de Wet open overheid heeft afgewezen.
De rechtbank heeft op 2 februari 2026 uitspraak gedaan en het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [eiser] geen procesbelang had bij een uitspraak op zijn beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Daarbij was van belang dat het college vóór de datum van het indienen van het beroep al een beslissing op bezwaar had genomen en die beslissing ook op de juiste manier aan [eiser] had bekendgemaakt.
De rechtbank heeft de uitspraak van 2 februari 2026 op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting gedaan. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
[eiser] heeft tegen de uitspraak van 2 februari 2026 verzet gedaan.
De rechtbank heeft het verzet op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft [eiser] deelgenomen. Namens het college is met kennisgeving niemand ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het verzet
3. [eiser] meent dat de beslissing op bezwaar niet op de juiste manier aan hem is bekendgemaakt. Hij voert aan dat het college de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft gestuurd naar het adres waarop hij in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven (zijn BRP-adres) en niet naar het door hem opgegeven correspondentieadres, e-mailadres of bedrijfsadres. Het college was ervan op de hoogte dat [eiser] niet daadwerkelijk woont op zijn BRP-adres en zijn brievenbus daar niet regelmatig leegt.
Verder stelt [eiser] dat de beslissing op bezwaar door het postbedrijf Cycloon niet bij hem is aangeboden, dat hij geen handtekening heeft gezet voor ontvangst en dat er ook geen afhaalbericht is achtergelaten, zodat de beslissing eigenlijk ook niet op de juiste manier naar zijn BRP-adres is gezonden.
Omdat het besluit niet juist is bekendgemaakt, heeft de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus [eiser].
De beoordeling van het verzet
4. De rechtbank stelt voorop dat zij in deze verzetprocedure moet beoordelen of 1) de rechtbank in de uitspraak van 2 februari 2026 terecht heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is en 2) daarover geen twijfel bestaat. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
Voor de beoordeling is in deze zaak van belang of de beslissing op bezwaar vóórdat [eiser] het beroep heeft ingesteld al op de juiste manier aan hem was bekendgemaakt. Om die vraag te beantwoorden beoordeelt de rechtbank eerst of het college voor de bekendmaking van de beslissing op bezwaar het BRP-adres van [eiser] voor de verzending mocht gebruiken. Daarna beantwoordt de rechtbank de vraag of het aannemelijk is dat de beslissing daar op de juiste manier naartoe is gezonden en is bezorgd.
Mocht het college het BRP-adres gebruiken?
5. Op grond van artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41 van de Awb, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen. Van een geldige bekendmaking is in beginsel sprake als het besluit per post op de juiste wijze naar het BRP-adres van de belanghebbende is gestuurd. Uitgangspunt is namelijk dat een bestuursorgaan ervan mag uitgaan dat een belanghebbende op zijn BRP-adres is te bereiken.
Het college heeft de beslissing op bezwaar per post verzonden en daarvoor het BRP-adres van [eiser] gebruikt. Niet in geschil is dat dit het adres [adres] betreft. [eiser] noemt in zijn bezwaarschrift en ook in zijn aanvulling daarop geen enkel fysiek (correspondentie)adres. Op basis van deze stukken was er voor het college daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat [eiser] niet op zijn BRP-adres te bereiken was en dat het daarom voor de bekendmaking van de beslissing op bezwaar een ander adres had moeten gebruiken. [eiser] wijst in verzet op de ingebrekestelling die hij verzond, waarin hij wel een correspondentieadres noemt, maar dat stuk is van na de beslissing op bezwaar zodat het college daarmee geen rekening kon houden bij de beslissing op bezwaar. Dat [eiser] tot slot verzocht heeft om de correspondentie via zijn e-mailadres te laten verlopen tast de geldigheid van de bekendmaking op het BRP-adres niet aan, omdat op het college geen verplichting rust om besluiten elektronisch te verzenden als daarom wordt verzocht.
Is het aannemelijk dat de beslissing op bezwaar op het BRP-adres is bezorgd?
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat de beslissing op bezwaar is gedateerd op 21 augustus 2025. De rechtbank stelt verder vast dat het dossier een verzendbewijs bevat. Hieruit blijkt dat het college op 22 augustus 2025 de beslissing op bezwaar gericht aan [eiser] met als adres [adres] ter verzending aan het postbedrijf Cycloon heeft aangeboden. Op het verzendbewijs staat vermeld dat de beslissing op bezwaar is afgeleverd op 23 augustus 2025 en de status ‘bezorgd’ heeft.
De rechtbank is het met [eiser] eens dat uit het verzendbewijs niet blijkt dat sprake is van aangetekende verzending zoals daarvan ook in de rechtspraak wordt uitgegaan. Anders dan het college stelt, blijkt niet dat [eiser] voor ontvangst van de beslissing op bezwaar heeft getekend. Evenmin blijkt dat een ander voor die ontvangst heeft getekend of dat een afhaalbericht is achtergelaten. De rechtbank toetst daarom de vraag of het aannemelijk is dat de beslissing op bezwaar is bezorgd aan de uitgangspunten die de rechtspraak aan het aannemelijk maken van niet-aangetekende verzending van besluiten stelt.
Volgens vaste rechtspraak is het, als een belanghebbende stelt dat deze een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan vooralsnog kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verder dient geen sprake te zijn van recente problemen bij de verzending van post. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen de geadresseerde aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
De rechtbank oordeelt dat het college met het verzendbewijs aannemelijk heeft gemaakt dat de beslissing op bezwaar is verzonden naar het juiste adres en daar ook is ontvangen. De rechtbank leidt uit dit verzendbewijs af dat de beslissing op bezwaar op 23 augustus 2025 in de brievenbus van de woning aan de [adres] is gedeponeerd. Van recente problemen bij postbedrijf Cycloon is niet gebleken. Dat wat [eiser] in de eerste plaats aanvoert, namelijk dat van aangetekende verzending geen sprake is, trekt de daadwerkelijke bezorging van de brief door deponering in de brievenbus niet in twijfel. De enkele op zitting ingenomen stelling van [eiser] dat hij de brief niet heeft gezien, is daarvoor niet genoeg. Er moeten concrete aanknopingspunten zijn om aan die bezorging te twijfelen, en die geeft [eiser] niet. Daar komt bij dat [eiser] op de zitting heeft benoemd dat hij in de woning aan de [adres] brieven van Cycloon heeft gezien en dat hij die brieven om persoonlijke redenen niet heeft geopend. Hij heeft daarvan foto’s gemaakt en die naar Cycloon en de gemeente gestuurd met het verzoek om post per e-mail naar hem te sturen. Dit bevestigt naar het oordeel van de rechtbank eerder het vermoeden van bezorging dan dat dit het vermoeden van bezorging ontzenuwt.
Tussenconclusie
7. De rechtbank is van oordeel dat het college voor de verzending van de beslissing op bezwaar het BRP-adres van [eiser] mocht gebruiken. Daarnaast heeft het college aannemelijk gemaakt dat de beslissing op bezwaar op 23 augustus 2025 op het BRP-adres van [eiser] is ontvangen.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de beslissing op bezwaar op de juiste manier is bekendgemaakt aan [eiser] en dat dit gebeurde voordat [eiser] op 9 december 2025 het beroep wegens niet tijdig beslissen heeft ingediend. De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 februari 2026 dan ook terecht geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit oordeel staat ook buiten redelijke twijfel. Er zijn namelijk geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die redelijkerwijs doen twijfelen aan die uitkomst. Het verzet is ongegrond. De rechtbank komt niet toe aan de inhoud van het beroep. Dit betekent dat de uitspraak van 2 februari 2026 in stand blijft.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier, en uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.